Klacht tegen een voormalige betrokken gezinsvoogd over haar handelen ten tijde van haar betrokkenheid.

Zaaknummer: 18.150T
Datum beslissing: 28 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de voormalige gezinsvoogd vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde dat zij partijdig is en optreedt als belangenbehartiger van vader, in plaats van als gezinsvoogd voor de dochter. Hier heeft klaagster een drietal voorbeelden aangehaald. Ten tweede stelt klaagster dat beklaagde bij herhaling onjuiste informatie over haar aan de rechtbank en andere instanties heeft verstrekt waardoor er een negatief beeld over haar als moeder is ontstaan. Hier heeft klaagster twee voorbeelden benoemd. Het derde klachtonderdeel is een herhaling van waar in klachtonderdeel I over is geoordeeld. Tot slot verwijt klaagster in klachtonderdeel vier beklaagde dat zij onterecht opmerkingen en (klacht)gesprekken van haar gebruikt als gronden voor het beëindigen van de ondertoezichtstelling. Zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde gemotiveerd verweer gevoerd. Het College heeft alles overziend geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Beklaagde pedagoog heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als jeugdprofessional. Van een professionele relatie was geen sprake. Zij bood slechts een luisterend oor aan de zoon. Ook is de Beroepscode NVO niet van toepassing. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk op haar rol gewezen en zich op geen enkele wijze gemanifesteerd als pedagoog.

Zaaknummer: 18.136T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht richt zich tegen een beklaagde die werkzaam is als pedagoog. Zij kent de 14 jarige zoon van klager omdat deze sinds de kleuterschool bevriend is met haar zoon. Op initiatief van de zoon van klager heeft beklaagde een aantal keer met hem gesproken. Volgens klager zijn deze gesprekken zonder klagers toestemming gevoerd. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk aangegeven dat zij de zoon slechts een luisterend oor kon bieden maar dat zij dit niet als professional deed. Volgens het College is geen sprake geweest van een behandelrelatie of professionele relatie. Beklaagde heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als pedagoog/jeugdprofessional. Privé-handelen valt in principe niet onder het tuchtrecht. Dit zou anders zijn als dat privé-handelen niet los gezien kan worden van haar beroep als pedagoog en waarbij dit handelen voldoende weerslag kan hebben op professionele relaties. Gezien het handelen van beklaagde is die situatie volgens het College niet aan de orde. Ook ziet het College geen aanknopingspunten dat beklaagde zich op enigerlei wijze zou hebben gemanifesteerd als pedagoog zoals staat beschreven in artikel 1.4 van de Beroepscode NVO. Nu beklaagde heeft gehandeld in de privésfeer en niet als pedagoog concludeert het College dat haar handelen niet onder het tuchtrecht valt en dat zij daarmee niet onderworpen is aan de algemene tuchtnorm van artikel 3.1 van het Tuchtreglement. Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht waardoor het College aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht niet toekomt.

lees verder

Jeugdbeschermer heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van klager waardoor het voor klager tijdens de ondertoezichtstelling heeft ontbroken aan handvatten en structuur.

Zaaknummer: 18.147T
Datum beslissing: 15 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X gegrond; klachtonderdeel IV, V en IX ongegrond Klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen (deels)III en XI
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, elf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X. Het College heeft deze klachtonderdelen gegrond verklaard.

Allereerst heeft beklaagde nagelaten om klager te informeren over de Beroepscode en het Tuchtrecht waar hij onder valt. Ook heeft beklaagde, na verzoek, niet zijn registratienummer verstrekt. Hiermee heeft beklaagde volgens het College in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld.

Voorts heeft beklaagde zich onvoldoende ingespannen om een gesprek met klager en zijn vertrouwenspersoon over beklaagde zijn functioneren, op verzoek van klager, van de grond te krijgen. Doordat beklaagde dit gesprek heeft afgehouden is in strijd met artikel D van de Beroepscode gehandeld. Op grond van dit artikel had beklaagde door middel van een persoonlijk gesprek verantwoording aan klager kunnen afleggen over zijn handelen.

