Klacht over een pleegzorgwerker. Er is onvoldoende met klagers afgestemd over de zienswijze met betrekking tot terugplaatsing van de minderjarigen en daarmee is het vertrouwen in de jeugdzorg geschonden. Bovendien was de aard van de rapportage onduidelijk. Beklaagde heeft duidelijk blijk gegeven van inzicht en reflecterend vermogen en daarom acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Zaaknummer: 17.053Ta
Datum beslissing: 21 december 2017
Oordeel: klachtonderdeel I gedeeltelijk gegrond, klachtonderdelen II en IV ongegrond, klagers niet-ontvankelijk in het eerste deel van klacht III, en het tweede deel van de klacht ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben over de pleegzorgwerker vier klachtonderdelen ingediend. De pleegzorgwerker doet uitspraken over klagers en de minderjarige, terwijl zij niet inzichtelijk maakt hoe zij aan deze informatie is gekomen. Nimmer is zij met de klagers in gesprek gegaan. Een rapport (zienswijze) moet controleerbaar zijn. Voorts heeft beklaagde, zonder overleg met de gedragswetenschapper en jeugdbeschermer, met een van de minderjarigen een brief geschreven aan de rechtbank, waarin zijn mening over terugplaatsing staat beschreven. Beklaagde heeft niet ingegrepen toen er vanaf juni 2013 aanwijzingen waren voor kindermishandeling en tot slot heeft beklaagde opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven in het verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling.

Niet is komen vast te staan dat in de zienswijze door beklaagde onjuiste informatie is opgenomen. Het beeld van beklaagde staat haaks op dat van de jeugdbeschermer, maar dat heeft te maken met de context van waaruit de casus beroepsmatig is beschouwd. Beklaagde heeft de zienswijze terecht weergegeven vanuit de minderjarigen en de pleegouders, waar zij contact mee had. Het College is wel van oordeel dat beklaagde met de manier waarop zij de zienswijze heeft opgesteld onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Doordat onder de zienswijze alleen de naam van beklaagde en de gedragswetenschapper en de datum stond, was onvoldoende duidelijk wat de aard van de rapportage was. Tot slot betreurt het College dat beklaagde klagers door tijdgebrek niet heeft geïnformeerd over haar oordeel over terugplaatsing van de minderjarigen in deze zienswijze, terwijl klagers het wettelijk gezag over de minderjarigen hebben. Ten aanzien van de brief overweegt het College dat het zorgvuldiger was geweest als beklaagde de jeugdbeschermer, die in dit proces de regievoerder is, had geïnformeerd over het verzoek van de rechter en de bewuste brief. Zij heeft echter na overleg met de gedragswetenschapper besloten om als meest vertrouwde persoon voor de minderjarige naast hem te zitten. Daarmee heeft beklaagde de minderjarige juist ook tot zijn recht laten komen. Het College vindt dat dit zwaarder weegt dan het gegeven dat zij de jeugdbeschermer niet heeft geïnformeerd. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel over kindermishandeling verklaart het College klagers niet-ontvankelijk. De –vermeende- handelswijze waarop de klacht zich richt, heeft zich afgespeeld in een periode dat beklaagde nog niet geregistreerd was. Voorts hebben klagers aangegeven dat beklaagde zich niet in verbinding heeft gesteld met de behandelaars van een van de minderjarigen. Het was niet aan beklaagde om zelfstandig contact op te nemen met andere hulpverleners. Beklaagde is pleegzorgwerker en is in die hoedanigheid belast met de contacten met de pleegouders en de minderjarigen. Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel heeft het College vastgesteld dat beklaagde onweersproken heeft verklaard dat zij het verlengingsverzoek voor de ondertoezichtstelling niet heeft geschreven, omdat zij op dat moment met zwangerschapsverlof was.

lees verder

Klacht over een gedragswetenschapper bij een pleegzorginstelling. Het gaat om de handelswijze ten aanzien van klagers en de minderjarigen. Een groot deel van de –vermeende- handelswijze heeft zich afgespeeld voordat beklaagde geregistreerd was.

Zaaknummer: 17.053Tb
Datum beslissing: 21 december 2017
Oordeel: klagers niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen I, III en IV; klachtonderdeel II ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben over de gedragswetenschapper vier klachtonderdelen ingediend. De gedragswetenschapper doet uitspraken over klagers en de minderjarigen, terwijl zij niet inzichtelijk maakt hoe zij aan deze informatie is gekomen. Nimmer is zij met de klagers in gesprek gegaan. Een rapport (zienswijze) moet controleerbaar zijn; niet duidelijk is welk deel van haar hand is. Voorts heeft beklaagde laten gebeuren dat de pleegzorgwerker met een van de minderjarigen een brief heeft geschreven aan de rechtbank, waarin zijn mening over terugplaatsing staat beschreven. Beklaagde heeft niet ingegrepen toen er vanaf juni 2013 aanwijzingen waren voor kindermishandeling. Volgens de beroepscode van het NIP en de NVO mogen gedragswetenschappers geen onderzoek doen zonder toestemming van de ouders. Deze toestemming is nooit gevraagd.

Het College stelt vast dat de – vermeende- handelswijze waarop het eerste, derde en vierde klachtonderdeel zich richten, zich hebben afgespeeld in de periode vóórdat beklaagde was geregistreerd als gedragswetenschapper bij SKJ. Op 1 september 2016 heeft beklaagde op verzoek van de GI, samen met de pleegzorgwerker, de zienswijze opgesteld en afgerond over de terugplaatsing van de minderjarigen. Op dat moment was beklaagde (nog) niet als gedragswetenschapper in het register ingeschreven en is het College derhalve niet bevoegd een oordeel uit te spreken; klagers zijn niet-ontvankelijk in deze klachtonderdelen. Ten aanzien van de brief overweegt het College dat het zorgvuldiger was geweest als beklaagde de pleegzorgwerker erop had geattendeerd de jeugdbeschermer, die in dit proces en gezien het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling, de regievoerder is, te informeren en af te stemmen over de bewuste brief. De beklaagde is als gedragsdeskundige medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van haar team (artikel 31 Beroepscode NIP) en draagt verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van haar medewerkers (artikel 32 Beroepscode NIP). Onder team en medewerker valt de pleegzorgwerker. Zij heeft echter na overleg met de pleegzorgwerker besloten dat de pleegzorgwerker als meest vertrouwde persoon voor de minderjarige naast hem kon zitten. Daarmee heeft beklaagde de minderjarige juist ook tot zijn recht laten komen. Het College vindt dat dit zwaarder weegt.

lees verder

Klacht tegen ambulant gezinsbehandelaar over onzorgvuldig handelen bij het tekenen van het nieuw opgestelde verkorte behandelplan. Artikel F (Informatie over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.083T
Datum beslissing: 18 december 2017
Oordeel: klacht gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest als ambulant gezinsbehandelaar, een klacht ingediend. Klager verwijt beklaagde dat hij heeft geprobeerd hem een handtekening te laten zetten onder het behandelplan dat klager tot driemaal toe geweigerd had te tekenen. Beklaagde erkent dat er sprake is geweest van een slordigheid, maar hij heeft klager nooit willen misleiden. Beklaagde heeft per ongeluk het handtekeningenblad van het oude behandelplan bij het nieuw opgestelde verkorte behandelplan gebruikt. Door het tekenen van dit handtekeningenblad zou beklaagde echter niet hebben getekend voor het oude behandelplan. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde niet zorgvuldig gehandeld, hetgeen hij ook erkent. De klacht is gegrond. Ingevolge artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) had het op de weg van beklaagde gelegen om klager duidelijk te informeren over het document waaronder hij zijn handtekening zou zetten, zodat het voor klager duidelijk was wat de strekking zou zijn van het zetten van die handtekening.
Het College ziet af van oplegging van een maatregel, omdat het slechts gaat om eenmalig onzorgvuldig handelen, beklaagde zich direct heeft teruggetrokken als behandelaar en gereflecteerd heeft op zijn handelen.

lees verder

Klacht tegen maatschappelijk werkster met name over de verslaglegging betreffende de hulpverlening die zij verleend heeft aan de moeder. Artikel D (vertrouwen), M (verslaglegging), O (samenwerking) en S (toetsing) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.038T
Datum beslissing: 18 december 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, III en IV, tweede deel, ongegrond; klachtonderdelen IV, eerste deel, V en VI gegrond; klager in klachtonderdeel II niet-ontvankelijk
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager (de vader van de kinderen) heeft tegen de jeugdprofessional, die ambulante hulpverlening aan de moeder van de kinderen heeft verleend, zes klachtonderdelen ingediend. Uit de stukken leidt het College af dat de hulpverlening van beklaagde kan worden aangemerkt als hulpverlening die geboden is aan de moeder van de kinderen in de context van het gezinssysteem waarvan zij deel uitmaakt. Om die reden is het College allereerst van oordeel dat de hulpverlening (onder meer) betrekking heeft gehad op het jeugddomein. Met betrekking tot de verleende hulpverlening aan de moeder heeft beklaagde, op verzoek van de moeder, een verslag geschreven. Klager heeft onder meer zijn ongenoegen geuit over de gekozen formuleringen in het verslag. Klachtonderdeel IV, eerste deel, betreffende (de formuleringen in) het verslag, wordt gegrond verklaard. Het wordt beklaagde aangerekend dat zij gepoogd heeft een verslag op te stellen, wat in meerdere opzichten niet voldoet aan de eisen waar een verslag aan zou moeten voldoen. Ook zijn sommige formuleringen in het verslag onzorgvuldig gekozen (schending artikel D, vertrouwen in de jeugdzorg, en M, verslaglegging/dossiervorming, van de beroepscode). Ook klachtonderdelen V en VI worden gegrond verklaard. Beklaagde heeft onvoldoende de consequenties van het gezinssysteem overzien, zij had tenminste de mogelijkheid in overweging moeten nemen om het schrijven in een (multidisciplinair) overleg in te brengen, om zodoende haar formuleringen alsook de consequenties voor het gezin met een (of meerdere) collega(’s) te bespreken (schending artikel O, beroepsuitoefening en samenwerking, en artikel S, collegiale toetsing en beroepsethische reflectie, van de beroepscode). Tot slot had beklaagde zich kunnen en ook moeten bedenken dat zij met het opstellen van het schrijven het vertrouwen van klager in de jeugdzorg zou schaden (schending artikel D, vertrouwen in de jeugdzorg).
Het College ziet aanleiding om te volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde omdat het verwijtbare handelen slechts betrekking heeft gehad op beperkt handelen, namelijk één opgesteld document.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en de bejegening richting klaagster. Artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.084T
Datum beslissing: 18 december 2017
Oordeel: klachtonderdelen I tot en met VI ongegrond; klachtonderdeel VII gegrond
Maatregel: is afgezien van oplegging van een maatregel

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster (moeder van de minderjarige) heeft tegen de jeugdprofessional, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zeven klachtonderdelen ingediend. De dochter van klaagster is tevens uithuisgeplaatst. Klaagster verwijt beklaagde het volgende: er wordt niet of nauwelijks op tijd gereageerd op berichten van klaagster, de dochter wordt in het ongewisse gelaten over de omgang met klaagster, bepaalde stellingname in rapportages wordt niet onderbouwd, klaagster wordt onterecht verweten dat zij een hulpverleningstraject heeft stopgezet, er wordt een verkeerde oorzaak van de positieve urinewaarden van klaagster benoemd en er is vertrouwelijke informatie van de dochter gedeeld met de ex-partner van klaagster (niet zijnde de vader van de dochter). Dit laatste klachtonderdeel wordt gegrond verklaard. Beklaagde heeft niet betwist dat zij contact opgenomen heeft met zowel de ex-partner alsook met zijn advocaat. Hetgeen besproken is, kan het College echter niet vaststellen nu partijen daarover van mening verschillen. Ondanks dat niet kan worden vastgesteld wat besproken is, is het College van oordeel dat het op de weg van beklaagde had gelegen toestemming te vragen aan klaagster, dan wel klaagster in te lichten, alvorens zij contact op zou nemen met voornoemde personen om zaken in relatie tot de dochter te bespreken (artikel J, vertrouwelijkheid, van de Beroepscode geschonden). Nu dit voorafgaand aan het contact niet gebeurd is, had beklaagde volgens het College klaagster nadien moeten informeren, schriftelijk of anderszins. Ook dit heeft beklaagde nagelaten.
Het College ziet af van oplegging van een maatregel, omdat de schending van de Beroepscode slechts ziet op beperkt handelen, waarvan het College voorts onvoldoende kan vaststellen wat in de contactmomenten is besproken. Tot slot heeft beklaagde ter zitting gereflecteerd op haar handelen.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over ongewenste intimiteiten en het op onprofessionele wijze handelen naar aanleiding van een klacht bij de instelling.

