Klacht tegen een jeugdzorgwerker die betrokken is geweest als gezinsvoogd bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klacht gaat over het niet verstrekken van zijn registratienummer, zijn handelen ten tijde van zijn betrokkenheid en tot slot nadat hij niet meer betrokken was één van de kinderen belast zou hebben met volwassen zaken.

Zaaknummer: 18.073T
Datum beslissing: 5 november 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdzorgwerker, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, acht klachtonderdelen ingediend. Klager stelt dat beklaagde weigert zijn registratienummer te verstrekken. Ten tweede heeft beklaagde ten tijde van zijn betrokkenheid geen enkel gesprek met klager gehad en is er ook nooit een Plan van Aanpak gemaakt. Ten derde heeft beklaagde de kinderen onnodig in een ernstige onveiligheid gebracht en niet open gestaan voor de argumenten van klager om deze situatie vooraf te voorkomen. Ten vierde heeft klager nagelaten overtuigend en wettig bewijs te leveren van de belastingen waaraan klager zijn oudste zoon zou hebben blootgesteld. Ten vijfde heeft klager een klachtonderdeel geformuleerd dat voor het College na bevraging onduidelijk is gebleven. Ten zesde heeft beklaagde het gezag van klager niet gerespecteerd door een medische behandeling van de middelste zoon eigenhandig te arrangeren zonder klager hierin te kennen en slechts achteraf te informeren. Ten zevende is klager van mening dat beklaagde de kinderen ernstig heeft belast met volwassen zaken door de reden van zijn vertrek te vertellen. Tot slot heeft beklaagde ondanks dat hij geen gezinsvoogd meer was de kinderen blijven belasten met volwassen zaken en is hij contact blijven zoeken met de kinderen. Beklaagde heeft in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling de klachtonderdelen weerlegt. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Zowel klager als beklaagde gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht, waarin is geconcludeerd dat beklaagde met haar woordkeus het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College van Beroep verklaart in beroep alsnog alle klachten ongegrond.

Zaaknummer: 18.010B (17.123T)
Datum beslissing: 29 oktober 2018
Oordeel: beroep van klaagster ongegrond, beroep van beklaagde gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder (klaagster) van een minderjarige zoon klaagt over een maatschappelijk werkster (beklaagde). De klachten hebben betrekking op het feit dat beklaagde volgens klaagster op verschillende momenten onzorgvuldig is geweest in haar woordkeus, zowel in communicatie naar klaagster als in het verzoek tot onderzoek (VTO) aan de Raad voor de Kinderbescherming. Tevens zou beklaagde geen bronnen hebben genoemd in het VTO.

Beide partijen zijn in beroep gegaan voor wat betreft de klachtonderdelen waar zij door het College van Toezicht in het ongelijk zijn gesteld. Met betrekking tot de bronvermelding oordeelt het College van Beroep, dat deze manier van bronvermelding, waarbij de instanties worden genoemd maar geen namen, gerechtvaardigd kan worden, en stelt dat het een werkwijze kan zijn om in rapporten namen niet expliciet te noemen. Nu het voor het College van Beroep duidelijk is welke informatie van welke instantie komt en waar de informatie op gebaseerd is, heeft beklaagde naar het oordeel van het College van Beroep niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Het College van Toezicht heeft geconcludeerd dat beklaagde, als gevolg van onzorgvuldig gekozen woorden, het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College van Beroep volgt deze conclusie niet en vindt het te ver gaan om te stellen dat beklaagde met haar woordkeus het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College van Beroep kan naar aanleiding van dit klachtonderdeel slechts aan beklaagde meegeven dat zij in het vervolg hier zorgvuldiger in zou kunnen zijn, zodat klaagster wellicht meer begrip op had kunnen brengen voor (de tekst in) het VTO. In de communicatie naar klaagster toe is beklaagde naar het oordeel van het College van Beroep juist duidelijk en gestructureerd geweest, in plaats van voorbarig en suggestief zoals door klaagster werd gesteld. Het College van Beroep ziet hierin een professional die duidelijke grenzen en regels wilde stellen en tegelijkertijd wilde aangeven wat de vervolgstappen zouden (kunnen) zijn.

