Klaagster verwijt de jeugdprofessional, werkzaam bij het buurtteam, dat zij in strijd heeft gehandeld met gemaakte afspraken, dat zij onbevoegd en ondeskundig oordeelt en dat zij zich heeft laten gebruiken. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 19.075Ta
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van twee kinderen uit een eerder huwelijk. In 2016 is het gezag van klaagster over de kinderen beëindigd en heeft de GI de voogdij gekregen. In 2017 heeft klaagster een nieuwe relatie gekregen en is zij zwanger geraakt. Klaagster heeft zich zelf aangemeld bij het buurtteam voor ondersteuning tijdens de zwangerschap en vanaf juli 2018 is de jeugdprofessional als gezinscoach betrokken geraakt. Eind augustus 2018 is een zoon geboren, die in september 2018 onder toezicht is gesteld. De voogd van de kinderen is vanaf dat moment de tevens jeugdbeschermer van de zoon geworden. De jeugdprofessional heeft in het kader van de ambulante hulpverlening aan klaagster een eindverslag opgesteld, dat zij op 9 januari 2019 met haar besproken heeft. Een paar dagen later heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een spoedmachtiging uithuisplaatsing verleend voor vier weken. Klaagster heeft vijf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op relevante passages uit klachtonderdeel I.

Ten aanzien van het deel van de klacht van de moeder dat de jeugdprofessional niet alles bespreekbaar heeft gemaakt, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft verklaard, dat zij steeds heeft gemanoeuvreerd tussen het bewaken van de relatie met de moeder en het bespreekbaar maken van wat zij zag. Daardoor heeft zij klaagster niet op ieder moment verteld wat er in haar ogen niet goed ging. De jeugdprofessional heeft benadrukt dat zij hierover regelmatig afstemming heeft gezocht met haar collega’s, en ook met de jeugdbeschermer. Het College kan de jeugdprofessional volgen in haar afwegingen. Dat zij niet op ieder moment volledig transparant heeft gewerkt, betekent in deze context niet dat zij buiten de grenzen van haar beroepsmatig handelen is getreden.

lees verder

Klacht tegen een jeugdprofessional over hoe het hulpverleningstraject is vormgegeven en uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft de moeder op twee onderdelen onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 19.119Ta
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel II is deels gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Een moeder van drie kinderen dient een klacht met vijf onderdelen in tegen een jeugdprofessional van het wijkteam. Zij is in het vrijwillige kader bij het gezin betrokken is geweest. Tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional is de opvoedsituatie gewijzigd, in die zin dat de moeder na een rustperiode van twee weken niet is teruggekeerd in de gezinssituatie (bij de (stief)vader en de kinderen). Sindsdien is er weinig contact tussen de moeder en de kinderen. Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen II en V.

In klachtonderdeel II wordt de jeugdprofessional verweten dat de moeder, als gezaghebbende ouder van de kinderen, niet bij de opvoeding en besluitvorming is betrokken. De moeder heeft hiertoe een groot aantal voorbeelden opgesomd. Het College constateert dat de jeugdprofessional tegen het overgrote deel van de gegeven voorbeelden gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Het College gaat in het oordeel in op de voorbeelden waarbij het tot de taak van de jeugdprofessional moet worden gerekend om de moeder te informeren, te betrekken of haar toestemming te vragen. Het College stelt vast dat de moeder door de jeugdprofessional niet betrokken is bij het besluit om de dagbesteding van de jongste zoon te verruimen. Ook is de thuisbegeleiding ten behoeve van de (stief)vader en de kinderen ingezet, terwijl de moeder hiervoor geen toestemming had gegeven. De jeugdprofessional kon volgens het College niet volstaan met het verkrijgen van impliciete toestemming. Artikel 7.3.4 lid 1 en 2 van de Jeugdwet en artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode acht het College geschonden. Klachtonderdeel II wordt (deels) gegrond verklaard.

In klachtonderdeel V wordt de jeugdprofessional verweten dat zij met haar aanpak het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd heeft. Het College acht dit verwijt verstrekkend en oordeelt dat het op de weg van de moeder ligt om een dergelijk verwijt voldoende met relevante stukken te onderbouwen. Dat heeft de moeder nagelaten. Bovendien is bij het College de indruk ontstaan dat de jeugdprofessional zich heeft ingezet de moeder zo veel mogelijk te betrekken bij en te informeren over de hulpverlening.

Het is het College duidelijk geworden dat door de gewijzigde opvoedsituatie de samenwerking tussen partijen is bemoeilijkt. Dit valt echter niet de jeugdprofessional te verwijten. Voorts heeft het verwijtbaar handelen gedeeltelijk betrekking gehad op één klachtonderdeel. Onder deze omstandigheden ziet het College geen aanleiding een maatregel op te leggen.

lees verder

Deels gegronde klacht tegen een jeugd- en gezinswerker die als tijdelijk waarnemer belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is haar onvoldoende gelukt een constructieve samenwerking aan te gaan met de betrokkenen. De moeder is onder meer niet in de gelegenheid gesteld te reageren op een rapportage die aan de kinderrechter is verzonden.

