Klacht tegen jeugdhulpverlener over een verkeerde beoordeling van het belang van de zoon, de opzet van het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel, de wijze van hulpverlening en de tegenstrijdigheden in het verzoek. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.185T
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de wijze waarop beklaagde het gedrag van de zoon heeft beschreven in het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel. Het College oordeelt dat beklaagde zich heeft mogen baseren op de informatie van Veilig Thuis en het telefoongesprek met moeder. Niet het gedrag van de zoon maar de houding van moeder is voor beklaagde aanleiding geweest voor het voornemen om een verzoek in te dienen. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld in het belang van de zoon.
Het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel is door beklaagde uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd.
De stellingen van klager over de wijze van hulpverlening zijn feitelijk onjuist. Het College constateert ook dat de voorbeelden die klager aanhaalt niet duiden op tegenstrijdigheden. De hulpverlening had betrekking op meerdere factoren. Het is begrijpelijk dat beklaagde meer dan één conclusie heeft getrokken.
Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen gezinsspecialist die heeft nagelaten om de identiteit van de zoon van klaagster te controleren bij de start van een gesprek. Artikel J van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerkers is geschonden. Beklaagde heeft vervolgens zorgvuldig en adequaat gehandeld. De klacht is deels gegrond. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.212T
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: de klacht is deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is benaderd door een vertrouwenspersoon van school om in gesprek te gaan met een leerling naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld. Zij is naar school gegaan en heeft van de conciërge een verkeerd lokaalnummer gekregen waar zich echter wel een leerling bevond die fonetisch dezelfde voornaam had. Beklaagde heeft de zoon van klaagster meegenomen in plaats van de leerling waar de melding betrekking op had. Zij had gelet op de vertrouwelijkheid van het gesprek bij de start van het gesprek moeten nagaan of zij de juiste persoon voor zich had. Zij heeft in strijd gehandeld met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Beklaagde heeft zorgvuldig en adequaat gehandeld door tijdig het gesprek met de zoon te stoppen en contact op te nemen met de vertrouwenspersoon en de melder. Beklaagde heeft direct nadat de fout was ontdekt, de situatie uitgelegd aan de zoon van klaagster en excuses aangeboden.
Het College houdt rekening met het feit dat het gaat om een eenmalige misslag. Ook heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen, heeft zij haar werkwijze aangepast en haar ervaring gedeeld met haar collega’s. Op grond van deze omstandigheden ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over uitlatingen over de omgang die hij als zittingsvertegenwoordiger heeft gedaan tijdens een zitting bij het gerechtshof. De voorzitter verklaart de klachten kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.018Ta
Datum beslissing: 29 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De voorzitter overweegt dat uit de klachtbeslissing van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat de raadsonderzoeker kenbaar heeft willen maken dat hij geen persoonlijk overleg met zijn collega’s heeft gehad. Hij is als zittingsvertegenwoordiger niet verplicht om vooraf te overleggen met de collega’s die het rapport hebben opgesteld.
Het is begrijpelijk dat de raadsonderzoeker op basis van de informatie die hij tijdens de zitting heeft verkregen, de adviezen heeft aangepast. Klaagster heeft tot slot geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde heeft beweerd dat hij niets heeft aangegeven over de omgang omdat de reactie van klaagster op het advies zou ontbreken.
De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

lees verder

Klacht tegen een voormalige betrokken gezinsvoogd over haar handelen ten tijde van haar betrokkenheid.

Zaaknummer: 18.150T
Datum beslissing: 28 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de voormalige gezinsvoogd vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde dat zij partijdig is en optreedt als belangenbehartiger van vader, in plaats van als gezinsvoogd voor de dochter. Hier heeft klaagster een drietal voorbeelden aangehaald. Ten tweede stelt klaagster dat beklaagde bij herhaling onjuiste informatie over haar aan de rechtbank en andere instanties heeft verstrekt waardoor er een negatief beeld over haar als moeder is ontstaan. Hier heeft klaagster twee voorbeelden benoemd. Het derde klachtonderdeel is een herhaling van waar in klachtonderdeel I over is geoordeeld. Tot slot verwijt klaagster in klachtonderdeel vier beklaagde dat zij onterecht opmerkingen en (klacht)gesprekken van haar gebruikt als gronden voor het beëindigen van de ondertoezichtstelling. Zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde gemotiveerd verweer gevoerd. Het College heeft alles overziend geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Klacht tegen de ambulant spoedhulpverlener over onder andere het eindverslag, dat geschreven is zonder dat beklaagde klaagster en de zoon gesproken heeft en dat beklaagde zonder enige aanleiding de betrokken instelling in het drangkader heeft geïnformeerd over de zorgen over de zoon, waarna een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon is ingediend.