Het College van Beroep is van oordeel dat beklaagde, met betrekking tot alle klachtonderdelen, heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De klacht wordt alsnog in al haar onderdelen ongegrond verklaard waardoor het College van Beroep aanleiding ziet om de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing, in te trekken.

lees verder

Klacht tegen een ambulant hulpverlener bij een lokaal team over onzorgvuldig handelen ten tijde van haar betrokkenheid in het vrijwillig kader en de melding die zij heeft gedaan bij Veilig Thuis. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.062T
Datum beslissing: 24 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdeel III (deels) ongegrond; klachtonderdelen I, II en III (deels) gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de ambulant hulpverlener die betrokken is geweest in het vrijwillig kader drie klachtonderdelen ingediend. Zij stelt dat beklaagde haar niet vooraf heeft geïnformeerd over de melding bij Veilig Thuis. Ten tweede heeft beklaagde onzorgvuldig gehandeld bij het opstellen van de melding voor Veilig Thuis. Tot slot is klaagster van mening dat beklaagde onzorgvuldig is geweest in haar werkzaamheden als maatschappelijk werker in relatie tot klaagster. Zij licht dit toe met vijf voorbeelden. Het College oordeelt dat klachtonderdelen I, II en III (deels) gegrond zijn. Over klachtonderdeel I is het College van oordeel dat beklaagde op grond van de meldcode de klaagster vooraf moet informeren over haar voornemen om een melding te doen bij Veilig Thuis. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster vooraf is geïnformeerd. Ook als de bijgevoegde e-mail van beklaagde wel zou zijn aangekomen blijkt uit de gekozen bewoording niet dat het gaat om een vooraankondiging. Inzake het tweede klachtonderdeel erkent beklaagde dat zij in de melding bij Veilig Thuis meer informatie heeft opgenomen dat de feitelijk noodzakelijke informatie en onduidelijk is geweest in haar bronvermeldingen. Beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen, maar dat doet voor het College niet af aan het oordeel dat zij onzorgvuldig is geweest in het opstellen van de melding voor Veilig Thuis. Ten aanzien van klachtonderdeel III oordeelt het College dat het onzorgvuldig is geweest om onaangekondigd en onverwachts op huisbezoek te gaan. Beklaagde heeft hierop gereflecteerd dat zij in het vervolg partijen op een neutrale locatie zal uitnodigingen. Hiermee geeft beklaagde achteraf blijk van een juist professioneel handelen. Het maakt echter het oordeel van het College dat beklaagde hier onzorgvuldig heeft gehandeld niet anders. Voor het overige gedeelte van klachtonderdeel III is het College van oordeel dat het gestelde ongegrond is. Beklaagde heeft volgens het College artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) geschonden. In haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling heeft zij gereflecteerd op haar handelen en een aantal gemaakte fouten oprecht erkend. Het College acht dit van belang acht en waardeert dit. Daarom acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het plan van Aanpak is te laat opgesteld terwijl beklaagde de noodzaak hiervan heeft benadrukt en heeft toegezegd dat zij dit zo spoedig mogelijk zou opstellen. Het College acht twee klachtonderdelen gegrond, maar ziet redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.048T
Datum beslissing: 22 oktober 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft vijf klachtonderdelen geformuleerd. Klager verwijt beklaagde bij klachtonderdeel twee en drie dat het plan van Aanpak te laat is opgesteld ondanks dat beklaagde heeft toegezegd dat zij het plan van Aanpak spoedig zou opstellen. De periode tussen de verlenging van de ondertoezichtstelling en het vaststellen van het plan van Aanpak is vier maanden geweest. Deze periode is naar het oordeel van het College te lang. Een plan van Aanpak biedt immers aan betrokkenen handvatten en structuur aan de hulpverlening voor een in tijd afgebakende periode, ook voor beklaagde zelf. Met een dusdanig laat opgesteld plan van Aanpak wordt deze doelstelling niet bereikt en is artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (overeenstemming/instemming over de hulp -en dienstverlening) geschonden.