Zaaknummer: 17.028T
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: klachtonderdelen I (deels), II, III en IV (deels) gegrond; klachtonderdelen I (deels), IV (deels), V, VI en VII ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van twee kinderen dient zeven klachtonderdelen in tegen een jeugd- en gezinswerker die, als tijdelijk waarnemer, belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Deze samenvatting gaat in op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen.

In klachtonderdelen I en II wordt de jeugd- en gezinswerker onder meer verweten dat de moeder ten onrechte niet is betrokken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en dat er geen gelegenheid is geboden om inhoudelijk te reageren op de aan de kinderrechter toegestuurde rapportage. Het College oordeelt dat op grond van artikel G (overeenstemming/instemming) van de Beroepscode een jeugdprofessional de inspanningsverplichting heeft om met de ouder(s) te overleggen en hun mening te vragen rondom het verzoek aan de kinderrechter over het al dan niet verlengen van de ondertoezichtstelling. Tevens heeft een ouder op grond van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode het recht op inzage en correctie van rapportage. Nu de jeugd- en gezinswerker heeft nagelaten de moeder te betrekken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter, en zij de moeder ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de rapportage, heeft zij naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met voornoemde artikelen uit de Beroepscode.

Het College overweegt in klachtonderdeel III dat de jeugd- en gezinswerker door de aangekondigde aanwezigheid van de advocaat van de moeder (als zijnde haar vertrouwenspersoon) een gesprek met de moeder heeft afgezegd. Het College is van oordeel dat ten behoeve van de rechtsbescherming iedereen recht heeft op rechtsbijstand, al dan niet in de vorm van een advocaat. Nu de jeugdprofessional geen bereidheid heeft getoond in overleg met de moeder te treden in aanwezigheid van haar advocaat, acht het College artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode geschonden.
De moeder verwijt de jeugd- en gezinswerker in klachtonderdeel IV dat sprake was van geen tot slechte communicatie. Deze klacht bestaat uit drie onderdelen. Ten aanzien van het eerste onderdeel oordeelt het College als volgt. De jeugd- en gezinswerker had aan de ouders gecommuniceerd dat zij een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden zou verzoeken. Vervolgens is de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden te verzoeken. Een ondertoezichtstelling, als kinderbeschermingsmaatregel, kan voor ouders verstrekkende en/of ingrijpende gevolgen hebben. Het is daarom van belang dat de jeugdprofessional de daadwerkelijke duur die verzocht wordt aan de ouders kenbaar maakt. Dat de moeder niet juist is geïnformeerd over de verzochte termijn, acht het College in strijd met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. De andere twee onderdelen worden ongegrond verklaard.

Het College acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klacht dat de jeugdprofessional onvoldoende rekening houdt met de voorgeschiedenis, de lopende omgangsregeling niet nakomt, de vader niet heeft geïnformeerd, onvoldoende investeert in de verbetering van de werkrelatie en beslissingen neemt zonder met de vader te overleggen.

Zaaknummer: 19.055Ta
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: klachtonderdelen I en II deels gegrond; klachtonderdeel VII gegrond en klachtonderdelen III, IV, V en VI ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van een zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken. De vader en de moeder zijn in 2006 gescheiden en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Bij beschikking van 1 april 2011 is de zoon onder toezicht gesteld. Eind 2013 is de zoon uit huis geplaatst en per oktober 2017 teruggeplaatst bij de moeder. In juni 2017 is de jeugdprofessional (samen met de jeugdprofessional uit zaak 19.055Tb) betrokken geraakt. De vader heeft zeven klachtonderdelen ingediend over de wijze waarop de jeugdprofessional de ondertoezichtstelling heeft uitgevoerd. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I en II (samengevoegd) en VII.

Onder klachtonderdeel I en II wordt de jeugdprofessional verweten dat de vader op 30 oktober 2017 een brief heeft ontvangen, waarin zij excuses aanbiedt dat zij hem niet heeft geïnformeerd dat de zoon niet naar de vader toe wil. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional de zoon hierover op 4 oktober 2017 heeft gesproken. Tijdens dat gesprek bleek reeds dat de zoon niet meer naar de vader wilde. Dergelijke informatie was naar het oordeel van het College, ook omdat de zoon een paar dagen daarvoor volledig bij de moeder was geplaatst, voor de vader relevant. Op die informatie had hij, als gezaghebbend vader, ook recht. Ondanks de excuses die de jeugdprofessional in de brief heeft aangeboden, levert dit niet (tijdig) informeren van de vader een schending op van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel G (Overeenstemming /instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel VII dat hij een brief heeft ontvangen waarin staat dat de GI overweegt de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel en dat de vader twee dagen de tijd krijgt daarop te reageren, waarna hij gedurende twee maanden niets meer van de jeugdprofessional heeft gehoord. Het College overweegt dat de maatregel tot gezagsbeëindiging wordt ervaren als een (zeer) verstrekkende maatregel, en om die reden is het volgens het College noodzakelijk dat het voornemen hiertoe door de jeugdprofessional zorgvuldig gemotiveerd wordt. De jeugdprofessional heeft niet in lijn gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, in die zin dat zij onvoldoende oog heeft gehad voor de rol en de positie van de vader als gezaghebbend ouder. Voorts heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) geschonden, nu zij de vader onvoldoende heeft meegenomen in het traject de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging. 

Terugkerend punt in de klachten van de vader is dat er niets met hem besproken wordt. Het College ziet een moeizame samenwerking, waar de vader een groot aandeel in heeft gehad. Wellicht had het handelen van de jeugdprofessional op bepaalde momenten beter gekund, maar dat wordt niet getoetst door de tuchtrechter. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.

lees verder

Klacht dat de jeugdprofessional op een onjuiste manier contact heeft opgenomen met de zoon, dat hij de vader onvoldoende heeft geïnformeerd en dat hij niet goed heeft gecommuniceerd.

Zaaknummer: 19.055Tb
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond; klachtonderdeel II deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van een zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken. De vader en de moeder zijn in 2006 gescheiden en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Bij beschikking van 1 april 2011 is de zoon onder toezicht gesteld. Eind 2013 is de zoon uit huis geplaatst en per oktober 2017 teruggeplaatst bij de moeder. In juni 2017 is de jeugdprofessional (samen met de jeugdprofessional uit zaak 19.055Ta) betrokken geraakt en in november 2017 is hij na een klacht van de vader door de GI van de casus afgehaald. De vader heeft twee klachtonderdelen ingediend.

Bij klachtonderdeel I verwijt de vader de jeugdprofessional dat hij de zoon op 22 augustus 2017 heeft verteld dat hij met een aantal dagen het kinderhuis zou kunnen verlaten en kon starten op de school in de woonplaats van de moeder. Omdat de jeugdprofessional kennelijk kort daarop tot de ontdekking kwam dat het voornemen tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet was getoetst door de RvdK, is de jeugdprofessional een dag later opnieuw langs gegaan bij de zoon om hem te vertellen dat hij nog enige tijd in het kinderhuis moest blijven. De jeugdprofessional heeft dit ook erkend en meerdere keren zijn excuses aangeboden. Desondanks is het College van oordeel dat deze handelswijze jegens de zoon uiterst onzorgvuldig en onhandig is geweest. De jeugdprofessional had van te voren volledige zekerheid moeten hebben over het te volgen traject. De jeugdprofessional heeft artikel B (Bevorderen deskundigheid) van de Beroepscode geschonden. Het College acht het handelen ook in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg). Hij heeft het vertrouwen van de zoon in de jeugdzorg geschaad.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel II onder andere dat, nadat de jeugdprofessional in november 2017 van de casus is afgehaald, hij niets meer van de hem vernomen heeft. Het College overweegt dat op grond van artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) de jeugdprofessional zelf verantwoordelijk is voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening. Volgens het College is voldoende gebleken dat de vader tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie vernomen heeft dat de jeugdprofessional van de casus zou worden gehaald. Dat de jeugdprofessional daarna geen contact meer heeft gehad met de vader, kan niet gezien worden als een zorgvuldige beëindiging van de professionele relatie. Daaraan doet niet af dat de GI daar volgens de jeugdprofessional op heeft aangestuurd.

Het College ziet een jeugdprofessional die geprobeerd heeft het belang van de zoon voorop te stellen, maar daarbij een onjuist inschatting heeft gemaakt. Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt ook rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional gehandeld heeft. Zo is hij slechts een korte periode betrokken geweest en is het duidelijk geworden dat er sprake is geweest van een moeizame samenwerking tussen de vader en de jeugdprofessional, waar de vader een aandeel in heeft gehad. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.

lees verder

Een klacht tegen een jeugdprofessional over seksueel grensoverschrijdend gedrag richting een minderjarige. Meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden. Het College legt een maatregel van doorhaling op met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven.

Zaaknummer: 19.097Ta
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: gegrond
Maatregel: doorhaling met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven

Download de volledige beslissing in pdf

Een stichting heeft een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional die werkzaam was als gezinshuisouder en als mede franchisenemer aan de stichting was verbonden. De stichting verwijt de jeugdprofessional seksueel grensoverschrijdend gedrag naar een in het gezinshuis woonachtige minderjarige.

Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met het belang van de minderjarige. Zij heeft seksueel grensoverschrijdend gedrag richting de minderjarige vertoond, juist nog nadat dit thema in de supervisie expliciet bij haar aan de orde is gesteld. Door haar handelen heeft zij de minderjarige schade toegebracht.

Artikelen A (jeugdige cliënten tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode zijn geschonden.

Gelet op de ernst van het grensoverschrijdend handelen van de jeugdprofessional zal het College de zwaarste maatregel opleggen. Een doorhaling in het SKJ register met ontzegging van het recht van inschrijving acht het College noodzakelijk om te voorkomen dat andere minderjarigen iets vergelijkbaars overkomt. Daarbij weegt het zwaar mee dat de jeugdprofessional zich niet toetsbaar heeft opgesteld waardoor het College het risico op herhaling niet kan inschatten.

lees verder