Zaaknummer: 17.079T
Datum beslissing: 14 december 2017
Oordeel: deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat hij avances heeft gemaakt en klaagster meerdere malen heeft betast.
Het is het College niet gebleken dat beklaagde avances heeft gemaakt of klaagster, anders dan het leggen van een hand op de schouder, heeft betast. Naar het oordeel van het College is het leggen van een hand op de schouder niet grensoverschrijdend. Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde met de vader contact heeft gehad over de door klaagster ingediende klacht tegen beklaagde bij de instelling, heeft het College overwogen dat beklaagde genoegzaam naar voren heeft gebracht dat hij slechts heeft medegedeeld aan vader dat hij van het dossier is afgehaald in verband met de klacht. Beklaagde is hiermee niet buiten de grenzen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend jeugdzorgwerker getreden. Voor zover de klacht erop ziet dat beklaagde door de instelling is ingelicht over de klacht van klaagster en de instelling geen mogelijkheid heeft geboden om een één-op-één gesprek te voeren met de regiomanager van de instelling, heeft het College klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Deze klacht heeft geen betrekking op het professioneel handelen van beklaagde.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het verkeerd informeren van klager over haar inzet omtrent de wijziging van het gezag, het onvoldoende aandacht geven aan de dochter tijdens de uithuisplaatsing van de zoon en het onvoldoende informeren van klager over de thuisplaatsing van de zoon bij moeder.

Zaaknummer: 16.152Tb
Datum beslissing: 7 december 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II en III (deels) ongegrond; klachtonderdeel III (deels) niet-ontvankelijk.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer, die betrokken is geweest in het drangkader, drie klachtonderdelen ingediend. Gelijktijdig heeft klager tegen een collega van beklaagde een klacht ingediend. Klager vindt dat beklaagde hem verkeerd heeft geïnformeerd over haar inzet omtrent de wijziging van het gezag van moeder naar klager, onvoldoende aandacht heeft gegeven aan zijn dochter tijdens de uithuisplaatsing van de zoon en klager onvoldoende is geïnformeerd over de thuisplaatsing van zijn zoon bij moeder. Beklaagde betwist alle drie de klachtonderdelen. Het College heeft alle drie de klachtonderdelen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het College is voldoende komen vast te staan dat het niet tot de mogelijkheden van beklaagde behoorde om voor klager het eenhoofdige gezag over de dochter aan te vragen. Verder heeft klager niets aangevoerd waaruit hij zou kunnen afleiden dat beklaagde zich zou inzetten voor de gezagswijziging. Tot slot is uit de geschetste gang van zaken door beklaagde voor klachtonderdeel twee en drie, over de uithuisplaatsing bij klager en de thuisplaatsing van de zoon bij moeder, gebleken dat beklaagde zorgvuldig te werk is gegaan. Voorts is gebleken dat zij alle nodige instanties heeft betrokken bij het te nemen besluit van klachtonderdeel drie en dat de beslissing om klager vooraf niet te informeren niet bij beklaagde lag.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet aan waarheidsvinding doen, het niet neutraal zijn in haar rapportages en sinds haar betrokkenheid zich onvoldoende op de hoogte te hebben gesteld van het dossier.

Zaaknummer: 16.152Ta
Datum beslissing: 7 december 2017
Oordeel: klachtonderdelen I en II ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer, die betrokken is geweest in het drangkader, twee klachtonderdelen ingediend. Gelijktijdig heeft klager tegen een collega van beklaagde een klacht ingediend. Klager stelt in het eerste deel van de klacht dat beklaagde onvoldoende aan waarheidsvinding heeft gedaan en zij niet neutraal is geweest in haar rapportages. In klachtonderdeel II stelt klager dat beklaagde onvoldoende op de hoogte was van het dossier. Beklaagde betwist beide klachtonderdelen. Het College heeft beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van de rapportages en het opsturen van de rapportages naar de Raad. Het College is van oordeel dat de klacht over partijdigheid bij de aanvullingen en weglatingen in het dossier, onvoldoende is onderbouwd. Over het tweede klachtonderdeel oordeelt het College dat beklaagde de stellige indruk heeft gewekt zorgvuldig te werk te zijn gegaan en zich juist kwetsbaar heeft opgesteld richting klager. Uit de stappen zoals beklaagde heeft geschetst is niet gebleken dat beklaagde onvoldoende op de hoogte is geweest van het dossier en is gebleken dat zij klager de ruimte heeft willen geven om zijn kant van het verhaal te doen.

lees verder

Klacht over een jeugdbeschermer, die het familiegroepsplan heeft vertraagd waardoor de minderjarigen niet zijn teruggeplaatst en die er niet voor heeft gezorgd dat hulpverlening tot stand kwam. Voorts is er een zorgmelding gedaan zonder dat klaagster hier vooraf over is geïnformeerd.

Zaaknummer: 17.060T
Datum beslissing: 7 december 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de jeugdbeschermer drie klachtonderdelen ingediend. In het eerste klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat zij nieuwe voorwaarden heeft gesteld waardoor het familiegroepsplan nooit van de grond is gekomen. Ten tweede verwijt klaagster beklaagde dat er geen hulpverlening op gang is gekomen en dat de GI in augustus 2016 heeft besloten de minderjarigen niet terug te plaatsen bij klaagster. Dit staat haaks op de observaties van de betrokken hulpverleners, die stellen dat klaagster over voldoende pedagogische vaardigheden beschikt. In april 2017 heeft vader verzocht om wijziging hoofdverblijfplaats en eenhoofdig gezag. Dit vloeide volgens klaagster ook voort uit het besluit van de GI omtrent het perspectief van de minderjarigen. Ten derde klaagt klaagster erover dat zij in maart 2017 een brief heeft ontvangen van Veilig Thuis over een zorgmelding, gedaan door de huisarts. Van de huisarts heeft klaagster gehoord dat vader samen met beklaagde een afspraak heeft gemaakt om hun zorgen te uiten over de minderjarigen. De zorgen in de melding lijken gebaseerd op aannames.

1) Het College stelt ten aanzien van het eerste klachtonderdeel vast dat in het familiegroepsplan de omgang tussen klaagster en de minderjarigen besproken stond, en een eventuele terugplaatsing van de minderjarigen bij klaagster. In april, vlak na haar aantreden als gezinsvoogd, heeft beklaagde klaagster geïnformeerd dat de beslissing tot het nemen van een opvoedbesluit werd uitgesteld, omdat er op dat moment nog geen zicht was op de mogelijkheid van onbegeleide omgang met de minderjarigen en nog niet alle mogelijkheden tot verbetering/hulpverlening voor klaagster waren ingezet. Het College stelt voorts vast dat beklaagde in een brief van 8 juni 2016 aan klaagster de eerdere voorwaarden, gesteld aan het familiegroepsplan nog een keer heeft benoemd, en alleen de voorwaarden die betrekking hadden op de omgang verder heeft uitgewerkt. In het belang van de minderjarigen is de route aangepast, maar het is naar het oordeel van het College geenszins de intentie van beklaagde is geweest het familiegroepsplan op de achtergrond te laten raken. 2) Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel blijkt uit de bijgevoegde contactjournaals dat er wel hulpverlening op gang is gebracht door beklaagde. Beklaagde heeft een en ander zorgvuldig besproken in de methodische casuïstiek bespreking en zij is goed overwogen tot haar aandeel in het besluit gekomen. Vast staat voorts dat vader een kleine maand voor het opvoedbesluit werd genomen, heeft aangegeven wijziging verblijfplaats te gaan verzoeken. Dit heeft volgens het College daarom niet kunnen voortvloeien uit het besluit omtrent het perspectief van de minderjarigen.
3) Tot slot is uit de overgelegde contactjournaals gebleken dat een van de minderjarigen met haar stiefmoeder naar de huisarts is geweest. Dat bezoek is voor de huisarts aanleiding geweest een zorgmelding te doen. Beklaagde is daar niet verantwoordelijk voor. De huisarts had klaagster moeten informeren, aldus het College bij het derde klachtonderdeel. Het handelen van beklaagde is geen schending van de voor haar geldende professionele standaard. Er volgt geen maatregel.

lees verder

Gezinsvoogd gaat in beroep tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep verklaart het beroep gegrond nu het College van Toezicht de oorspronkelijke klacht op eigen initiatief heeft uitgebreid waardoor het buiten zijn bevoegdheid is getreden. De maatregel van berisping vervalt.

Zaaknummer: 17.008B-2 (16.037T)
Datum beslissing: 5 december 2017
Oordeel: beroep gegrond, alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht heeft in deze zaak een klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond verklaard en op basis daarvan een berisping opgelegd. Het klachtonderdeel luidde oorspronkelijk “[gezinsvoogd] is bereid kinderen uit huis te plaatsen, terwijl dit niet nodig is.” Het College van Toezicht heeft zich bij de beoordeling van deze klacht uitgelaten over de wijze waarop de gezinsvoogd de uithuisplaatsing heeft uitgevoerd. Dit klachtonderdeel is door het College van Toezicht geformuleerd en gegrond verklaard op basis van antwoorden die de gezinsvoogd ter zitting heeft gegeven en was geen onderdeel van de oorspronkelijke klacht.
Het College van Beroep is van oordeel dat de oorspronkelijke klacht door het College van Toezicht op eigen initiatief is uitgebreid, waardoor het College van Toezicht buiten zijn bevoegdheid is getreden. Het College van Beroep is bij de beoordeling gebleven binnen de grenzen van de oorspronkelijk ingediende klacht. Dit brengt met zich mee dat het door het College van Toezicht aangevulde gedeelte van het klachtonderdeel bij de beslissing in beroep buiten beschouwing wordt gelaten.
Om die reden worden in beroep alsnog alle klachtonderdelen ongegrond verklaard en vervalt de maatregel van berisping.
Het College van Beroep laat zich in een bepaling ten overvloede nog uit over de wijze waarop de uithuisplaatsing is uitgevoerd en acht deze in een aantal opzichten niet voldoende adequaat. Nu dit geen onderdeel was van de oorspronkelijke klacht, kan de opvatting van het College van Beroep hierin niet worden meegewogen in de beslissing.

lees verder

Het beroepschrift van klager, waarin hij stelt dat beklaagde partijdig is geweest, wordt door het College van Beroep deels gegrond verklaard. De maatregel van waarschuwing blijft staan, mede vanwege de negatieve opstelling van klager ten opzichte van de hulpverlening en de reflectie van beklaagde op zijn handelen.

Zaaknummer: 17.006B (16.029Tb)
Datum beslissing: 5 december 2017
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht heeft één klachtonderdeel gegrond verklaard en op grond daarvan een waarschuwing opgelegd. Vader, klager in eerste aanleg, is in beroep gegaan tegen de twee ongegrond verklaarde klachtonderdelen.