Ook heeft het College geoordeeld dat beklaagde heeft gehandeld vanuit willekeur. Als beklaagde signalen ontving van moeder heeft beklaagde daar naar gehandeld zonder hoor en wederhoor toe te passen. Hiermee heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Daarnaast heeft beklaagde nadat was gekozen voor de methodiek complexe echtscheiding waarbij individueel contact met de jeugdbeschermer was uitgesloten, individueel contact gehad met moeder. Uit het dossier is niet gebleken dat naar klager was gecommuniceerd dat de gekozen methodiek weer was losgelaten. Beklaagde heeft in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld nu er geen juiste informatievoorziening richting klager heeft plaatsgevonden.

Het volgende klachtonderdeel sluit aan bij een eerder klachtonderdeel. Over afgespeelde gebeurtenissen heeft beklaagde verhalen van moeder gehoord maar heeft hij nagelaten om te vragen naar de kant van klager. Doordat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Vervolgens is beklaagde verweten dat de begeleiding vanuit hem te wensen heeft overgelaten. Voor het College is dit gebleken uit het feit dat beklaagde heeft gewerkt met een korte termijn visie. Er is niet adequaat gewerkt met een gezinsplan wat voor klager maar ook voor beklaagde handvatten en structuur had kunnen bieden. Beklaagde heeft hiermee in strijd met artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Tot slot heeft beklaagde naar het oordeel van het College misbruik van zijn macht gemaakt. Door een gesprek met klager en moeder afhankelijk te stellen van omgang tussen klager en zijn kinderen. Klager heeft tijdig aangegeven dat hij niet kon en is met een alternatief gekomen. Beklaagde heeft vastgehouden aan het geprikte moment, maar de overwegingen hiertoe ontbreken. Beklaagde heeft met zijn handelen in strijd met artikel H van de Beroepscode gehandeld.

Beklaagde is met zijn handelen verwijtbaar tekortgeschoten en heeft een minimale blijk van reflectie gegeven. Het College heeft in overweging meegenomen dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de gevolgen van zijn handelen voor klager. Het College acht het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Klacht tegen een bemiddelaar van een traject over het ontbreken van een heldere agenda tijdens de gesprekken. Een klachtonderdeel is gegrond. Beklaagde heeft nagelaten om structuur aan te brengen in de gesprekken, bespreekpunten te clusteren en terug te komen op gemaakte afspraken. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.088T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdeel IV is gegrond, de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College overweegt dat van beklaagde in zijn rol van bemiddelaar mag worden verwacht dat hij in de gesprekken structuur aanbrengt, bespreekpunten clustert en terugkomt op gemaakte afspraken. Voor klager is onvoldoende duidelijk geweest waar hij aan toe was doordat beklaagde onvoldoende overeenstemming of instemming met klager heeft bereikt. Helderheid over de werkwijze van beklaagde had hieraan bij kunnen dragen. Het klachtonderdeel is gegrond. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.
Het College heeft begrip voor de complexe situatie waarin beklaagde verkeerde. Hij heeft als bemiddelaar opgetreden in een langdurig traject met hevige dynamiek tussen klager en beklaagde. Beklaagde heeft het belang van het contact tussen klager en de zoon voorop willen stellen en heeft zich hiervoor ingespannen. Hij heeft gereflecteerd op zijn handelen. Ook heeft hij over deze zaak meerdere malen met collega’s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog die werkzaam is als jeugd-en gezinswerker bij een lokaal team. Nu beklaagde is geregistreerd in de kamer voor orthopedagogen, wordt het handelen van beklaagde getoetst aan de beroepscode-NVO. Beklaagde heeft het gesprek met klaagster niet vastgelegd evenals een datum voor de evaluatie. Beklaagde heeft het ‘3 huizengesprek’ anders moeten vormgeven. Zij heeft verder nagelaten klaagster op de hoogte te stellen van de inhoud van het verslag. De hulpverlening aan klaagster is niet afgesloten. Tot slot rust op beklaagde een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of zij de hulpverlening kan uitvoeren. Artikelen 5 lid 2 (positie van de client en zijn wettelijk vertegenwoordigers), 9 lid 5 (deskundigheid en bekwaamheid), 18 (informatie aan de client verstrekken over aard en doel van de professionele relatie), 20 (in vrijheid beslissen over het aangaan van de professionele relatie), 27 (evaluatie bij de afsluiting van de professionele relatie), 31 (dossiervorming) en 35 (recht op inzage en afschrift) van de beroepscode-NVO zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.107T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, XIII en XIV zijn gegrond; klachtonderdelen IV en V zijn deels gegrond; de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets over de rechtspositie van klaagster heeft gemeld en dat nooit een evaluatie heeft plaatsgevonden. Het College overweegt dat beklaagde geen e-mails of andere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde het gesprek met klaagster heeft vastgelegd. Ook heeft beklaagde tijdens of na het eerste gesprek nagelaten een datum voor de evaluatie vast te leggen.

