Zowel de moeder als de gezinsvoogd gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep oordeelt anders dan het College van Toezicht dat de professional door de zaak aan te nemen, niet is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Zaaknummer: 17.003B
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: beroep deels gegrond: klachtonderdeel IV wordt alsnog ongegrond verklaard.
Maatregel: waarschuwing ingetrokken

Download de volledige beslissing in pdf

De eerste drie klachtonderdelen zijn door het College van Toezicht ongegrond verklaard, welk oordeel in beroep wordt bevestigd.
Het vierde klachtonderdeel houdt in dat de gezinsvoogd tijdens haar vakantieperiode en aansluitend tot aan haar vertrek onvoldoende bereikbaar was en niet heeft gezorgd voor vervanging. Het College van Toezicht verklaarde dit klachtonderdeel gegrond en legde een waarschuwing op. De gezinsvoogd voerde aan dat zij niet de mogelijkheid had om een zaak te weigeren, die zij van haar leiding kreeg opgedragen. Het College van Toezicht kon zich voorstellen dat het voor de jeugdbeschermer als werknemer moeilijk is om zo’n zaak te weigeren, maar de jeugdbeschermer heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid. Het betrof immers een complexe zaak, waardoor de gezinsvoogd de continuïteit van de hulpverlening aan moeder en kinderen niet kon waarborgen. De jeugdbeschermer heeft hierdoor volgens het College van Toezicht niet gehandeld binnen de grenzen van een adequate beroepsuitoefening. Zij had bij het uitdelen van de zaak direct met klem moeten aangeven, dat zij deze zaak niet kon oppakken, gelet op haar resterende korte dienstverband.

Anders dan het College van Toezicht acht het College van Beroep het aannemelijk dat de jeugdbeschermer nog niet had besloten per 1 juli 2016 uit dienst te treden, toen zij de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling op zich nam. Ook is het College van Beroep aannemelijk geworden, dat het niet vanaf het begin duidelijk was dat het om een moeilijke zaak ging. Weliswaar betrof het een voorlopige ondertoezichtstelling, waaruit blijkt dat er met het optreden van de gezinsvoogd niet gewacht kan worden, maar volgens de inschatting van de jeugdbeschermer kwam dit omdat er al langer geen contact was geweest tussen de vader en de kinderen. Op het eerste gezicht vond zij dit dan ook geen moeilijke zaak voor een ervaren jeugdbeschermer als zij was. De jeugdbeschermer heeft verklaard dat haar pas duidelijk werd dat het om een moeilijk dossier ging, na de gesprekken met de moeder en de vader en nadat zij het bericht kreeg dat de moeder geen toestemming gaf om het voorafgaande dossier aan de gecertificeerde instelling te sturen. Het College van Beroep oordeelt dat de jeugdbeschermer door de zaak aan te nemen niet getreden is buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening. Het College acht het incidenteel beroep dan ook gegrond, waardoor van het opleggen van een maatregel geen sprake kan zijn.

lees verder

Klager en gezinsvoogd beide in beroep tegen beslissing College van Toezicht. College van Beroep oordeelt dat het beroep van de gezinsvoogd slaagt en trekt de opgelegde maatregel van waarschuwing in.

Zaaknummer: 17.012B (16.088T)
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: beroep klager faalt, beroep gezinsvoogd slaagt
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is in beroep gegaan tegen de klachtonderdelen die ongegrond zijn verklaard door het College van Toezicht. Hierbij staan (het gebrek aan) ‘sociale waarheidsvinding’ en hoor- en wederhoor centraal alsmede de communicatie tussen partijen. Het College van Beroep stelt vast dat om aan ‘sociale waarheidsvinding’ te kunnen doen, hoor- en wederhoor in ieder geval van essentieel belang is. Tussen partijen is niet in geschil dat er onvoldoende sprake is geweest van hoor- en wederhoor. Naar het oordeel van het College van Beroep komt dit gebrek aan hoor- en wederhoor voor rekening en verantwoording van klager. Uit de stukken en de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat klager en de gezinsvoogd keer op keer zijn verzand in vragen over procedures en protocollen, terwijl het bij klager bekend was dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling hier niet de plek voor was. Hierdoor kon niet toegekomen worden aan het inhoudelijke spreken over (de ontwikkelingsbedreigingen van) de minderjarige.

Het beroepschrift van de gezinsvoogd ziet primair op de klachtonderdelen met betrekking tot de afgifte van het dossier en het al dan niet (aangetekend) versturen van een schriftelijke aanwijzing. Voor het College van Beroep is vast komen te staan dat klager drie maanden heeft gewacht met het voldoen van de kosten die noodzakelijk waren voor het versturen van het dossier. De gezinsvoogd valt derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt te maken voor zover het versturen van het dossier (te) lang heeft geduurd. Tot slot is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de schriftelijke aanwijzing daadwerkelijk is verzonden. Het beroep van de gezinsvoogd slaagt. Het College van Beroep verklaart alle klachtonderdelen (alsnog) ongegrond en ziet derhalve aanleiding de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.

lees verder

Klacht over gezinsvoogd betreffende het zich niet gehoord voelen als moeder. Verwijten zien onder meer op het te snel grijpen naar juridische instrumenten en geen voorafgaand overleg plegen met klaagster, het niet informeren van klaagster en het niet werken aan omgang.

Zaaknummer: 16.159T
Datum beslissing: 26 januari 2018
Oordeel: klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klacht over gezinsvoogd betreffende het zich niet gehoord voelen als moeder. Verwijten zien onder meer op het te snel grijpen naar juridische instrumenten en geen voorafgaand overleg plegen met klaagster, het niet informeren van klaagster en het niet werken aan omgang.

lees verder

Klacht tegen een casushouder met name over de beslissing om de kinderen op het vliegtuig terug naar […] te zetten en de afhandeling daarna van het dossier.

