Klacht tegen de jeugdprofessional die werkzaam is in het crisisteam. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Het College schetst het uitgangspunt rond verslaglegging.

Zaaknummer: 18.004T
Datum beslissing: 13 juli 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde werkt in het crisisteam en is betrokken geweest bij de minderjarige in het drangkader. Klagers zijn de ouders van de minderjarige en dienen vier klachtonderdelen in. Deze gaan over het door beklaagde ingediende verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming en over de samenwerking met beklaagde. Allereerst is het verwijt dat beklaagde het verzoek niet zorgvuldig heeft opgesteld en belangrijke informatie heeft weggelaten (klachtonderdeel I). Daarnaast heeft zij klagers verzoek tot correctie genegeerd (klachtonderdeel II). Verder verwijten klagers beklaagde dat de communicatie met haar moeizaam is verlopen (klachtonderdeel III) en dat de minderjarige in vijf maanden tijd op vier verschillende plekken is opgenomen (klachtonderdeel IV). Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Deze samenvatting gaat in op het eerste klachtonderdeel: het verwijt dat het verzoek tot onderzoek door beklaagde onzorgvuldig is opgesteld. In de beoordeling schetst het College het uitgangspunt aangaande verslaglegging. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet dient de jeugdhulpverlener een dossier in te richten, indien dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Ook dienen persoonsgegevens op grond van artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld, juist, nauwkeurig en te zake dienend en niet bovenmatig te zijn. Tot slot dienen verslaglegging en dossiervorming te geschieden conform de beroepsstandaard, gelet op de toelichting van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College verwijst ook naar de aanbevelingen uit het rapport “Is de zorg gegrond?” van de Kinderombudsman uit 2013.

Op basis van het door beklaagde opgemaakte verzoek kan het College zich voorstellen dat de inhoud van het verzoek klagers tegen de borst stuit. Maar klagers hebben geen onderbouwende stukken overgelegd waaruit het door hen gestelde blijkt. Zij hebben slechts het verzoek overgelegd en hierin passages gemarkeerd en aantekeningen geschreven. Het College is het met klagers eens dat passages in het verzoek op de door het College genoemde punten beter c.q. neutraler geformuleerd had kunnen worden. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen van de professional beter had gekund. Daarom wordt het handelen van beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht.

Wel heeft het College beklaagde met deze beslissing willen meegeven dat rapportages van jeugdprofessionals langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Middels het oordeel in het eerste klachtonderdeel beoogt het College bij te dragen aan een verdere bewustwording hierover, ook binnen de gehele beroepsgroep.

lees verder

Klacht tegen een raadsonderzoeker die betrokken is geweest bij het onderzoek naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling. Hoewel het handelen van beklaagde beter had gekund, is zij gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Beklaagde heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Zaaknummer: 18.086T
Datum beslissing: 20 februari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen een raadsonderzoeker, die belast is geweest met het raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling, drie klachtonderdelen ingediend. De klacht heeft, kort samengevat, betrekking op de wijze waarop het raadsonderzoek is uitgevoerd. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het College is van oordeel dat het handelen van beklaagde in een aantal gevallen beter had gekund, maar dat zij is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Een tuchtrechtelijk verwijt valt haar echter niet te maken. . Beklaagde had zorgvuldiger kunnen handelen bij het opvragen van informatie bij informanten, maar niet is gebleken dat zij niet over de benodigde informatie beschikte tijdens haar onderzoek. Ook was het transparanter geweest als in het raadsrapport bij de relevante factoren de benaderde informanten vollediger waren beschreven. Tot slot had het begeleidend schrijven aan klaagster bij het definitieve raadsrapport zorgvuldiger en volledig gekund. Hierin had kunnen worden opgenomen dat de aanvulling van vader naar aanleiding van het concept raadsrapport niet van invloed is geweest op het gegeven advies in het definitieve raadsrapport.

lees verder

Zowel vader als gezinsvoogd in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het beroep van de gezinsvoogd slaagt deels, desondanks handhaaft het College van Beroep de opgelegde maatregel van waarschuwing.