Het eerste ongegrond verklaarde klachtonderdeel had betrekking op de voorlichting van de Rechtbank door de beklaagde jeugdzorgwerker. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in de beoordeling van dit klachtonderdeel, waardoor de grief faalt. In het andere ongegrond verklaarde klachtonderdeel stelt klager de partijdigheid van beklaagde aan de orde. Anders dan het College van Toezicht, oordeelt het College van Beroep dat beklaagde met zijn handelen een partijdige indruk heeft gemaakt. Dit komt naar het oordeel van het College van Beroep tot uiting in hetgeen rond een intake bij een instelling heeft plaatsgevonden. Het College van Beroep neemt aan dat beklaagde, bij het voorbereiden van de intake bij de instelling, de bedoeling heeft gehad om in het belang van de kinderen te voorkomen, dat deze na jaren voor het eerst geconfronteerd zouden worden met klager. Beklaagde heeft echter wel de moeder maar niet klager geïnformeerd over deze visie. Daardoor kon bij klager de indruk ontstaan dat door toepassing van wat beklaagde zelf noemt een “juridisch trucje”, klager buiten spel werd gezet. Hierdoor kon bij klager, die voor zijn gevoel al jaren buiten spel stond, de indruk ontstaan, dat sprake was van partijdigheid van beklaagde.

Het College van Beroep zal, ondanks het feit dat klachtonderdeel III door het College van Beroep deels gegrond wordt verklaard, geen zwaardere maatregel uitspreken dan de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing. Het College van Beroep neemt daarbij in overweging, dat klager zich buitengewoon scherp en negatief kritisch heeft uitgedrukt in relatie tot beklaagde en de hulpverlening in het algemeen. Tegenover deze kritiek heeft beklaagde zich bij tijd en wijle nogal vierkant opgesteld en met zijn directe aanpak en woordkeuze bij klager op veel weerstand kunnen stuiten. Aangezien beklaagde uitdrukkelijk heeft erkend, dat hij zich in dit opzicht wil verbeteren, zal het College van Beroep het bij de waarschuwing laten, ondanks dat de derde grief deels slaagt.  

lees verder

Klacht over een jeugdbeschermer, die druk heeft uitgeoefend om een omgangsregeling van de grond te krijgen, die zich negatief heeft uitgelaten over de advocaat van klaagster, die altijd wil winnen en geen oog heeft voor de belangen van de dochter.

Zaaknummer: 17.069T
Datum beslissing: 27 november 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de jeugdbeschermer drie klachtonderdelen ingediend. Beklaagde heeft de artikelen H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), O (beroepsuitoefening en samenwerking) en E (respect) van de beroepscode geschonden. Ten eerste heeft beklaagde klaagster in een gesprek in mei 2017 naar aanleiding een zorgmelding van de politie over de minderjarige,  geconfronteerd met het strafblad van haar vriend en klaagster gedwongen om haar hoger beroep tegen de ondertoezichtstelling in te trekken. Ten tweede heeft beklaagde zich negatief uitgelaten over de advocaat van klaagster en probeert zo een vertrouwensbreuk te bewerkstellingen. Beklaagde zegt ook dat het haar altijd lukt om een omgangsregeling van de grond te krijgen. Het is echter niet aan klaagster te wijten dat er geen omgang van de grond is gekomen. Er spelen nog teveel trauma’s bij klaagster, waar beklaagde te lichtvaardig mee omgaat. Tot slot heeft beklaagde geen oog gehad voor de belangen van de minderjarige. Zij zal enorm teleurgesteld raken als vader niet kan waarborgen dat hij in staat is om de omgang met haar voor langere tijd aan te gaan.

1) Het College is van oordeel dat noch uit de stukken, noch uit hetgeen ter zitting is besproken, feiten of omstandigheden blijken die de stelling van klaagster dat zij onder druk is gezet, kunnen onderbouwen. Klaagster heeft zich kennelijk bedreigd gevoeld door het doel dat beklaagde met het gesprek beoogde te bereiken, en er zijn verschillen in beleving.

2) Over de negatieve uitlating van beklaagde over de advocaat van klaagster kan het College geen vragen stellen nu klaagster ter zitting niet aanwezig is. Aangezien de gemachtigde van klaagster zelf niet bij dat bewuste gesprek aanwezig was, kon ook hij dit ter zitting niet toelichten. De stelt het College vast dat uit het verweer van beklaagde en voornamelijk uit de e-mailwisseling in de maanden januari, februari en maart 2017 voldoende is gebleken dat beklaagde steeds in het belang van de minderjarige getracht heeft de samenwerking te zoeken, te de-escaleren en de omgang tot stand te brengen.

3) Het laatste klachtonderdeel over mogelijke teleurstelling bij de minderjarige is hypothetisch en door klaagster niet nader onderbouwd. Volgens het College heeft beklaagde gehandeld zoals het een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker betaamt. Tot slot is het College van oordeel dat beklaagde voldoende rekening heeft gehouden met klaagster en met de minderjarige en dat zij diverse handreikingen heeft gedaan.

lees verder

Klacht over raadsonderzoeker betreffende zorgvuldigheid raadsonderzoek en -rapport. Klachtonderdelen zien onder meer op het niet doorvragen aangaande de zorgen van klager, het onvoldoende meenemen van het belang van contactherstel en partijdigheid.

Zaaknummer: 17.024Ta
Datum beslissing: 23 november 2017
Oordeel: Klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is onderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) en heeft op verzoek van de rechter onderzoek verricht naar de mogelijkheid tot herstel van contact tussen klager (vader) en de kinderen. De Raad heeft geadviseerd geen omgang tussen klager en de kinderen vast te leggen.
Klager verwijst in zijn klacht naar bij de interne klachtenprocedure en door de externe klachtencommissie gegronde klachtonderdelen. Hij vindt dat beklaagde onvoldoende zijn zorgen heeft onderzocht door niet door te vragen op school, dat hij onvoldoende het belang van herstel van de contacten heeft meegenomen en zich partijdig, ten faveure van de moeder, heeft opgesteld.
Het CvT oordeelt dat beklaagde, waar het ging om een omgangsonderzoek, mocht afgaan op de informatie van de begeleidster van school. Beklaagde was niet gehouden de directeur van de school te benaderen om nadere informatie in te winnen.
Verder is uit het dossier noch ter zitting gebleken dat beklaagde onvoldoende oog heeft gehad voor het herstel van het contact tussen klager en de kinderen. Beklaagde zich heeft juist ingespannen voor het herstel van genoemd contact door een begeleid contact tussen klager en de kinderen te organiseren.
Het CvT is daarnaast van oordeel dat beklaagde de rapportage heeft gemaakt zoals van een redelijk bekwame raadsonderzoeker verwacht mag worden. Het CvT kan in het onderzoek en de rapportage geen disbalans ontdekken, zoals door klager is betoogd. Wel ziet het CvT dat beklaagde klagers kracht heeft willen versterken door hem mee te geven het verleden van zich af te werpen en zich op de toekomst te richten. Klager heeft de mogelijkheid gehad om zijn mening te geven over het rapport, en zijn reactie is aan het rapport toegevoegd.
Ten overvloede overweegt het CvT dat het kennis draagt van de klachtbeslissingen van de in- en externe klachtencommissie. Het CvT dient zich op zijn beurt vanuit zijn hoedanigheid als tuchtcollege uit te laten over het professionele handelen van beklaagde als jeugdprofessional en de eventuele tuchtrechtelijke verwijtbaarheid hiervan. Het CvT oordeelt dat beklaagde niet is getreden buiten de kaders van hetgeen van een redelijke bekwame jeugdprofessional verwacht mag worden. Integendeel, gebleken is dat beklaagde gedurende het gehele onderzoek de belangen van de kinderen goed voor ogen heeft gehouden.

lees verder

Klacht over zittingsvertegenwoordiger Raad voor de Kinderbescherming betreffende adviseren op basis van onzorgvuldig bevonden rapportage, het zich negatief uitlaten over klager en het onvoldoende doordrongen zijn van de impact van de complexe echtscheidingsproblematiek.

Zaaknummer: 17.024Tb
Datum beslissing: 23 november 2017
Oordeel: Klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde was als zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) aanwezig bij de behandeling ter zitting van het verzoek van klager (vader) de omgangsregeling met zijn kinderen te hervatten. De rechter heeft het verzoek van klager afgewezen.
Klager verwijst in zijn klacht naar de door de klachtencommissies gegrond verklaarde klachten aangaande zowel het eerder verrichtte onderzoek en opgemaakte rapport als het advies van beklaagde ter zitting. Hij verwijt beklaagde dat zij haar advies heeft gebaseerd op het raadsrapport, terwijl dat onzorgvuldig is bevonden. Verder verwijt klager beklaagde dat zij zich slechts negatief heeft uitgelaten over klager en ten onrechte niet het gedrag van de moeder heeft benoemd. Ook verwijt klager beklaagde onvoldoende doordrongen te zijn van de impact van de complexe echtscheidingsproblematiek.
Het CvT overweegt dat beklaagde overeenkomstig de rolbeschrijving van haar functie vóór de zitting alle dossierinformatie heeft gelezen, waaronder het raadsrapport en de uitspraken van de klachtencommissies. Klager lijkt er ten onrechte van uit te gaan dat als ten aanzien van het opgemaakte rapport in de klachtuitspraak is geoordeeld dat op bepaalde punten de procedure niet voldoende zorgvuldig geweest, het rapport in zijn geheel niet meer gebruikt zou mogen worden.
Het CvT constateert aan de hand van het proces-verbaal dat de rechter ter zitting de uitkomsten van de klachtprocedures heeft benoemd en als startpunt heeft meegenomen. Beklaagde heeft haar advies niet volledig gebaseerd op het eerdere rapport, maar heeft hieruit wel meegenomen dat de kinderen (voorlopig) geen contact met hun vader willen. Dat was voor haar toen en is ook nu nog de kern. Het CvT vindt dit begrijpelijk, wat er ook zij van de door de klachtencommissie gegrond verklaarde klachten.
Het CvT stelt vast dat beklaagde ter zitting aan klager heeft gevraagd wat hij heeft gedaan met het advies van de Raad om te werken aan zijn agressieregulatie en dat beklaagde soortgelijke vragen niet aan de moeder heeft gesteld. Hiermee is beklaagde niet buiten de kaders van haar professionele verantwoordelijkheid getreden. Wellicht ware het beter geweest dat beklaagde dergelijke vragen ook aan de moeder had gesteld, zoals beklaagde heeft erkend en zij als leerpunt heeft meegenomen uit de klachtbeslissing, maar dat maakt niet dat beklaagde aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Voldoende aannemelijk is geworden dat beklaagde met haar jarenlange ervaring met gezag- en omgangszaken genoeg kennis heeft van complexe echtscheidingsproblematiek en dat zij zich op professionele wijze in het moeizame spanningsveld tussen strijdende ouders beweegt.
Ten overvloede overweegt het CvT dat het kennis draagt van de klachtbeslissingen van de in- en externe klachtencommissie. Het CvT dient zich op zijn beurt vanuit zijn hoedanigheid als tuchtcollege uit te laten over het professionele handelen van beklaagde als jeugdprofessional en de eventuele tuchtrechtelijke verwijtbaarheid hiervan. Het CvT oordeelt dat beklaagde niet is getreden buiten de kaders van hetgeen van een redelijke bekwame jeugdprofessional verwacht mag worden. Integendeel, gebleken is dat beklaagde gedurende de gehele zitting de belangen van de kinderen goed voor ogen heeft gehouden.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over het opgestelde raadsrapport, het doorsturen van een e-mailbericht en de schijn van vooringenomenheid. Artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.051T
Datum beslissing: 17 november 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV en VII gegrond, klachtonderdelen V en VI ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest als raadsonderzoeker, zeven klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdelen I tot en met III zien toe op het opgestelde raadsrapport, en worden gegrond verklaard. Het College is van oordeel dat het raadsrapport eenzijdig is opgesteld. In de beslissing worden diverse voorbeelden uit het dossier genoemd waaruit dit volgens het College blijkt. Ook acht het College de klacht gegrond dat de vragen van de rechtbank niet volledig zijn beantwoord. Er is volgens het College gebruik gemaakt van standaardvragen in plaats van de opgestelde vragen door de rechtbank, waardoor uiteindelijk de vragen van de rechtbank niet geheel worden beantwoord. Beklaagde heeft tot slot nagelaten de reactie van klager dan wel de strekking daarvan toe te voegen aan het definitieve raadsrapport. Het in zijn geheel weglaten van de reactie van klager is naar het oordeel van het College geen optie.
Klachtonderdeel IV gaat over het doorsturen van een e-mailbericht aan beklaagde naar moeder en ook deze klacht acht het College gegrond. Naar het oordeel van het College had beklaagde moeten inzien dat het niet gepast zou zijn wanneer zij de betreffende e-mail zou doorsturen aan moeder, zonder hierover met klager te communiceren.
Tot slot oordeelt het College klachtonderdeel VII over de gewekte schijn van vooringenomenheid gegrond. Dit klachtonderdeel is in samenhang met klachtonderdelen I, II en III onvoldoende door beklaagde weerlegd. Het College acht het de verantwoordelijkheid van beklaagde om zowel klager als moeder voldoende ruimte te geven om zijn of haar zienswijze in een rapport naar voren te brengen. In dit geval was slechts het verhaal van moeder in het raadsrapport opgenomen en ontbrak het zelfstandige verhaal van klager.
Het College oordeelt dat beklaagde artikel D en E van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers heeft geschonden, en acht het opleggen van een maatregen van een berisping passend en geboden. Zij weegt daarbij mee de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het handelen alsmede de mate waarin gereflecteerd is door beklaagde.

lees verder

Gezinsmanager gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep beslist dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat de gezinsmanager onvoldoende heeft gedaan ten aanzien van de behandeling van de kinderen. Maatregel van berisping ingetrokken.

Zaaknummer: 17.010B (16.033Ta)
Datum beslissing: 8 november 2017
Oordeel: Beroep gegrond, College van Beroep vernietigt beslissing van College van Toezicht en trekt de maatregel van berisping in
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De gezinsmanager (beklaagde) beroept zich in deze zaak in het algemeen op het feit dat de klachtonderdelen zoals die door klager zijn ingediend bij het College van Toezicht, door dat College zijn aangevuld. Het College van Beroep merkt in dit verband op dat het bij een systeem waarbij geen verplichte rechtshulp geldt, niet te voorkomen valt dat een College bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aan klagers vraagt wat zij precies bedoelen met de formulering van een klacht en over welk handelen of niet handelen van de betreffende jeugdprofessional zij precies klagen.
Beklaagde is – onder meer – in beroep gegaan tegen het klachtonderdeel dat er op ziet dat zij onvoldoende bereikbaar was voor de klaagster. In tegenstelling tot het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat het voldoende aannemelijk is geworden dat de gezinsmanager steeds in contact bleef met beide ouders en zich voldoende actief heeft ingezet voor het gezin. Het College van Beroep merkt hierbij op dat hulpverlening in het vrijwillige kader onvermijdelijk beperkingen oplevert met betrekking tot de bevoegdheden en regiemogelijkheden van de gezinsmanager.
Het tweede bestreden klachtonderdeel heeft betrekking op de aanmelding bij een instelling. Ter zitting bij het College van Beroep is duidelijk geworden dat de gang van zaken rond deze aanmelding anders is gelopen dan ten tijde van de zitting bij het College van Toezicht duidelijk was. Als gevolg hiervan oordeelt het College van Beroep, anders dan het College van Toezicht, dat de gezinsmanager de regie rondom de aanmelding niet is verloren. In totaal verklaart het College van Beroep drie klachtonderdelen alsnog ongegrond en trekt de opgelegde maatregel van berisping in.

lees verder

Gezinsvoogd gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en legt – onder intrekking van de maatregel van berisping – aan de gezinsvoogd de maatregel van waarschuwing op.

Zaaknummer: 17.005B (16.032T)
Datum beslissing: 8 november 2017
Oordeel: beroep deels gegrond, College van Beroep bevestigt voor het overige de uitspraak van het College van Toezicht
Maatregel: berisping ingetrokken, waarschuwing opgelegd

Download de volledige beslissing in pdf

De gezinsvoogd heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het College van Toezicht waarin de door verweerders (vader en oma van de kinderen) ingediende klachten gedeeltelijk gegrond zijn verklaard en als gevolg waarvan de maatregel van berisping is opgelegd.

Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de gezinsvoogd niet transparant heeft gehandeld, in gebreke is gebleven met haar informatieplicht en de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn met betrekking tot de bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen. In tegenstelling tot dit oordeel stelt het College van Beroep vast dat de gezinsvoogd verweerders summier doch niet onvoldoende heeft geïnformeerd. Voorts is niet komen vast te staan dat de gezinsvoogd verweerder onvoldoende heeft geïnformeerd over de wijzigingen van de bezoekregeling. Van (een schijn van) partijdigheid kan naar het oordeel van het College van Beroep niet worden gesproken. Het College van Toezicht heeft daarnaast geoordeeld dat de gezinsvoogd ernstig tekort is geschoten in de communicatie met verweerders betreffende het verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen. Het College van Beroep volgt dit oordeel. De gezinsvoogd heeft zich met name onvoldoende ingespannen om voorafgaand aan het indienen van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing een gesprek tussen verweerders en de moeder tot stand te brengen en heeft daarmee de regie uit handen gegeven. Het College van Toezicht heef de klacht omtrent het (onvoldoende) serieus nemen van de zorgen van verweerders gegrond verklaard. Naar het oordeel van het College van Beroep is echter voldoende komen vast te staan dat aan beide partijen hulpverlening is geboden en dat de gezinsvoogd hierin niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Tenslotte merkt het College van Beroep, in tegenstelling tot het College van Toezicht, op, dat een gebrek aan reflectie niet is komen vast te staan. De gezinsvoogd heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen regelmatig besproken met collega’s en meermalen ingebracht in een multidisciplinair overleg.

Omdat het onzorgvuldige handelen van de gezinsvoogd uiteindelijk ziet op één aspect van de uitvoering van haar werkzaamheden in deze complexe scheidingszaak en de gezinsvoogd tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft gemotiveerd hoe zij in het vervolg anders zou handelen, trekt het College van Beroep de opgelegde berisping in, en legt in plaats daarvan een waarschuwing op.

lees verder

Verhouding LET-JB en opdracht gevende GI. Klacht over beklaagde die als voormalig gezinsvoogd van de jeugdige na overdracht van de ondertoezichtstelling aan het LET-JB als (administratief) verantwoordelijke professional namens de opdracht gevende GI fungeert.

Zaaknummer: 17.061T
Datum beslissing: 2 november 2017
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde was gezinsvoogd van de jeugdige tot overdracht van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan het LET-JB. De zaak blijft “op naam” staan van de opdracht gevende GI.
Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar kind heeft uitgeschreven bij zijn ziektekostenverzekeraar en huisarts alsmede dat door haar toedoen zijn medisch dossier is overgegaan naar de nieuwe huisarts.
Het CvT overweegt dat door de GI voor de in een geheim pleeggezin geplaatste jeugdige een nieuwe zorgverzekering is afgesloten om te voorkomen dat zijn verblijfplaats bekend zou worden. Ten aanzien van de verhouding tussen de GI en het LET-JB is van belang dat het LET-JB de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI uitvoert. Ten tijde van het verrichten van de handelingen die beklaagde worden verweten, stond de ondertoezichtstelling bij de GI administratief op naam van beklaagde en was beklaagde namens de GI de administratief verantwoordelijke professional.
Het LET-JB voerde de ondertoezichtstelling uit zonder afstemming met beklaagde en de GI.
Het CvT is van oordeel dat klaagster ten onrechte niet door of namens de GI om toestemming is gevraagd dan wel geïnformeerd is over het afsluiten van een andere zorgverzekering. Beklaagde stond weliswaar administratief nog gekoppeld aan de jeugdige als gezinsvoogd maar het voorgaande kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten. Beklaagde heeft immers gereflecteerd op haar handelen en binnen de GI dit punt ook aan de orde gesteld. Ook heeft klaagster al van haar contactpersoon bij het LET-JB de erkenning heeft gekregen dat ter zake niet juist is gehandeld.
Aannemelijk is dat een verhuizing in het kader van een uithuisplaatsing in een geheim pleeggezin ook een wisseling van huisarts inhoudt. Gebleken is dat het de pleegzorgorganisatie is die de pleegouders hierin begeleidt, dat de huisartsen onderling zorgdragen voor de goede overdracht en dat de gezinsvoogd hierin geen rol heeft. Waar het gaat om de afstemming en de communicatie met de ouders ligt er echter wel een taak voor de gezinsvoogd. Klaagster is ten onrechte niet om toestemming gevraagd dan wel geïnformeerd over de wisseling van de huisarts en de overgang van het medisch dossier. Ook hier geldt dat beklaagde vanwege de constructie tussen de GI en het LET-JB weliswaar administratief gekoppeld stond aan de jeugdige, maar dat haar hiervoor onder de gegeven omstandigheden in tuchtrechtelijke zin geen verwijt kan worden gemaakt. Dat beklaagde erkend heeft dat zij wel had moeten afstemmen, geeft blijk van een juiste professionele opstelling, maar maakt het oordeel van het College niet anders. De klachtonderdelen zijn dus ongegrond.
Het CvT overweegt ten overvloede dat binnen een GI de werktoedeling zodanig moet zijn dat een professional die een casus toebedeeld krijgt hiervoor ook daadwerkelijk de (eind)verantwoordelijkheid voor moet kunnen dragen.

lees verder

Klacht van grootvader over maatschappelijk werker bij Veilig Thuis betreffende onjuistheden in het rapport, plegen van strafbare feiten en zich niet richten op een oplossing. Klager is geen belanghebbende en wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Zaaknummer: 17.055Ta
Datum beslissing: 7 september 2017
Oordeel: niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft als maatschappelijk werker bij Veilig Thuis (hierna te noemen: VT) naar aanleiding van een ambtshalve melding door VT een tweede onderzoek verricht naar de situatie van de kleinkinderen van klager. Het eerste onderzoek van VT naar deze kleinkinderen is verricht naar aanleiding van een melding van klager betreffende zijn zorgen over zijn meerderjarige verstandelijk beperkte dochter die op dat moment zwanger was van deze kinderen -een tweeling-. VT concludeerde in het tweede onderzoek dat de kinderen nog niet mee naar huis konden met de ouders, omdat zij onvoldoende in staat waren aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hadden, en diende een verzoek tot onderzoek (hierna te noemen: vto) bij de Raad voor de Kinderbescherming in.
Klager verwijt beklaagde dat zij een rapport heeft gemaakt met onjuistheden, dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten als laster en zich niet heeft gericht op een oplossing.
Klager heeft de klacht op eigen titel ingediend.
Het CvT oordeelt voor elk van de klachtonderdelen of klager ontvankelijk is.
In het eerste klachtonderdeel klaagt klager erover dat beklaagde een rapport – het CvT begrijpt: het bijgevoegde vto – heeft opgemaakt waarin onjuistheden staan. Dit vto komt voort uit het tweede onderzoek van VT. Klager kan als niet betrokken bij dit tweede onderzoek, niet als belanghebbende worden aangemerkt voor zover het gaat om klachten over de inhoud van dit vto. Klager is door VT in dit onderzoek niet als informant gehoord, dus zijn er ook geen passages die betrekking hebben op klager zelf.
Het tweede klachtonderdeel waarin klager erover klaagt dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten is onvoldoende bepaald en onderbouwd, zodat klager ook niet-ontvankelijk verklaard wordt in dit klachtonderdeel.
Klager kan ten aanzien van het laatste klachtonderdeel –waarin hij betoogt dat beklaagde zich ten onrechte niet heeft gericht op een oplossing- evenmin als belanghebbende worden aangemerkt. Dit klachtonderdeel gaat ook over de inhoud van het onderzoek en het CvT ziet niet in hoe klager hierdoor wordt geraakt. Klager wordt als grootvader weliswaar emotioneel geraakt door de uitkomsten van het onderzoek, maar dat is niet voldoende om hem als belanghebbende ten aanzien van klachten over de uitvoering van het onderzoek aan te merken.
Het CvT verklaart klager niet-ontvankelijk in alle klachtonderdelen.

lees verder

Klacht over uitvoering van de ondertoezichtstelling. Klachtonderdelen betreffen beperkte omgang met de uit huis geplaatste kinderen, vooringenomenheid en onvoldoende betrekken bij het opvoedingsperspectief, en het dwingen tot het geven van toestemming voor niet noodzakelijke medische handeling.

Zaaknummer: 16.140T
Datum beslissing: 24 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van vier kinderen. Hij heeft sinds medio 2016 mede het gezag over alle vier de kinderen, en had ook voordien mede het gezag over alleen het oudste kind. In het gezin van de kinderen was sprake van jarenlange relatieproblematiek tussen de ouders en huiselijk geweld. Er is in het verleden al veel hulpverlening en ondersteuning in het gezin geweest, waaronder een eerdere ondertoezichtstelling. Thans zijn alle vier de kinderen onder toezicht gesteld, en sinds enige tijd vanuit het gezin van de moeder uit huis geplaatst. De GI heeft het advies van de pleegzorgaanbieder en jeugdhulpaanbieder de kinderen niet terug te plaatsen bij de moeder, en niet te plaatsen bij klager, overgenomen. Beklaagde is gezinsvoogd.

lees verder

Klacht tegen behandelcoördinator over informatie die beklaagde, zonder nader onderzoek te doen, heeft verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming ten behoeve van een raadsonderzoek. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (Respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.015T
Datum beslissing: 24 augustus 2017
Oordeel: klachtonderdeel III ongegrond, klachtenonderdelen I en II gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de behandelcoördinator van haar zoon drie klachtonderdelen ingediend. De klachtonderdelen zien toe op informatie die beklaagde, zonder nader onderzoek te doen, heeft verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) ten behoeve van een raadsonderzoek. Beklaagde heeft ten tijde van het raadsonderzoek de behandeling van de zoon van een collega overgenomen. Beklaagde heeft aangevoerd de gedane uitspraken niet door haar persoonlijk zijn gedaan, maar uit de aantekeningen van een collega zijn overgenomen. Klachtonderdeel I, inhoudende dat beklaagde het vermoeden heeft dat klaagster zich prostitueert, is gegrond verklaard. Naar het oordeel van het College mag van een jeugdprofessional worden verwacht dat zij op het moment dat zij belastende informatie verstrekt aan de Raad, extra zorgvuldigheid betracht en de bron vermeldt. Eveneens behoort het tot de taak van beklaagde om het vermoeden van haar voorgangster te onderbouwen met feiten en omstandigheden en met klaagster hierover in gesprek te gaan. Klachtonderdeel II, inhoudende dat moeder getraumatiseerd is door de moord op haar zus, is gegrond verklaard, omdat het College van oordeel is dat beklaagde zonder nader onderzoek in redelijkheid niet tot voornoemde conclusie heeft kunnen komen. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Nu beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen, met klaagster een bemiddelingsgesprek heeft gevoerd en ten aanzien van het tweede klachtonderdeel haar excuses aan klaagster heeft aangeboden, is het passend en geboden aan beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Het College verklaart een klachtonderdeel deels gegrond wegens het onvoldoende vermelden van bronnen, maar ziet af van de oplegging van een maatregel.

Zaaknummer: 16.166T
Datum beslissing: 18 augustus 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder klaagt over de gezinsmanager. De klachten komen er – onder andere- op neer dat de gezinsmanager wordt verweten onduidelijk te zijn geweest over de functie van een gezinsplan, wat bij de moeder heeft geleid tot verwarring. Daarnaast klaagt de moeder over de onzorgvuldigheid van de gezinsmanager in de verslaglegging en het nalaten van onderzoek te doen naar bepaalde feiten.
Beklaagde heeft de klachtonderdelen weersproken. Het College van Toezicht (CvT) verklaart een klachtonderdeel deels gegrond, maar ziet af van de oplegging van een maatregel.

lees verder

Klacht over (gezins)voogd betreffende onder meer onvoldoende hulp, geen effect sorteren, gebrek aan inzet ter zake omgang. Klachtonderdeel over het niet aan rechtbank zenden van aanmerkingen op plan gegrond. Artikel M (vastlegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.007Ta
Datum beslissing: 18 augustus 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV, V, VII en VIII ongegrond, klachtonderdeel VI gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is in een gezin gezinsvoogd over de jongste kinderen en voogd over de oudste. Klaagster heeft eenhoofdig gezag over de jongste twee kinderen. De kinderen verblijven bij de vader zonder gezag.
Klager verwijt beklaagde onder meer dat de kinderen geen hulp krijgen, dat zij geen ruimte ziet om iets te betekenen voor hen, dat zij een zeer beperkte omgangsregeling heeft verzocht bij de rechtbank en dat zij de aanmerkingen van klaagster op het plan van aanpak niet naar rechtbank heeft gezonden.
Het CvT overweegt dat beklaagde steeds geprobeerd heeft om te komen tot afspraken met de vader, dat hij oog had voor de zorgen over de kinderen, deze onderzocht heeft en geprobeerd heeft te objectiveren. Ook heeft beklaagde met de vader over deze zorgen gesproken. Aan de ene kant zijn bepaalde zaken niet van de grond gekomen, maar aan de andere kant is hulpverlening wel gerealiseerd. Beklaagde heeft voldoende uitgelegd dat hij, ondanks het dwangkader, in een lastige positie verkeerde omdat de kinderen verbleven bij de vader zonder gezag met wie het lastig samenwerken was, en beklaagde geen middelen had om bv. zwemles en hulpverlening af te dwingen. Uithuisplaatsing als alternatief is voldoende overwogen, maar was voor de kinderen nog minder wenselijk.
Beklaagde heeft voldoende moeite gedaan om te komen tot een reguliere omgangsregeling. Door de gebrekkige communicatie tussen de ouders en hun onderlinge wantrouwen was het uiteindelijk niet mogelijk om te komen tot deze reguliere omgangsregeling.
Bovenstaande klachtonderdelen zijn ongegrond maar het CvT acht het klachtonderdeel over het niet toezenden van de aanmerkingen van klaagster op het plan gegrond. Beklaagde heeft weliswaar gesteld dat hij het plan van aanpak met daarbij de opmerkingen van klaagster naar de rechtbank heeft gezonden, maar daarvan blijkt tegenover de gemotiveerde betwisting van klaagster niet (artikel M, vastlegging/dossiervorming geschonden). De de maatregel van waarschuwing is geboden, omdat beklaagde als gezinsvoogd is gehouden de rechter volledig te informeren.

lees verder

Beklaagde is gezinscoach in vrijwillig kader over jongste kinderen, en voogd over oudste kind. Klachtonderdelen gaan over het onthouden van zorg en het weghouden van kinderen bij klaagster. Klachtonderdeel over als voogd niet aanwezig zijn bij bijeenkomst op school, is gegrond. Artikel A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.007T
Datum beslissing: 18 augustus 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, V, VI ongegrond, klachtonderdeel IV gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is in één gezin gezinscoach in vrijwillig kader over jongste kinderen, en daarnaast in een korte periode ook voogd over oudste kind. De kinderen verblijven bij de vader zonder gezag; klaagster is moeder met gezag over de jongste twee kinderen. Na het tweede verzoek tot onderzoek van beklaagde aangaande de jongste twee kinderen bij de Raad voor de Kinderbescherming wordt uiteindelijk een ondertoezichtstelling uitgesproken en wordt een collega van beklaagde (gezins)voogd.
Klaagster verwijt beklaagde onder meer dat de kinderen geen specialistische zorg krijgen, dat de kinderen bij klaagster met eenhoofdig gezag worden weggehouden en dat beklaagde als voogd niet aanwezig is bij een bijeenkomst op school.
Het CvT overweegt dat beklaagde ten aanzien van de jongste twee kinderen als gezinscoach in een vrijwillig kader in een lastige positie verkeerde; zij had te maken met aan de ene kant klaagster met gezag, en aan de andere kant de vader zonder gezag, bij wie de kinderen verbleven, terwijl tussen de ouders sprake was van strijd. Aannemelijk is dat beklaagde, die ook de noodzaak van zorg zag, vanwege gebrek aan consensus tussen de ouders in het vrijwillig kader geen instrumenten had om te zorgen dat de gewenste zorg alsnog wordt ingeschakeld.
Klaagster verwijt beklaagde dat zij de kinderen niet mag zien ondanks haar eenhoofdig gezag en het vrijwillig kader. Het is klaagster geweest die er toestemming voor heeft verleend dat de vader met de kinderen in de voormalig echtelijke woning bleef wonen, terwijl dit onbedoeld tot de verwijdering van de kinderen heeft geleid. Hiervan kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
Bovenstaande klachtonderdelen worden ongegrond verklaard, maar het klachtonderdeel over het als voogd niet aanwezig zijn bij een bijeenkomst op school wordt gegrond verklaard Het CvT overweegt dat beklaagde zich weliswaar heeft afgemeld voor een gesprek op school, maar dat het als voogd op haar weg had gelegen aanwezig te zijn bij het gesprek op school en daar de informatie te vernemen die de school wilde delen (artikel A, de jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen, geschonden). Het CvT legt de maatregel van waarschuwing op.

lees verder

Beklaagde heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld nu zij in een andere zaak met vader als professional heeft samengewerkt. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 16.085Ta
Datum beslissing: 17 augustus 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is samen met haar collega betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon van klaagster. Zij treden gezamenlijk op. Naar aanleiding van een zorgmelding in mei 2014 en later in april 2015 is de Raad gestart met een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. In juni 2015 is de rechtbank geadviseerd een ondertoezichtstelling uit te spreken. Vervolgens is in juli 2015 de Raad een onderzoek gestart naar de hoofdverblijfplaats van de jeugdige. In maart 2016 heeft de Raad geadviseerd de hoofdverblijfplaats bij vader vast te stellen in plaats van bij klaagster. Dezelfde dag nadat het adviesgesprek met de Raad, klaagster en beklaagde heeft plaatsgevonden, is een verzoek spoedmachtiging uithuisplaatsing ingediend en  verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. In augustus is bij beschikking van de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de zoon bij vader bekrachtigd en is een zorgregeling tussen klaagster en de zoon vastgesteld onder regie van de GI.

lees verder

Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld.

Zaaknummer: 16.085Tb
Datum beslissing: 17 augustus 2017
Oordeel: Alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is samen met haar collega betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon van klaagster. Zij treden gezamenlijk op. Naar aanleiding van een zorgmelding in mei 2014 en later in april 2015 is de Raad gestart met een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. In juni 2015 is de rechtbank geadviseerd een ondertoezichtstelling uit te spreken. Vervolgens is in juli 2015 de Raad een onderzoek gestart naar de hoofdverblijfplaats van de jeugdige. In maart 2016 heeft de Raad geadviseerd de hoofdverblijfplaats bij vader vast te stellen in plaats van bij klaagster. Dezelfde dag nadat het adviesgesprek met de Raad, klaagster en beklaagde heeft plaatsgevonden, is een verzoek spoedmachtiging uithuisplaatsing ingediend en verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. In augustus is bij beschikking van de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de zoon bij vader bekrachtigd en is een zorgregeling tussen klaagster en de zoon vastgesteld onder regie van de GI.

lees verder

De gezinsvoogd heeft in strijd met de professionele standaard gehandeld, nu hij als jeugdprofessional een casus toegewezen heeft gekregen en daar geen verantwoordelijkheid voor wil dragen.

Zaaknummer: 16.170T
Datum beslissing: 17 augustus 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, III eerste deel, IV en V gegrond, klachtonderdelen II en III tweede deel ongegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van een dochter, geboren in 2004. De dochter woont bij haar moeder en de ouders hebben gezamenlijk gezag. In mei 2014 is door de rechtbank een voorlopige regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en dochter vastgesteld. Bureau Jeugdzorg heeft ouders verwezen naar ‘Ouderschap Blijft’. In september 2015 is beklaagde als jeugdbeschermer aangesteld om het drangtraject met ouders op te pakken. De rechtbank heeft op dat moment op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming de dochter voorlopig onder toezicht gesteld. Beklaagde voert de gesprekken met de ouders, en er is ook een gezinsvoogd apart voor de dochter. In november 2015 wordt de ondertoezichtstelling uitgesproken. De dochter blijft bij moeder en er is omgang met vader. In april 2016 meldt JBG dat zij zijn vastgelopen met de ouders. In juli 2016 willen ouders weer gesprekken voeren. In augustus geeft moeder aan tot eind januari 2017 geen gezamenlijke gesprekken meer te willen in verband met haar zwangerschap. In oktober 2016 heeft beklaagde overleg met een vertrouwensarts op welke termijn de gesprekken opgepakt kunnen worden. Na advies van de arts verzoekt JBG de rechtbank te bepalen dat ouders vier weken na de keizersnede weer gesprekken moeten gaan voeren.

lees verder

Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld bij de uitvoering van de spoedtaxatie en de periode daarna

Zaaknummer: 16.172T
Datum beslissing: 17 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De casusregisseur van de gemeente heeft beklaagde verzocht een spoedtaxatie naar de behoefte van de gezinsleden ten behoeve van een mogelijk behandeltraject te maken. Beklaagde heeft drie gesprekken met de ouders gevoerd. Eén daarvan was in bijzijn van de kinderen. Voorafgaand aan het derde gesprek zijn door school zorgen geuit aan de casusregisseur. Beklaagde heeft dit tijdens het huisbezoek willen bespreken. Tijdens dit bezoek is een crisissituatie ontstaan. Klaagster heeft het gesprek verlaten. De vader (klager) heeft tijdens dit gesprek de toestemmingsverklaring getekend. Beklaagde heeft ambulante spoedzorg geadviseerd voor intensieve ondersteuning in de gezinssituatie. Ter afsluiting van de opdracht heeft beklaagde aan de gemeente gerapporteerd. Ouders hebben naderhand een evaluatiegesprek geïnitieerd.

lees verder

De jeugdprofessional is niet transparant in haar informatievoorziening jegens klager, vanwege het onvoldoende reflecteren acht het college de maatregel van een waarschuwing passend.

Zaaknummer: 16.132T
Datum beslissing: 17 augustus 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV en V ongegrond, klachtonderdeel VI gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is bij het gezin betrokken geraakt met een begeleiding zonder maatregel. Na het beschermingsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) is er verzocht om een ondertoezichtstelling. In juni 2015 is voor de kinderen een ondertoezichtstelling uitgesproken. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij klaagster. Beklaagde heeft samen met een collega de ondertoezichtstelling uitgevoerd. Beklaagde is de contactpersoon van de ouders geweest. In juni 2016 is een nieuw raadsrapport verschenen. De Raad heeft aangegeven dat plaatsing van de kinderen bij vader als optie moet worden gezien, omdat vader meer ruimte biedt voor onbelaste omgang met klaagster. In juni 2016 zijn er door de gecertificeerde instelling (verder: GI) minimale voorwaarden geformuleerd waaraan klaagster en vader gedurende drie maanden aan moeten werken. In oktober 2016 is door de GI een verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in een neutraal pleeggezin ingediend. De zitting voor de machtiging uithuisplaatsing is uitgesteld totdat een eigen kracht conferentie kon plaats vinden. Vervolgens zijn de vastgestelde minimale voorwaarden vastgesteld in een rechterlijke beschikking waarna de GI het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken.

lees verder

De gezinsvoogd heeft conform de professionele standaard gehandeld door een gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken, nu de aanvaardbare termijn voor de dochter vier jaar na de uithuisplaatsing ruimschoots was verlopen. Het College legt geen maatregel op.

Zaaknummer: 16.169T
Datum beslissing: 10 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van een dochter en heeft het gezag. Tussen vader en dochter is geen contact. In 2011, toen de dochter twee maanden was, is een ondertoezichtstelling uitgesproken. Beklaagde is hier vanaf het begin bij betrokken. In mei 2011 is de dochter voor één maand uit huis geplaats bij pleegmoeder W. Daarna is de dochter voor acht maanden geplaatst bij dezelfde pleegmoeder. Eind 2012 heeft klaagster een Eigen Plan-Bijeenkomst (EPB) georganiseerd. Een familielid van moederszijde heeft aangegeven voor de dochter te willen zorgen. Medio 2013 is de dochter geplaatst bij deze pleegmoeder C. Begin 2014 heeft klaagster een schriftelijke aanwijzing gekregen met voorwaarden waaraan zij moet voldoen voor terugplaatsing. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn steeds verlengd. In september 2014 hoort klaagster dat de dochter niet zal worden teruggeplaatst. Er komt een omgangsregeling met klaagster. Er vindt weer een EPB plaats en in mei 2016 wordt de dochter geplaatst bij een nieuwe tante (pleegmoeder A.), nu pleegmoeder C. de zorg niet langer op zich wil nemen. In augustus 2016 vernietigt het hof de beschermingsmaatregelen en de gezagsbeëindigende maatregel. De dochter verblijft nu in het vrijwillig kader bij pleegmoeder A.

lees verder

Niet ontvankelijk ten aanzien van een klacht over de jeugdbeschermers in het algemeen. De individuele pleegzorgbegeleidster heeft conform de professionele standaard gehandeld maar had duidelijker kunnen zijn over haar bevoegdheden; zij nam taken over, waar de gezinsvoogd die liet liggen. Het College legt geen maatregel op.

Zaaknummer: 17.003T
Datum beslissing: 10 augustus 2017
Oordeel: deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van een dochter. De ouders zijn gescheiden, hebben samen het gezag, maar kunnen om verschillende redenen niet voor de dochter zorgen. In 2005 is een ondertoezichtstelling uitgesproken en later dat jaar is de dochter uit huis geplaatst en ondergebracht bij grootmoeder van vaderszijde. Nadat grootmoeder plots overleed, is de dochter tijdelijk ondergebracht bij een nicht van vaderszijde en daarna geplaatst in verschillende bestandspleeggezinnen. Beklaagde is de pleegzorgbegeleidster.

lees verder

De gezinsvoogd heeft conform de professionele standaard gehandeld maar zou een dilemma wel moeten vastleggen in een rapportage, en had aan de moeder met gezag toestemming moeten vragen voor een vakantie van de dochter met het pleeggezin. Het College legt, gezien de omstandigheden, geen maatregel op.

Zaaknummer: 16.157T
Datum beslissing: 10 augustus 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III deel 2, IV, VII en VIII ongegrond, klachtonderdeel III, deel 1 gegrond Klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel V
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van een dochter. In 2011, toen de dochter één jaar was, is een ondertoezichtstelling uitgesproken, en twee maanden later is de dochter uit huis geplaatst. Vanaf 2012 is de dochter ondergebracht in een perspectief biedend pleeggezin. In 2013 heeft de GI een onderzoek aangevraagd bij de Raad voor de Kinderbescherming naar een verderstrekkende maatregel. De Raad adviseert in 2014 dat de ondertoezichtstelling op dat moment de geëigende maatregel is. In de loop van 2014 stuurt de GI aan op thuisplaatsing. De bezoekregeling tussen moeder en dochter wordt uitgebreid. De Raad is echter niet akkoord met thuisplaatsing en verzoekt verlenging van de uithuisplaatsing. Zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing worden verlengd, uiteindelijk tot januari 2017. In januari 2016 treedt beklaagde aan als zevende gezinsvoogd. Er wordt psychodiagnostisch onderzoek verricht naar de dochter, met vragen over de hechting. De omgang wordt steeds verder teruggebracht. Beklaagde verzoekt om een gezagsbeëindigende maatregel en op 4 januari 2017 wordt het ouderlijk gezag van moeder beëindigd.

lees verder

Beklaagde valt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken voor haar handelen tijdens en voorafgaand aan haar verlofperiode

Zaaknummer: 16.126T
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de biologische vader van de jeugdige geboren in 2003. Op éénjarige leeftijd is de jeugdige uit huis geplaatst en geplaatst in een pleeggezin. De jeugdige is onder toezicht gesteld in 2005, en is sindsdien woonachtig in een pleeggezin. Tussen 2006 en 2011 is klager belast geweest met het ouderlijk gezag. Sinds 2011 zijn beide ouders ontheven uit het ouderlijk gezag. In augustus 2012 is beslist dat klager één keer per kwartaal door de GI op de hoogte wordt gebracht over belangrijke ontwikkelingen die de jeugdige of diens verzorging en opvoeding betreffen.
Beklaagde is betrokken geweest vanuit de GI. Zij is met verlof gegaan in maart 2016 waarna zij tijdens haar verlof vervolgens de werkzaamheden per augustus 2016 voor de GI heeft beëindigd.

lees verder

Klachten zijn ongegrond.

Zaaknummer: 16.137Ta
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De drie kinderen van klager wonen sinds de scheiding bij hun moeder. In september 2011 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd. Sinds juni 2016 is het gezamenlijk gezag voor een periode van een jaar geschorst. Moeder is gedurende deze periode belast met het eenhoofdig gezag. Ook is er op dat moment een begeleide voorlopige omgangsregeling vastgesteld met vader. Tijdens één van deze begeleide omgangsmomenten is één van de kinderen weggelopen. Klager heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij niet meer bij de begeleide omgangsmomenten aanwezig zal zijn. In januari 2016 is door de GI aangifte gedaan jegens klager wegens het bedreigen van een medewerker. Beklaagde is bij deze zaak van maart 2016 tot oktober 2016 samen met een collega namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Sinds oktober 2016 is beklaagde niet langer werkzaam voor de GI.

lees verder

Beklaagde had niet zonder toestemming van klaagster contact mogen leggen met school. Ook had beklaagde moeten weigeren aanwezig te zijn bij een gesprek van klaagster met de GGZ in verband met de privacy van klaagster.

Zaaknummer: 16.148T
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en sinds augustus 2014 betrokken bij de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kind 1. Sinds juni 2016 is beklaagde belast met de ondertoezichtstelling van kind 2 en kind 3. Inmiddels is een andere gezinsvoogd bij het gezin van klaagster betrokken. Kind 2 en kind 3 zijn door beklaagde in februari en maart 2016 aangemeld bij Veilig Thuis nadat de ex-partner van klaagster huiselijk geweld heeft gepleegd jegens klaagster in haar eigen huis. In maart 2016 heeft een Jeugdbeschermingstafel plaats gevonden. De vastgestelde afspraken daar zijn ondertekend door klaagster, beklaagde en de voorzitter. Eén van die afspraken is dat klaagster zich aanmeldt bij de GGZ voor een diagnostisch onderzoek.

lees verder

Beklaagde is tekort geschoten bij de besluitvorming tot spoedmachtiging uithuisplaatsing. Voorts had beklaagde de regie moeten nemen en zelf een voorstel moeten doen voor een omgangregeling

Zaaknummer: 17.005T
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en zijn ex-partner hebben samen een dochter en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. In maart 2009 is de hoofdverblijfplaats van de dochter bij klager vastgesteld en in december 2014 is de dochter onder toezicht gesteld. Beklaagde is van 25 januari 2016 tot en met 31 mei 2016 betrokken geweest bij het gezin. In februari 2016 heeft zich een incident voorgedaan bij het ophalen van de dochter door klager. Klager heeft beklaagde een dag later hiervan op de hoogte gesteld. Twee dagen later is door beklaagde met alle betrokken partijen afzonderlijk gesproken. Diezelfde dag is door de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven waarbij de verblijfplaats van de dochter is gewijzigd naar moeder. In maart 2016 is de dochter bij rechterlijke beschikking uit huis geplaatst. De machtiging uithuisplaatsing is telkens verlengd. Ook is een omgangsregeling tussen klager en de dochter vastgesteld. In april 2016 heeft beklaagde na overleg met klager en moeder besloten de omgang tussen klager en de dochter voorlopig stop te zetten. Bij rechterlijke beschikking in september 2016 is door de rechter een onbegeleide omgangsregeling tussen klager en de dochter vastgesteld.

lees verder

Klachten zijn ongegrond.

Zaaknummer: 16.137Ta
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De drie kinderen van klager wonen sinds de scheiding bij hun moeder. In september 2011 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd. Sinds juni 2016 is het gezamenlijk gezag voor een periode van een jaar geschorst. Moeder is gedurende deze periode belast met het eenhoofdig gezag. Ook is er op dat moment een begeleide voorlopige omgangsregeling vastgesteld met vader. Tijdens één van deze begeleide omgangsmomenten is één van de kinderen weggelopen. Klager heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij niet meer bij de begeleide omgangsmomenten aanwezig zal zijn. In januari 2016 is door de GI aangifte gedaan jegens klager wegens het bedreigen van een medewerker. Beklaagde is bij deze zaak van maart 2016 tot oktober 2016 samen met een collega namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Sinds oktober 2016 is beklaagde niet langer werkzaam voor de GI.

lees verder

Beklaagde heeft niet gecontroleerd of en op welke wijze moeder klager heeft geïnformeerd over een ernstig incident dat zich heeft voorgedaan met een van zijn kinderen. Nu beklaagde zijn afwegingen inzichtelijk heeft gemaakt en tijdens de mondelinge behandeling heeft gereflecteerd op zijn handelen, zal het College geen maatregel opleggen.

Zaaknummer: 16.137Tb
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De drie kinderen van klager wonen sinds de scheiding bij hun moeder. In september 2011 zijn deze kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd. Sinds juni 2016 is het gezamenlijk gezag voor een periode van een jaar geschorst. Moeder is gedurende deze periode belast met het eenhoofdig gezag. Ook is er op dat moment een begeleide voorlopige omgangsregeling vastgesteld met vader. Tijdens één van deze begeleide omgangsmomenten is één van de kinderen weggelopen. Klager heeft vervolgens te kennen gegeven dat hij niet meer bij de begeleide omgangsmomenten aanwezig zal zijn. In januari 2016 is door de GI aangifte gedaan jegens klager wegens het bedreigen van een medewerker. De aangifte is geseponeerd. Beklaagde is sinds maart 2016 met een collega belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

lees verder

Klacht moeder over correctie gezinsplan en uitblijven reactie op verzoeken, onder meer om afschrift dossier.

Zaaknummer: 16.134Ta
Datum beslissing: 14 juli 2017
Oordeel: Vier klachtonderdelen ongegrond, twee deels gegrond en deels ongegrond, en een gegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De minderjarige, die bij de moeder woont, verbleef gedurende 3 dagen per week bij de vader en had veel contact met vaders nieuwe partner. De minderjarige was onder toezicht gesteld. De vader is plotseling overleden. De moeder is geschorst in de uitoefening van haar gezag, en de GI is belast met de voorlopige voogdij opdat de minderjarige de uitvaart van de vader kan bijwonen. Nadat de voorlopige voogdij is herroepen, was de ondertoezichtstelling weer van kracht, en is deze verlengd.

lees verder

Klacht moeder over onderzoek namens GI na overlijden vader waarop voorlopige voogdij is gevolgd, alsmede de bejegening.

Zaaknummer: 16.134T
Datum beslissing: 14 juli 2017
Oordeel: Alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De minderjarige, die bij de moeder woont, verbleef gedurende 3 dagen per week bij de vader en had veel contact met vaders nieuwe partner. De minderjarige was onder toezicht gesteld. De vader is plotseling overleden. De moeder is geschorst in de uitoefening van haar gezag, en de GI is belast met de voorlopige voogdij opdat de minderjarige de uitvaart van de vader kan bijwonen.

lees verder

Moeder verwijt medewerker GI onzorgvuldig te hebben gehandeld ten tijde van pleegzorgplaatsing. Klachtonderdelen deels gegrond, deels ongegrond.

Zaaknummer: 16.146T
Datum beslissing: 14 juli 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: Waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon. Op 23 maart 2016 is de zoon in een pleeggezin geplaatst. De zoon is dan vijftien jaar. Beklaagde is werkzaam bij een gecertificeerde instelling (GI) en van 23 februari 2016 tot 21 juni 2016 in het drangkader de verantwoordelijke medewerker en contactpersoon voor klaagster en de zoon geweest. Naar aanleiding van een (geëscaleerd) gesprek op 12 april 2016 tussen beklaagde en klaagster, is beklaagde op 13 april 2016 in overleg getreden met een gedragswetenschapper van de GI. Dit overleg resulteert erin dat beklaagde aanleiding ziet om een Jeugdbeschermingstafel voor de zoon te beleggen. Ter voorbereiding van de Jeugdbeschermingstafel stelt beklaagde een conceptrapportage vanuit de GI op, welke op 29 april 2016 door beklaagde naar de Raad voor de Kinderbescherming en klaagster is verstuurd.

lees verder

Klacht minderjarige over uitvoering ondertoezichtstelling, in het bijzonder over de omgang en het niet luisteren door de gezinsvoogd

Zaaknummer: 16.121T
Datum beslissing: 14 juli 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegerond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De minderjarige klaagster is onder toezicht gesteld en heeft al ruim een jaar geen contact met de vader. De rechter heeft een omgangsregeling vastgesteld tussen klaagster en de vader. Klaagster verzet zich tegen omgang met de vader.

lees verder

Moeder klaagt over de nalatigheid van de jeugdbeschermer omdat hij geen initiatieven heeft genomen om de ondertoezichtstelling te verlengen. Het College komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is.

Zaaknummer: 16.167T
Datum beslissing: 13 juli 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Jeugdbeschermer (beklaagde) wordt door moeder aangeklaagd – onder andere – omdat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar zoon. Het ging niet goed met haar zoon en toch heeft beklaagde de ondertoezichtstelling (hierna: OTS) af laten lopen en geen verzoek gedaan tot verlenging hiervan.

lees verder

Maatschappelijk werkster gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar klacht en trekt de maatregel van waarschuwing in.

Zaaknummer: 17.002B (16.007T)
Datum beslissing: 11 juli 2017
Oordeel: Beroep gegrond, klaagster niet-ontvankelijk in klacht
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

In deze beslissing staat de vraag centraal of een jeugdprofessional ook gebonden is aan de beroepscode en de daaruit voortvloeiende richtlijnen indien hij een zorgmelding doet in de hoedanigheid van particulier ten aanzien van een jongere die hij/zij uitsluitend kent vanuit de privésfeer en waarmee geen behandelrelatie of anderszins beroepsmatige betrokkenheid bestaat. Het CvB beantwoordt deze vraag, in tegenstelling tot het CvT, ontkennend. Daarbij wordt overwogen dat, gelet op artikel 3.2 van het Tuchtreglement, het CvT in beginsel uitsluitend bevoegd is om het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals te toetsen aan de algemene tuchtnorm. In het onderhavige geval staat vast dat beklaagde de zorgmelding niet heeft gedaan in haar hoedanigheid van jeugdprofessional of vanuit beroepsmatige betrokkenheid, maar enkel vanuit haar bezorgdheid als familielid. Anders dan het CvT is het CvB van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om dit handelen van beklaagde in de privésfeer op grond van het weerslagcriterium onder de werking van het tuchtrecht te brengen. In beroep wordt om die reden de klacht alsnog niet-ontvankelijk verklaard en wordt de in eerste aanleg opgelegde waarschuwing ingetrokken.

lees verder

Maatschappelijk werker in beroep tegen beslissing College van Toezicht. College van Beroep is overtuigd dat beklaagde niet opzettelijk of bewust geheime informatie over klager heeft prijsgegeven aan haar dochter. Onder intrekking van maatregel van berisping, is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Zaaknummer: 17.009B (16.073T)
Datum beslissing: 11 juli 2017
Oordeel: beroep gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht oordeelt dat door beklaagde de beroepscode is geschonden door het prijsgeven van geheime informatie van klaagster aan de dochter van klaagster. Beklaagde betwist dit in het beroepschrift niet. Derhalve gaat het uitsluitend om de vraag welke tuchtrechtelijke consequentie aan deze schending van de beroepscode moet worden verbonden. Het College van Beroep is, anders dan het College van Toezicht, van oordeel dat de betreffende verspreking – hoe ongelukkig ook – geen berisping rechtvaardigt. Hierbij is door het College van Beroep overwogen dat zij ervan overtuigd is geraakt dat beklaagde niet opzettelijk of bewust de geheime informatie heeft prijsgegeven, dat beklaagde ten overstaan van klaagster zijn fout meteen heeft erkend en bovendien blijk heeft gegeven van het vermogen tot zelfreflectie door op eigen initiatief te starten met supervisie. Onder deze omstandigheden en vanwege het feit dat beklaagde niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, is het College van Beroep van oordeel dat het opleggen van de maatregel van waarschuwing volstaat.

lees verder

Beklaagde heeft als raadsonderzoeker gehandeld binnen de grenzen van het beroepsmatig handelen

Zaaknummer: 16.102Tb
Datum beslissing: 6 juli 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is samen met haar collega als raadsonderzoeker betrokken bij het gezin. Op verzoek van de rechtbank heeft de Raad onderzocht of handhaving van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is of het verzoek van klaagster om belast te worden met het eenhoofdig gezag te moeten toewijzen. Voorts heeft de Raad onderzocht of een zorgregeling met vader in het belang van de kinderen is.

lees verder

Beklaagde heeft als raadsonderzoeker gehandeld binnen de grenzen van het beroepsmatig handelen

Zaaknummer: 16.102Tc
Datum beslissing: 6 juli 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is samen met haar collega als raadsonderzoeker betrokken bij het gezin. Op verzoek van de rechtbank heeft de Raad onderzocht of handhaving van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is of het verzoek van klaagster om belast te worden met het eenhoofdig gezag te moeten toewijzen. Voorts heeft de Raad onderzocht of een zorgregeling met vader in het belang van de kinderen is.

lees verder

Klacht tegen de gezinsvoogd over de veiligheid van de kinderen, de communicatie met beklaagde en geen vertrouwen hebben gehad in het handelen van beklaagde. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) en artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.013T
Datum beslissing: 6 juli 2017
Oordeel: klachtonderdeel I deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, klachtonderdeel II ongegrond, klachtonderdeel III gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader, drie klachtonderdelen ingediend. Haar klachten zien op de gezinsvoogd die bij twee van haar kinderen betrokken is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Klaagster heeft zorgen over de veiligheid van de kinderen, de communicatie met beklaagde en heeft geen vertrouwen gehad in het handelen van beklaagde. Klachtonderdeel drie, betreffende het vertrouwen in het handelen van beklaagde is gegrond verklaard. Beklaagde heeft zich in een complexe situatie bevonden door de belangen van de kinderen te behartigen met inachtneming van de positie van klaagster. De belangen van de kinderen en klaagster kwamen niet overeen. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij onder de omstandigheid, waar klaagster geen vertrouwen meer had in beklaagde, zonder begeleiding of ondersteuning toch verder is gegaan met de casus. Hoewel het begrijpelijk is dat beklaagde vanuit de wens van de instelling heeft gehandeld en mogelijkerwijs druk vanuit de organisatie heeft gevoeld, behoort het tot de autonomie van beklaagde om als jeugdprofessional grenzen te trekken. Het College komt tot de slotsom dat de artikelen D, N en O van de Beroepscode van de Jeugdzorgwerker zijn geschonden. Het College legt de maatregel van een waarschuwing op.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd met name betreffende onvoldoende erkenning van de zorgen over de kinderen. Artikel E (respect) en I (beëindiging professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Geen maatregel opgelegd wegens beperkt handelen in een beperkte periode.