Zaaknummer: 17.047Tb
Datum beslissing: 26 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een casushouder zes klachtonderdelen ingediend. Het College neemt als vaststaand aan dat beklaagde pas is betrokken geraakt nadat de kinderen van klager reeds met het vliegtuig naar hun moeder in [...] vertrokken waren. Klachtonderdelen één, twee, drie en vier zijn door het College ongegrond verklaard nu deze zien op de periode voordat beklaagde betrokken is geraakt. Klachtonderdeel vijf, betreffende haar dossierplicht, blijkt noch uit hetgeen wat ter zitting is besproken of uit feiten en omstandigheden dat zij deze plicht geschonden zou hebben. Tot slot oordeelt het College dat klachtonderdeel zeven ongegrond is. Het verstrekken van informatie over wie waarvoor verantwoordelijk is binnen de instelling en daar voldoende transparant in zijn acht het College een klacht tegen de instelling en raakt beklaagde niet.

lees verder

Klacht tegen een jeugdprofessional over het onzorgvuldig handelen bij het nemen van een beslissing om een zorgmelding te doen bij de GI. Artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en het algemene uitgangspunt van gedeelde besluitvorming uit de richtlijnen Jeugdhulp zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.078T
Datum beslissing: 12 januari 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV ongegrond; klachtonderdeel V gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional die betrokken is geweest in het drangkader één kernklacht ingediend, waaruit vijf concrete klachtonderdelen voortvloeien. De kern van de klacht is dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld bij haar beslissing om een zorgmelding te doen bij de GI. Ten aanzien van klachtonderdeel één, betreffende het niet of te weinig zijn geïnformeerd over de zorgsignalen die beklaagde van derden ontving, vindt het College geen aanknopingspunten die deze stelling kunnen onderbouwen. Ook in het tweede klachtonderdeel volgt het College de stelling van klaagster niet. Beklaagde heeft niet teveel nadruk gelegd op de psychische problemen van klaagster, nu klaagster dit zelf tijdens één van de eerste gesprekken heeft gedeeld met beklaagde. Bij het derde klachtonderdeel oordeelt het College met klaagster dat in het dossier wel alle mogelijke risicofactoren in kaart zijn gebracht, maar dat deze niet zijn vertaald in concrete risico’s en afgezet tegen de beschermende factoren. Het ontbreken van documenten was echter het gevolg van werkafspraken tussen verschillende betrokken instanties en valt beklaagde onder deze omstandigheden niet te verwijten. Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel oordeelt het College dat er sprake is geweest van een visieverschil tussen betrokken partijen. Het niet altijd meewerken van klaagster heeft ervoor gezorgd dat het beklaagde niet verweten kan worden dat er geen passend hulpaanbod is geweest. Tot slot het laatste klachtonderdeel acht het College gegrond. Het College stelt vast dat beklaagde klaagster niet vooraf heeft geïnformeerd over het besluit om het gezin van klaagster aan te melden bij een GI. Hoewel het College de zorgen van beklaagde over de mogelijke reactie van klaagster kan begrijpen, had dit beklaagde er niet van mogen weerhouden klaagster tijdig te informeren en mee te nemen in de besluitvorming. Het College acht het passend en geboden nu artikel G van de Beroepscode en het uitgangspunt gedeelde besluitvorming van de richtlijn Jeugdhulp zijn geschonden om een maatregel van een waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klager en jeugdzorgwerker in beroep tegen beslissing College van Toezicht. College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht buiten zijn bevoegdheid is getreden door zelf klachten te (her)formuleren. Maatregel van waarschuwing ingetrokken.

Zaaknummer: 17.004B (16.052T)
Datum beslissing: 9 januari 2018
Oordeel: principaal beroep gegrond, incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Naar het oordeel van het College van Beroep heeft het College van Toezicht tijdens de procedure in eerste aanleg twee klachtonderdelen gedestilleerd uit de toelichting die klaagster had ingediend, welke niet correspondeerden met de zelf door klager geformuleerde klachten. Op grond van artikel 7.5 van het Tuchtreglement ligt de verantwoordelijkheid om een klacht helder te formuleren bij de klager, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon of gemachtigde. Het College van Toezicht heeft door het herformuleren de jeugdzorgwerker de mogelijkheid ontnomen om zich ten aanzien van de klachtonderdelen op adequate wijze te verweren. Het College van Beroep stelt om die reden de bestreden klachtonderdelen buiten behandeling en komt aan een inhoudelijke beoordeling ervan niet toe. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Klager is – onder andere – in beroep gegaan tegen het klachtonderdeel dat er op ziet dat de jeugdzorgwerker heeft nagelaten na de uithuisplaatsing adequate schoolvoorzieningen te treffen. Het College van Beroep is – anders dan het College van Toezicht – van oordeel dat de jeugdzorgwerker hieromtrent slechts een beperkt tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De jeugdzorgwerker had de gedane (school)aanmelding moeten blijven monitoren. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is naar voren gekomen dat de jeugdzorgwerker – en collega’s – pas actie ondernamen nadat de leerplichtambtenaar was ingeschakeld door klager. Het College van Beroep acht het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen echter beperkt nu de jeugdzorgwerker tijdens de aanmeldprocedure een periode afwezig is geweest en samen met collega’s verantwoordelijk is geweest voor de aanmelding. Het College van Beroep verklaart het klachtonderdeel gegrond wegens schending van artikel N (samenwerking in hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerkers, maar ziet gelet op de beperkte verwijtbaarheid geen aanleiding een maatregel op te leggen.

lees verder