Voorts heeft beklaagde de noodzaak van een Plan van Aanpak zelf benadrukt en heeft toegezegd dat het plan van Aanpak zo spoedig mogelijk wordt opgesteld. Het College is van oordeel dat van beklaagde als jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij gedane toezeggingen nakomt en dat zij communiceert met klager op het moment dat zij merkt dat zij haar toezeggingen niet waar kan maken. Het vertrouwen in de jeugdzorg is niet bevorderd en artikel D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.

Het College heeft overwogen om beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen maar ziet redenen om hiervan af te zien vanwege de werkomstandigheden waarin beklaagde heeft moeten werken en het feit dat zij haar excuses heeft aangeboden in het verweerschrift. Het College gaat ervan uit dat beklaagde lering heeft getrokken uit deze casus en dat het om eenmalige misslagen gaat. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over de wijze waarop het raadsonderzoek is uitgevoerd en de inhoud van het raadsrapport. Hoewel het rapport op enkele punten beter had gekund, is beklaagde niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Zaaknummer: 18.054T
Datum beslissing: 22 oktober 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat zij de uitbreiding van het raadsonderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel zelf heeft uitgevoerd. Klaagster heeft haar onvrede echter niet aan beklaagde kenbaar gemaakt en beklaagde heeft geen andere signalen ontvangen. Beklaagde heeft in het raadsrapport voldoende onderbouwd waarom de Raad voor de Kinderbescherming het zorgelijk vindt dat klaagster allerlei klachten waarneemt die niet bevestigd of niet gezien worden door medici en andere professionals. De verschillende visies zijn in het raadsrapport beschreven.

In het raadsrapport is een vraag ongelukkig geformuleerd maar dit weegt in de context van het gehele raadsrapport niet zo zwaar dat beklaagde is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening dat haar hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Hoewel het beter was geweest als beklaagde een zin anders formuleerde, heeft beklaagde een vrijblijvend advies met betrekking tot plaatsing van de zoon op  een medisch kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal niet verdraaid naar een verplichte indicatie. Beklaagde heeft verder gemotiveerd toegelicht waarom de Raad voor de Kinderbescherming zich zorgen maakte over de sociaal emotionele ontwikkeling van de zoon.

Voorts heeft het College geoordeeld dat beklaagde terecht uit het door haar gedane onderzoek heeft kunnen concluderen dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang tussen vader en zoon. Beklaagde heeft bepaalde informatie van klaagster met vader gedeeld omdat deze mogelijk een contra indicatie voor de omgang kon zijn. Deze informatie moest door beklaagde worden onderzocht. Beklaagde heeft met klaagster besproken dat zij transparant wil zijn en dat zij in het licht van hoor en wederhoor vader in de gelegenheid heeft gesteld op de informatie te reageren.

lees verder

Klacht tegen een voormalige betrokken gezinsvoogd over haar handelen ten tijde van haar betrokkenheid.

Zaaknummer: 18.014T
Datum beslissing: 12 oktober 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de voormalige gezinsvoogd drie klachtonderdelen ingediend. Klaagster stelt dat beklaagde haar handelen heeft gebaseerd op niet ondertekende en dus niet rechtsgeldige beschikkingen. Ten tweede verwijt zij beklaagde dat zij miskent dat het gerechtshof een bindende uitspraak heeft gedaan over de frequentie van de omgang met haar oudste dochter. Tot slot verwijt klaagster beklaagde dat zij niet is ingegaan op het contact dat klaagster met haar heeft gezocht. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling. Het College oordeelt alles overziend dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder