Klacht tegen jeugd- en gezinscoach die is betrokken in het vrijwillig kader. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde in lijn met artikel Q van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld.

Zaaknummer: 18.021T
Datum beslissing: 28 mei 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugd- en gezinscoach die betrokken is geweest in het vrijwillig kader vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster stelt dat beklaagde zowel heeft nagelaten passende zorg te bieden als een samenwerkingsrelatie op te bouwen. Daarnaast heeft klaagster niet de gelegenheid gekregen om vooraf de melding bij het jeugdbeschermingsplein in te zien en haar kant van het verhaal toe te lichten. De laatste klacht is dat de opgevraagde contactjournaals onvolledig zijn gebleken. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Deze samenvatting gaat kort in op klachtonderdeel één, aangaande het nalaten van het bieden van passende zorg. Het College oordeelt dat beklaagde in lijn met artikel Q van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Alvorens te starten met de aan haar toebedeelde opdracht heeft beklaagde overleg gehad met de verschillende betrokken instanties, omdat het in eerste instantie een onuitvoerbare opdracht leek. Beklaagde heeft volgens het College zorgvuldig gehandeld door hierover eerst een afweging te maken alvorens te starten met de hulpverlening in het vrijwillig kader. Met betrekking tot de overige klachtonderdelen heeft het College geoordeeld dat het door klaagster gestelde gemotiveerd is weerlegd in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Naar het oordeel van het College heeft deze onder de geschetste omstandigheden van het geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld bij het te laat opstellen van het Plan van Aanpak.

Zaaknummer: 17.142T
Datum beslissing: 24 mei 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, negen klachtonderdelen ingediend. Klager stelt dat beklaagde het Plan van Aanpak te laat en niet in samenspraak met hem heeft opgesteld. Ten tweede heeft beklaagde onterecht aangestuurd op medicatie in plaats van een her diagnose van de ADHD bij de minderjarige. Ten derde heeft beklaagde moeder niet heeft willen motiveren voor het ouderschapsplan. Ten vierde is beklaagde onterecht niet bij hem op huisbezoek geweest. Ten vijfde heeft beklaagde onvoldoende samengewerkt met school rondom de totstandkoming van de toelaatbaarheidsverklaring. Ten zesde stelt klager dat hij niet juist is geïnformeerd en ongelijkwaardig is betrokken als ouder met gezag. Ten zevende heeft beklaagde zonder toestemming informatie bij derde opgevraagd. Ten achtste is door beklaagde de verslaglegging niet bij klager gecontroleerd of de informatie klopt en belangrijke informatie is achterwege gelaten. Tot slot stelt klager dat hij onjuist is voorgelicht over de procedure, inzage en bezwaar tegen de schriftelijke aanwijzing en onnodige barrières zijn opgeworpen. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. In deze samenvatting wordt één klachtonderdeel kort toegelicht. In klachtonderdeel één, betreffende het te laat opstellen van het Plan van Aanpak, oordeelt het College dat onder de door beklaagde geschetste omstandigheden en gezien haar vele inspanningen zij zorgvuldig heeft gehandeld en binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Beklaagde heeft toegelicht dat zij zich intensief heeft ingespannen om de samenwerking met klager tot stand te brengen. Een traject waarbij een gezamenlijk Plan van Aanpak moet worden opgesteld kan alleen volbracht kan worden als beide partijen zich hier voor inspannen. Gebleken is dat klager – ondanks de vele pogingen door beklaagde – hieraan niet heeft meegewerkt. Met betrekking tot de overige klachtonderdelen heeft het College geoordeeld dat het door klager gestelde onvoldoende is onderbouwd dan wel gemotiveerd is weerlegd in het verweer en tijdens de mondelinge behandeling.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling.