Zaaknummer: 18.006Ba (17.049Ta)
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De vader heeft bij het College van Toezicht acht klachtonderdelen ingediend over het handelen van een gezinsvoogd die in het kader van een ondertoezichtstelling bij de ouders en de kinderen, twee minderjarige dochters, betrokken is geweest. Vier van de acht klachtonderdelen zijn deels gegrond en vier klachtonderdelen ongegrond verklaard door het College van Toezicht. Aan de gezinsvoogd is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In beroep falen alle grieven die de vader tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Van de gezinsvoogd slaagt een ingediende grief. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat de gezinsvoogd een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld en daarmee voorbij is gegaan aan een wettelijke bepaling. De gezinsvoogd had een regeling vastgesteld voor de ouders nu deze er onderling niet uitkwamen en de betreffende vakanties bijna begonnen. Het College van Beroep vindt het passen bij de taak die de gezinsvoogd had, in het door de kinderrechter opgelegde kader, om in dergelijke gevallen ‘de knoop door te hakken’ indien blijkt dat ouders er onderling niet uitkomen. Het verdient wel de aanbeveling om dergelijke beslissingen in een schriftelijke aanwijzing vast te leggen, hetgeen de gezinsvoogd tijdens de mondelinge behandeling van het beroep reflecterend op zijn handelen heeft erkend. Het College van Beroep is echter van oordeel dat het hier gaat om handelen dat beter had gekund en dat er ten aanzien van dit klachtonderdeel aldus geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het College van Beroep heeft oog voor de complexe casus met tegenstrijdige belangen waarin de gezinsvoogd heeft moeten handelen. Ondanks dat het College van Beroep een klachtonderdeel alsnog ongegrond heeft verklaard, ziet het geen aanleiding de door het College van Toezicht opgelegde maatregel in te trekken. Er is gebleken dat het handelen van de gezinsvoogd schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening door de gezinsvoogd. De gezinsvoogd heeft daarentegen wel gereflecteerd op zijn handelen en erkend dat zijn handelen ten aanzien van enkele klachtonderdelen achteraf bezien mogelijk beter had gekund. Het College van Beroep is echter van oordeel dat, gelet op het feit dat er drie klachtonderdelen (deels) gegrond zijn verklaard, de gezinsvoogd een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en derhalve het handhaven van de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing passend en geboden is.

lees verder

Het College van Beroep trekt de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing in nu het beroep van de gezinsvoogd deels slaagt en zij daarnaast gereflecteerd heeft op haar handelen en inzicht heeft gegeven in haar afwegingen.

Zaaknummer: 18.006Bb (17.049Tb)
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing ingetrokken

Download de volledige beslissing in pdf

De vader heeft bij het College van Toezicht acht klachtonderdelen ingediend over het handelen van een gezinsvoogd die in het kader van een uitgesproken ondertoezichtstelling bij de ouders en de kinderen, twee minderjarige dochters, betrokken is geweest. Vier van de acht klachtonderdelen zijn deels gegrond en vier klachtonderdelen ongegrond verklaard door het College van Toezicht. Aan de gezinsvoogd is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In beroep falen alle grieven die de vader tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Van de gezinsvoogd slagen twee grieven. Een grief die slaagt is gelijk aan de grief zoals opgenomen in de samenvatting van de beslissing in zaaknummer 18.006Ba. Daarnaast slaagt een grief die ziet op het verstrekken van een afschrift van het dossier aan de vader. De vader heeft op 10 januari 2017 gevraagd om een afschrift van het dossier. De gezinsvoogd is op 1 februari 2017 bij de GI uit dienst getreden. Op dat moment was de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11 lid van het Privacyreglement gecertificeerde instelling nog niet verstreken. Het was van de gezinsvoogd zorgvuldig geweest om indien reeds te voorzien was dat deze termijn niet gehaald zou worden, de vader hierover te informeren, maar het College van Beroep is van oordeel dat het hier handelen betreft dat (mogelijk) beter had gekund maar dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Er kan immers ook niet vastgesteld worden dat de gezinsvoogd reeds op het moment van haar uitdiensttreding kon voorzien dat de termijn niet gehaald zou worden. Na haar uitdiensttreding hadden haar collega’s nog zorg kunnen dragen voor een tijdige afgifte van het dossier of de vader tijdig kunnen informeren dat dit niet mogelijk was. Het College van Beroep is van oordeel dat als een werknemer uit dienst gaat deze erop mag vertrouwen, zeker als er zoals in deze casus nauw wordt samengewerkt met een andere collega, dat dit verzoek verder adequaat wordt behandeld.

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat er, ondanks dat er ten aanzien van twee klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, aanleiding bestaat om de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken. Het College van Beroep heeft daarbij oog voor de complexe casus met tegenstrijdige belangen waarin de gezinsvoogd heeft moeten handelen. De gezinsvoogd heeft gereflecteerd op haar handelen en erkend dat haar handelen ten aanzien van enkele klachtonderdelen mogelijk beter had gekund. Zij heeft het College van Beroep, zoals van een geregistreerde jeugdprofessional mag worden verwacht, tijdens de mondelinge behandeling van het beroep inzicht gegeven in de door haar gemaakte afwegingen. Dit alles in overweging nemende ziet het College van Beroep aanleiding de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.

lees verder

Klacht tegen de gezinsvoogd over onder andere het niet opstellen van een Plan van Aanpak en dat de zoon zonder toestemming van klaagster of via vervangende toestemming van de rechtbank op een zorgboerderij is geplaatst. Het College verklaart klaagster in twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk en verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.115T
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond; klaagster niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen II en VII
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon. Zij heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag. De zoon is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft zeven klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I, II en VII.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat er na de uitspraak van de rechtbank over de verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds geen nieuw Plan van Aanpak ligt. Beklaagde heeft volgens het College onweersproken gesteld dat het bestaande Gezinsplan tussentijds steeds is geactualiseerd en dat alle geactualiseerde versies aan klaagster zijn toegestuurd. Hoewel een Gezinsplan samen met de ouder wordt opgesteld, heeft beklaagde verklaard dat het niet eenvoudig was om met klaagster in gesprek te gaan. Gelet op de taak die op beklaagde rust en in het belang van de zoon, heeft zij er daarom voor gekozen om het Gezinsplan zonder klaagster te actualiseren. Het College kan de handelswijze van beklaagde hierin goed volgen.
In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij herhaaldelijk buiten spel wordt gezet. Zo heeft beklaagde de zoon zonder toestemming van klaagster, dan wel via vervangende toestemming van de rechtbank op de zorgboerderij geplaatst. Het College overweegt dat nu er een machtiging uithuisplaatsing ligt beklaagde, namens de GI als de uitvoerder van deze kinderbeschermingsmaatregel, mocht bepalen dat de zoon geplaatst wordt op de zorgboerderij. Hiervoor is de toestemming van klaagster niet noodzakelijk ook al is zij een ouder met gezag. Wel moet een ouder met gezag geïnformeerd worden. Beklaagde heeft klaagster per e-mailbericht medegedeeld dat er een goede plek voor de zoon is gevonden en daarmee heeft zij aan haar informatieplicht voldaan.

In klachtonderdeel II richt klaagster zich tot de GI en niet tot beklaagde. In klachtonderdeel VII klaagt klaagster over collega’s van beklaagde. Het College is alleen bevoegd het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional/beklaagde aan de algemene tuchtnorm te toetsen. Het College is niet bevoegd om klachten te toetsen die zich richten tegen een instelling. Ook is het College in deze procedure niet bevoegd om klachten te toetsen die gaan over het handelen en nalaten van andere personen. Het College verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk in deze klachtonderdelen.

lees verder

Klaagster is door het College van Toezicht vanwege grievend gedrag niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Anders dan het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht en verwijst de zaak terug naar het College van Toezicht voor een inhoudelijke behandeling van de klacht.

Zaaknummer: 18.008B (17.121T)
Datum beslissing: 23 januari 2019
Oordeel: beroep gegrond
Maatregel: niet van toepassing

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht heeft appellante, klaagster in eerste aanleg, wegens grievend gedrag niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Appellante heeft tegen deze beslissing beroep ingediend. Aan het College van Beroep ligt de vraag voor of appellante ontvankelijk is in haar klacht.

Appellante stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat een handelswijze van een klager nooit mag leiden tot het ondermijnen van een tuchtrechtelijke plicht van een bij SKJ geregistreerde professional om zich voor zijn professioneel handelen te verantwoorden. Verweerder doet in zijn verweer een beroep op een beslissing van het College van Beroep waarin is overwogen dat de tuchtcolleges van SKJ uit het oogpunt van eenheid in rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de overheidsrechtspraak, bijvoorbeeld de civiele rechtspraak over bewijsregels. Verweerder stelt dat er sprake is van rechtsverwerking; appellante heeft zich op dusdanige wijze gedragen dat dit gedrag in alle redelijkheid niet verenigbaar is met het beoogde recht wat zij wenst te behalen. Het College van Beroep stelt vast dat het tuchtrecht een zelfstandig rechtsgebied is. In voorkomende gevallen kan er aansluiting worden gezocht bij het civiele recht. De hier geldende rechtsopvattingen zijn echter niet zonder meer van toepassing in het tuchtrecht. In deze specifieke casus ziet het College van Beroep geen aanleiding om rechtsverwerking toe te passen. Een klager niet-ontvankelijk verklaren in de klacht kan in beginsel niet bijdragen aan het doel van het tuchtrecht en dient daarom zoveel mogelijk te worden vermeden. Het niet-ontvankelijk verklaren, al dan niet wegens grievend gedrag, kan enkel indien het tuchtreglement daar een formele mogelijkheid voor biedt en dit overeenkomstig het doel van het tuchtrecht zou zijn. Het College van Beroep ziet geen juridische gronden om tot niet-ontvankelijkheid te kunnen concluderen.

Het College van Beroep merkt wel nog op dat het geenszins begrip kan opbrengen voor de uitlatingen van appellante en vindt deze onacceptabel. Het College van Beroep heeft daarnaast oog voor de impact die dergelijke gedragingen hebben op de jeugdprofessional en het (mogelijke) onbegrip om zich in een dergelijk geval tuchtrechtelijk te moeten verantwoorden, maar komt in deze casus toch tot een terug verwijzing naar het College van Toezicht om alsnog deze zaak inhoudelijk te behandelen.

lees verder