Klaagster meent voorts dat het ‘3 huizen gesprek’ tussen beklaagde en de zoon een aanfluiting was en meer weg had van een politie verhoor. Het College oordeelt dat beklaagde heeft erkend dat zij het gesprek anders had moeten vormgeven. Zij denkt achteraf bezien dat zij zich heeft laten opjagen door het proces en de vragen die er lagen.

Ook is het College van oordeel dat beklaagde klaagster formeel niet op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van het verslag van het ‘3 huizen gesprek’.

De klacht van klaagster over het niet afsluiten van de hulpverlening is gegrond. Beklaagde is verplicht om de hulpverlening af te sluiten. Uit het dossier blijkt niet dat beklaagde heeft geprobeerd om met beklaagde hierover in contact te komen. Tot slot oordeelt het College dat de samenwerking in het vrijwillig kader onder druk is komen te staan na een beschikking van de rechtbank en omdat beklaagde en haar collega’s het wenselijk vonden dat een GI het proces zou overnemen. Op beklaagde rust, gelet op haar deskundigheid en bekwaamheid, een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen en aan te geven of zij de hulpverlening kan uitvoeren.

Nu beklaagde in deze complexe casus heeft overlegd met collega’s, heeft gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar heeft opgesteld, acht het College gelet op deze omstandigheden de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet verstrekken van het SKJ registratienummer, misbruik van macht, schending van de privacy en discriminatie. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.125T
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde dat hij heeft geweigerd zijn SKJ registratienummer aan klager door te geven. Het College overweegt dat beklaagde heeft toegelicht dat hij het aan klager heeft willen geven, dat hij het niet bij de hand had en dat hij het op een later moment zou verstrekken.

Klager verwijt beklaagde dat hij zijn macht heeft misbruikt nu hij beslissingen heeft genomen zonder als jeugdbeschermer te zijn aangewezen. Het College oordeelt dat beklaagde namens de GI beslissingen heeft mogen nemen die betrekking hebben op de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Ten aanzien van de schending van de privacy overweegt het College dat beklaagde terecht een beroep heeft gedaan op artikel 15 van het privacyreglement van Jeugdzorg Nederland zodat, gelet op de leeftijd van de zoon (twaalf jaar), geen toestemming van klager nodig is om informatie over de zoon te delen.

Klager is van mening dat hij niet gelijk aan moeder is behandeld. Het College oordeelt dat beklaagde een bewuste afweging heeft gemaakt om in het belang van de veiligheid van de zoon, het netwerkberaad zonder klager door te laten gaan. De uitwerking hiervan is niet goed gegaan. Hoewel het beter was geweest als beklaagde andere mogelijkheden had overwogen, heeft hij gehandeld in het belang van de zoon. Daarnaast heeft hij een gesprek gevoerd met klager. Hierdoor is hij met zijn handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder