De gezinsvoogd had over moeten gaan tot herbezinning over de omgangsregeling, en niet van een vooronderstelling moeten uitgaan. Daarmee heeft zij onvoldoende oog gehad voor de belangen van de kinderen van klaagster. Het College legt de maatregel waarschuwing op.

Zaaknummer: 16.120Tb
Datum beslissing: 18 mei 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van drie kinderen, geboren in 2003, 2005 en 2007. De ouders zijn sinds 2014 gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. Op 8 januari 2014 is een ondertoezichtstelling uitgesproken en sindsdien telkens verlengd. Beklaagde is sinds half april 2015 als gezinsvoogd belast met de uitvoering daarvan. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij moeder en ze gaan iedere twee weken op zaterdag naar vader. In januari 2015 is de omgang uitgebreid naar iedere zaterdag en woensdagmiddag. In november 2015 heeft de rechter bepaald dat de omgang van de twee dochters  op woensdagmiddag bij de GI moet plaatsvinden. In januari 2016 is door de GI aan moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin staat dat zij moet meewerken aan de uitvoering van een systeemonderzoek. In september 2016 wordt bepaald dat de omgang met vader op woensdagmiddag weer onbegeleid mag plaatsvinden. De klachtencommissie van de GI heeft een deel van de klachten van klaagster tegen beklaagde gegrond verklaard.

Klacht

Er is geen sprake geweest van herbezinning over de bestaande omgangsregeling. Er is onvoldoende gedaan aan waarheidsvinding. Er is onzorgvuldig gehandeld door het oordeel van de klachtencommissie niet mee te wegen bij het advies over de omgangsregeling. De GI heeft ten onrechte de positie ingenomen dat voldoende aan het oordeel van de klachtencommissie tegemoet is gekomen door werkprocessen aan te passen. Klaagster heeft geen uitnodiging ontvangen voor een afsluitend gesprek over de klachten en de kinderen zijn niet serieus genomen. Hen is beloofd dat ze op de hoogte gehouden zouden worden van wat er ter zitting is besproken. Dat is niet gebeurd.

Beslissing

Beklaagde had over moeten gaan tot herbezinning. De onderbouwing van haar stelling dat niet getornd kon worden aan de omgangsregeling (wekelijk op woensdagmiddag en tweewekelijks op zaterdag) is gelegen in het feit dat beklaagde, samen met haar collega, in de vooronderstelling verkeerde dat, indien de woensdagmiddag aangetast zou worden, hierna de zaterdag zou kunnen volgen. Deze visie is onvoldoende om vast te houden aan de bestaande omgangsregeling. Dit klemt te meer omdat geen van de partijen zich negatief heeft uitgelaten over de omgang op zaterdag. Dat ook de Raad en de rechtbank zich hierachter schaarden, doet hier niet aan af. Wat klaagster heeft gezegd over de opstelling van de GI raakt beklaagde niet. Het College heeft geconstateerd dat beklaagde heeft erkend dat zij haar toezegging aan de kinderen verslag te doen van de uitkomst van een zitting van de rechtbank niet is nagekomen. Ter zitting heeft zij aangegeven dit te betreuren.

Beklaagde heeft in strijd gehandeld met de beroepscode. Echter beklaagde heeft moeite gedaan de omgangsregeling passend te krijgen en daartoe wel alternatieven bekeken en getracht te achterhalen waarom er weerstand was tegen omgang op woensdagmiddag. Voorts heeft zij zich ter zitting reflectief getoond door aan te geven te betreuren dat zij haar toezegging aan de kinderen niet is nagelkomen.  De klachtonderdelen zijn deels gegrond en deels ongegrond. Voor wat betreft het gegronde deel legt het College de maatregel waarschuwing op.