Zaaknummer: 17.094T
Datum beslissing: 14 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde kort samengevat dat beklaagde een gebrek aan inzicht heeft in de gemoedstoestand van de kinderen, dat zij gemaakte afspraken over de omgang tussen vader en de kinderen niet is nagekomen, zich onprofessioneel heeft opgesteld, rapportages niet heeft verstrekt en een diagnose heeft gesteld dat in een raadsrapport is terechtgekomen. Het College is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met gemaakte afspraken en dat zij onvoldoende inzicht heeft gehad in de gemoedstoestand van de kinderen. In het vrijwillig kader is het van belang dat zowel klaagster als vader overeenstemming bereiken over de vervolgstappen in de hulpverlening. Nadat klaagster aan beklaagde te kennen heeft gegeven dat zij niet akkoord was met een omgangsmoment tussen vader en de kinderen, heeft beklaagde geen verdere actie tot omgang ondernomen. Ten tijde van het gesprek was bovendien een beschikking van kracht waarin de omgang tussen vader en de kinderen is vastgesteld.

Het College overweegt dat beklaagde klaagster heeft geïnformeerd over het gesprek tussen vader en de kinderen en dat vader hiervan op de hoogte is gesteld. Ten aanzien van de niet verstrekte rapportages is het College van oordeel dat beklaagde het plan aan het einde van de diagnosefase aan klaagster heeft opgestuurd als afronding van de hulpverlening. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld door noch aan vader noch aan klaagster een foto van een flipover te verstrekken. Dat beklaagde een diagnose heeft gesteld of uitspraken heeft gedaan die zij niet heeft kunnen doen, is het College niet gebleken. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling.

Zaaknummer: 17.151T
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde kort samengevat dat zij nalatig is geweest in de uitvoering van haar werkzaamheden, dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd, dat zij op de stoel van de psycholoog is gaan zitten en dat zij ten onrechte de aanmelding van het kind bij het CIZ voor de WLZ aan klager en moeder heeft overgelaten. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft gemotiveerd welke acties zij heeft ondernomen om de zorg voor het kind in kaart te brengen. Zij heeft alle partijen betrokken bij een ‘groot overleg’ waar een multidisciplinair besluit is genomen en waar klager zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken. Onweersproken heeft beklaagde uiteengezet dat zij in het vrijwillig kader heeft afgesproken met klager en moeder dat het initiatief voor de start en het in gang zetten van de hulpverlening bij hen ligt en dat zij hiermee akkoord zijn gegaan. Zij hebben minder hulp gebruikt dan is aangeboden. Beklaagde heeft in een actieplan de situatie van het kind beschreven en verwezen naar psychodiagnostisch onderzoek.

Ten aanzien van de valsheid in geschrifte overweegt het College dat klager heeft verwezen naar een document dat niet door hem in deze procedure is overgelegd, dat beklaagde het gestelde heeft betwist en dat het College geen aanknopingspunten in het dossier heeft aangetroffen die de stelling van klager ondersteunen. Dat de psycholoog een andere visie heeft over de benodigde hulpverlening dan de andere partijen in het ‘groot overleg’ valt beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten. Met betrekking tot de aanmelding van het kind bij het CIZ voor de WLZ overweegt het College dat beklaagde met klager en moeder heeft afgesproken dat zij zelf de aanmelding doen en dat zij bereid is te helpen wanneer dat nodig is. Beklaagde heeft zich op deze wijze voldoende actief ingezet voor het gezin van klager. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op het niet nemen van een regiefunctie, de onvoldoende bronvermelding in een rapportage en het niet transparant communiceren. Artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.132T
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en IV (deels) gegrond, klachtonderdelen I (deels), II (deels) en IV (deels) ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, vier klachtonderdelen ingediend. Het College heeft klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en IV (deels) gegrond verklaard. De kern van de gegronde klachtonderdelen ziet op het volgende. Ten aanzien van klachtonderdeel I is voor het College gebleken dat beklaagde ten tijde van zijn betrokkenheid als jeugdbeschermer onvoldoende een regiefunctie heeft genomen. Beklaagde heeft de nadruk op de inhoud gelegd en is daarbij de onderlinge betrekkingen gedeeltelijk uit het oog verloren. Zoals beklaagde ook heeft erkend, was het aan hem om als jeugdprofessional de regie te nemen. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft beklaagde erkend dat de bronvermelding beter had gemoeten en gereflecteerd op zijn handelen. Het College heeft geoordeeld dat de bronvermelding onvoldoende is geweest. Ook had beklaagde nadat hij op de hoogte was gebracht dit het gebrek de rapportage moeten aanpassen. Ten aanzien van klachtonderdelen drie en vier oordeelt het College dat er een gebrek aan transparante communicatie is geweest. Beklaagde had zijn aannames expliciet met klager moeten bespreken Beklaagde heeft volgens het College artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Hij heeft in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling gereflecteerd op zijn handelen en toegelicht welke aanpassingen hij reeds heeft gemaakt. Voor het College ontbrak nog een adequate reflectie op het gebied van de communicatie en het oppakken van signalen en het daar naar handelen tijdens gesprekken met cliënten. Gelet op dit voorgaande acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.