Zaaknummer: 18.130T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon en oefent het gezag uit over de zoon. De zoon is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft drie klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I en III.
Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij een eindverslag geschreven heeft over klaagster en de zoon, zonder dat zij in gesprek is gegaan met klaagster, of de zoon heeft gezien. Beklaagde heeft verklaard dat zij in de periode dat zij als ambulante spoedhulpverlener betrokken was, zowel telefonisch als via WhatsApp contact onderhield met klaagster. Het College kan klaagster dan ook niet volgen in haar klacht dat beklaagde een verslag heeft geschreven zonder dat zij klaagster heeft gezien. Dat beklaagde de zoon niet heeft ontmoet, kan volgens het College liggen aan de relatief korte tijd dat beklaagde bij het gezin van klaagster betrokken is geweest.
In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder enige aanleiding via een andere instelling een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon heeft ingediend zonder samenwerking of een gesprek met klaagster. Het College overweegt dat er zorgen waren over klaagster en de zoon en dat deze zorgen binnen een aantal dagen snel toenamen. Beklaagde heeft om die reden, na overleg met haar collega’s en in het belang van de zoon, besloten om de instelling te informeren. Daarbij heeft beklaagde, eveneens na afstemming met haar collega’s, in het belang van de veiligheid van de zoon besloten klaagster hier vooraf niet over te informeren. Het College kan zich goed voorstellen dat klaagster zich op die bewuste middag overvallen heeft gevoeld. Het College acht het echter wel navolgbaar dat beklaagde zo gehandeld heeft. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zeer zorgelijk was, dat mogelijk de veiligheid van de zoon in het geding was en voorts heeft zij vooraf afstemming gezocht met haar collega’s. Beklaagde heeft in haar verweer gereflecteerd op haar handelen in die zin dat zij zich nu nog bewuster is van de noodzaak van transparant communiceren. Mogelijk had het beter gekund maar het College is - alles overwegende - van oordeel dat beklaagde bij het beroepsmatig handelen gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Tot slot merkt het College nog op dat tussen de periode van het handelen in april 2016 en het indienen van de tuchtklacht in september 2018 een relatief lange periode ligt van meer dan twee jaar. Het College kan zich voorstellen dat dat voor een beklaagde, die zich immers dient te verweren, een complicerende factor is.

lees verder

Beklaagde pedagoog heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als jeugdprofessional. Van een professionele relatie was geen sprake. Zij bood slechts een luisterend oor aan de zoon. Ook is de Beroepscode NVO niet van toepassing. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk op haar rol gewezen en zich op geen enkele wijze gemanifesteerd als pedagoog.

Zaaknummer: 18.136T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht richt zich tegen een beklaagde die werkzaam is als pedagoog. Zij kent de 14 jarige zoon van klager omdat deze sinds de kleuterschool bevriend is met haar zoon. Op initiatief van de zoon van klager heeft beklaagde een aantal keer met hem gesproken. Volgens klager zijn deze gesprekken zonder klagers toestemming gevoerd. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk aangegeven dat zij de zoon slechts een luisterend oor kon bieden maar dat zij dit niet als professional deed. Volgens het College is geen sprake geweest van een behandelrelatie of professionele relatie. Beklaagde heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als pedagoog/jeugdprofessional. Privé-handelen valt in principe niet onder het tuchtrecht. Dit zou anders zijn als dat privé-handelen niet los gezien kan worden van haar beroep als pedagoog en waarbij dit handelen voldoende weerslag kan hebben op professionele relaties. Gezien het handelen van beklaagde is die situatie volgens het College niet aan de orde. Ook ziet het College geen aanknopingspunten dat beklaagde zich op enigerlei wijze zou hebben gemanifesteerd als pedagoog zoals staat beschreven in artikel 1.4 van de Beroepscode NVO. Nu beklaagde heeft gehandeld in de privésfeer en niet als pedagoog concludeert het College dat haar handelen niet onder het tuchtrecht valt en dat zij daarmee niet onderworpen is aan de algemene tuchtnorm van artikel 3.1 van het Tuchtreglement. Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht waardoor het College aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht niet toekomt.

lees verder