lees verder

Klacht over maatschappelijk werkster Veilig Thuis, die een verzoek tot onderzoek aan de Raad vol onwaarheden en zonder bronvermelding zou hebben geschreven, over de te korte tijd om daarop te kunnen reageren en over onheuse bejegening in e-mails.

Zaaknummer: 17.123T
Datum beslissing: 4 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, III en IV deels gegrond klachtonderdeel II ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klaagster bestaat uit vier klachtonderdelen. I en IV gaan over het verzoek tot onderzoek dat beklaagde heeft geschreven ten behoeve van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Klaagster verwijt beklaagde dat er een veelheid aan fouten/verwijtbare onwaarheden in staat, de werkelijkheid is vertekend en er is geen bronvermelding. In klachtonderdeel II verwijt klaagster beklaagde dat het onmogelijk was om in twee dagen het concept verzoek tot onderzoek te becommentariëren. In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat de toonzetting in de e-mails respectloos is en dat zij op buitenproportionele wijze allerlei voor klaagster en de minderjarige diep ingrijpende maatregelen in gang heeft gezet.

Het College is van oordeel dat beklaagde in het verzoek tot onderzoek op een aantal punten zorgvuldiger had kunnen zijn. Het College vindt dat ook terug bij ‘Vuistregels dossiervorming’ van het VNG-model ‘Handelingsprotocol voor het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling’. Daarin staat dat de gegevens zo feitelijk mogelijk worden vastgelegd en dat speculaties en interpretaties vermeden worden. Van vertekening van de werkelijkheid is echter geen sprake. Wel had beklaagde in haar verzoek tot onderzoek ten aanzien van de melding meer genuanceerd kunnen zijn. Bronnen zijn vermeld, maar beklaagde had nog explicieter kunnen aangeven wanneer zij citeert en wanneer zij zich baseert op de kennis en kunde van andere
betrokkenen. Ten aanzien van het concept rapport heeft beklaagde vermeld dat klaagster tot het weekend daarop de tijd heeft gekregen om te reageren. Klaagster beweert dat zij slechts één weekend de tijd had commentaar te leveren. Voor het College staat vast dat klaagster het concept verzoek tot onderzoek zeer uitgebreid heeft becommentarieerd. Daaruit maakt het College op dat klaagster voldoende tijd heeft gehad te reageren en kennelijk in haar belangen niet is geschaad. Haar commentaar is ook aan de RvdK gestuurd.

Het College is ten aanzien van de toonzetting in de e-mails van oordeel dat deze niet zozeer respectloos is, als wel wat voorbarig en suggestief. Zij had klaagster dezelfde boodschap op wat meer prudente wijze kunnen presenteren. Het College vindt niet dat beklaagde op buitenproportionele wijze en zonder enige grond diep ingrijpende maatregelen in gang heeft gezet. Vast staat dat er een melding bij Vellig Thuis is binnengekomen. In dat geval is de Meldcode ‘Basismodel Huiselijk Geweld en Kindermishandeling’ van toepassing. De volgende stap is dat er gekeken wordt of er daadwerkelijk sprake is van huiselijk geweld of kindermishandeling. Daarna dient beoordeeld te worden of, en zo ja welke stappen genomen moeten worden. In het Triage-overleg, waar beklaagde niet bij aanwezig was, is besloten dat er reden was voor een verzoek tot onderzoek. Omdat beklaagde klaagster al kende, is besloten om beklaagde toe te voegen aan de zaak. De verantwoordelijkheid voor deze vervolgstap ligt naar het oordeel van het College bij Veilig Thuis en kan beklaagde niet persoonlijk verweten worden.

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot de deels gegronde klachtonderdelen I, III en IV artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode voor de Jeugdprofessional heeft geschonden.

lees verder