Zaaknummer: 17.017T
Datum beslissing: 6 juli 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II en III ongegrond, klachtonderdeel IV gegrond, klachtonderdeel V deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader, vijf klachtonderdelen ingediend. Klaagster heeft zorgen met betrekking tot de kinderen wanneer zij bij haar ex-partner, de vader, verblijven. Beklaagde erkent deze zorgen volgens klaagster onvoldoende. Alle vijf de klachtonderdelen zien toe op klaagsters zorgen bij de ex-partner en hoe beklaagde hiernaar gehandeld heeft. Klachtonderdeel vier, betreffende het accepteren van een belofte van de ex-partner betreffende diens middelengebruik, wordt gegrond verklaard. Het had, naar het oordeel van het College, op de weg van beklaagde gelegen om meer inspanning te leveren om objectief vast te stellen of al dan niet sprake was van middelengebruik bij de vader (schending artikel E, respect, van de Beroepscode). Klachtonderdeel vijf wordt gegrond verklaard voor het deel dat betrekking heeft op het einde van de betrokkenheid van beklaagde (schending artikel E, respect, en I, beëindiging van de professionele relatie, van de Beroepscode). Het College overwoog daarbij dat beklaagde ondanks dat de hulpverlening nog niet voldoende was overgedragen aan een collega, heeft nagelaten om te reageren op de per mail geuite zorgen van klaagster.
Het College ziet af van oplegging van een maatregel, omdat de schending van de Beroepscode slechts ziet op beperkt handelen en een beperkte periode.

lees verder

De gezinsmanager had klaagster beter wel een toestemmingsverklaring moeten laten tekenen en de samenvatting en conclusie uit het Raadsrapport aan klaagster moeten sturen, maar nu de samenvatting en conclusie met klaagster zijn overlegd en zij de kans heeft gekregen commentaar te leveren, heeft beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Zaaknummer: 16.110T
Datum beslissing: 29 juni 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van twee kinderen, geboren in 2008 en 2010. De ouders zijn sinds 2011 uit elkaar. Klaagster heeft het éénhoofdige gezag, de kinderen wonen bij haar en zien de vader een weekend in de twee weken. In 2014 is er door het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) een onderzoek bij het gezin uitgevoerd, als gevolg van een melding van klaagster over mogelijk seksueel misbruik door vader. AMK adviseert om een gezinsmanager toe te wijzen. Beklaagde is vanaf 19 juni 2014 tot juni 2015 de gezinsmanager. Er is sprake van een gespannen relatie tussen ouders en er volgen vele vormen van hulpverlening. Beide ouders mailen met zorgen over de kinderen. Op 30 juni 2015 kondigt beklaagde een verzoek tot onderzoek aan, omdat hulpverlening niet tot verbetering leidt. Op 27 juli 2015 doet beklaagde dat verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming. In juli 2015 is klaagster met haar kinderen verhuisd naar België en wordt het onderzoek gestaakt. In oktober 2016 heeft de Klachtencommissie van de GI uitspraak gedaan over de klacht van klaagster over beklaagde.

lees verder

Klacht over gezinsvoogd met name betreffende niet oppakken zorgen van klager en dwingen van de kinderen tot omgang

Zaaknummer: 17.004Ta
Datum beslissing: 29 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is gezinsvoogd van 2 kinderen. Klager, vader, en moeder zijn uit elkaar en gezamenlijk belast met het gezag. De kinderen wonen nu bij klager en woonden voorheen bij moeder. In het verleden zijn ouders een omgangsregeling overeengekomen tussen moeder en de kinderen. De ondertoezichtstelling is vanwege loyaliteitsproblematiek uitgesproken. De rechtbank heeft aan klager een dwangsom opgelegd ter zake nakoming van de omgangsregeling.
Klager heeft tegen de gezinsvoogd zeven klachtonderdelen ingediend. De rode draad in het merendeel van de klachtonderdelen is de angst van klager over de veiligheid van de kinderen wanneer zij bij moeder zijn. Deze angst gaat zo ver dat klager zich niet laat dwingen om medewerking te verlenen aan de omgangsregeling. De klachtonderdelen worden allen ongegrond verklaard.
Het CvT overweegt dat beklaagde voldoende heeft geluisterd naar de klachten van klager en de kinderen, en deze heeft onderzocht; de signalen van de kinderen over zorgelijk gedrag van moeder zijn getoetst door hierover met moeder in gesprek te gaan, afspraken te maken met moeder en bij de kinderen vervolgens te toetsen of moeder zich aan die afspraken gehouden heeft, hetgeen het geval was. Ook heeft er een persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden ten aanzien van een van de kinderen, waaruit geen signalen naar voren kwamen. Beklaagde heeft daarnaast contact gehad met de huisarts en de Intensief Ambulante Gezinsbegeleidster van moeder. De signalen zijn derhalve getoetst maar niet door de betrokken professionals bevestigd. Evenmin hebben de scholen zorgsignalen afgegeven. Van reële onveiligheidsaspecten rond de kinderen bij moeder is niet gebleken. Een van de doelen in het kader van deze ondertoezichtstelling is bovendien dat de kinderen een onbelaste omgang moeten kunnen hebben met beide ouders. Beklaagde heeft in redelijkheid binnen het kader van de ondertoezichtstelling stappen ondernomen om te komen tot een omgangsregeling.

lees verder

Beklaagde had niet zonder toestemming van de kinderrechter over mogen gaan tot een uithuisplaatsing van de jeugdige

Zaaknummer: 16.105Ta
Datum beslissing: 15 juni 2017
Oordeel: deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster was de pleegmoeder van de jeugdige. In eerste instantie is de jeugdige vanwege een zeer bedreigende thuissituatie op basis van een crisisplaatsing bij klaagster geplaatst. Later is dit over gegaan in een reguliere plaatsing. Beklaagde is de tweede gezinsvoogd die bij het gezin betrokken is. Naar aanleiding van een ontvangen zorgmelding is de jeugdige ondergebracht in een ander pleeggezin. Twee weken later heeft een gesprek plaatsgevonden met klaagster waarbij besloten is om de samenwerking met klaagster als pleegouder te beëindigen.

lees verder

Beklaagde heeft in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld

Zaaknummer: 16.105Tb
Datum beslissing: 15 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster was de pleegmoeder van de jeugdige. In eerste instantie is de jeugdige vanwege een zeer bedreigende thuissituatie op basis van een crisisplaatsing bij klaagster geplaatst. Later is dit overgegaan in een reguliere plaatsing. Beklaagde is als pleegzorgwerkster betrokken bij het gezin. In mei 2016 heeft beklaagde een zorgmelding over de jeugdige ontvangen. De dag erop hebben beklaagde en de gezinsvoogd een gesprek gehad met de zorgmelder. Vervolgens zijn beklaagde en de gezinsvoogd bij klaagster langsgegaan om de zorgmelding te bespreken. De gezinsvoogd heeft  dezelfde dag besloten dat de jeugdige niet langer bij klaagster kon wonen. De jeugdige is ondergebracht in een ander pleeggezin. Twee weken later heeft een gesprek plaatsgevonden met klaagster waarbij besloten is om de samenwerking met klaagster als pleegouder te beëindigen.

lees verder

Moeder klaagt dat een consulent bij de GGD onbekwaam, respectloos en gemakzuchtig heeft gehandeld. Klachtonderdelen worden door het College ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 16.144Ta
Datum beslissing: 15 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder dient een klacht in tegen de consulent bij de GGD (beklaagde) omdat deze onbekwaam, respectloos, laks en gemakzuchtig gehandeld heeft. De beklaagde heeft een verpleegkundige van het consultatiebureau geadviseerd een zorgmelding te doen bij Veilig Thuis zonder dat zij moeder en haar zoon kende dan wel contact met hen had gehad. Daarnaast heeft de consulent een nieuwe zorgmelding serieus genomen, terwijl deze op een leugen berust.

lees verder

Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld

Zaaknummer: 16.107T
Datum beslissing: 8 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is belast met het ouderlijk gezag over zijn dochter. De jeugdige logeert wekelijks bij klager. Bij beschikking van de rechtbank is de dochter in 2013 onder toezicht gesteld. De gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert heeft eind 2016 een schriftelijke aanwijzing aan klager gegeven. Klager dient de hulpverlening te accepteren, beklaagde toe te laten in de woning, naar gesprekken te komen en mee te werken aan de gestelde doelen die zijn gericht op het creëren van veiligheid voor de jeugdige. Vanaf oktober 2015 geldt voor moeder, de ex-partner van klager, een veiligheidsplan.

lees verder

Klacht over casemanager gemeente, betreffende aanvragen voor jeugdhulp en privacy

Zaaknummer: 16.094T
Datum beslissing: 8 juni 2017
Oordeel: Alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben al jaren contact met jeugdzorg ten behoeve van aanvragen voor jeugdhulp (te financieren middels PGB) voor de minderjarige. Beklaagde is gedurende ruim een half jaar als casemanager betrokken. Beklaagde heeft een melding bij de Jeugdbeschermingstafel gedaan. De Jeugdbeschermingstafel (JBT) heeft besloten dat de hulp doorgang vindt in het vrijwillig kader.

lees verder

Grootvader klaagt over triage naar aanleiding van zijn melding bij Veilig Thuis.

Zaaknummer: 16.147T
Datum beslissing: 8 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis aangaande de situatie van zijn meerderjarige dochter met een verstandelijke beperking, die zwanger is van een tweeling. Met deze melding trachtte hij noodzakelijke hulp voor zijn dochter en haar gezin te organiseren en uithuisplaatsing van de kinderen te voorkomen. De kinderen zijn uiteindelijk na een tweede onderzoek van Veilig Thuis na hun geboorte vanuit het ziekenhuis uit huis geplaatst. De klacht betreft de triage naar aanleiding van de melding van klager.

lees verder

Het College legt aan beklaagde een schorsing op voor de duur van één jaar nu zij cliënten onder invloed van alcohol heeft vervoerd

Zaaknummer: 16.162T
Datum beslissing: 8 juni 2017
Oordeel: klacht gegrond
Maatregel: schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is werkzaam als pedagogisch medewerkster bij een gezinshuis. De gedragscode van het gezinshuis staat het gebruik van alcohol en drugs op de werkplek of tijdens werktijd niet toe. Op 30 juni 2016 is beklaagde met drie cliënten naar de diploma uitreiking van een cliënt geweest. Op de terugweg is beklaagde tussen 21:00 en 21:30 uur staande gehouden door de politie voor een alcoholcontrole. De uitkomst van de blaastest was positief. Beklaagde is door de politie verzocht mee te gaan naar het politiebureau voor een nader onderzoek. De politie heeft de cliënten teruggebracht naar het gezinshuis. Bij beschikking van de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst van beklaagde ontbonden.

lees verder

Vader klaagt over gezinsvoogd vanwege het geen of minimale contact dat hij heeft met zijn kinderen en voorts dat hij als slechte vader door de gezinsvoogd wordt afgeschilderd en niet serieus wordt genomen. Het College verklaard alle klachtonderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 16.163T
Datum beslissing: 1 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt gezinsvoogd (beklaagde) aan wegens de omstandigheid dat hij geen dan wel minimaal contact heeft met zijn kinderen en dat het slecht met hen gaat. Daarnaast heeft vader de stellige indruk dat hij als slechte vader wordt neergezet in zijn omgeving en als vader niet serieus genomen wordt. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat hij zijn taak als gezinsvoogd heeft uitgevoerd binnen de grenzen van wat verwacht kan worden van een redelijk bekwaam professional.

lees verder

Een maatregel van berisping wordt opgelegd wegens het aangaan van een behandelrelatie zonder toestemming van beide ouders.

Zaaknummer: 16.136T
Datum beslissing: 1 juni 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Gedragswetenschapper (beklaagde) wordt aangeklaagd door vader wegens het zonder toestemming van beide ouders aangaan van een behandelrelatie met zijn zoon. Daarnaast heeft de beklaagde de vader vooraf niet geïnformeerd over deze behandelrelatie.

lees verder

Maatregel van berisping wordt opgelegd wegens het verwijtbaar tekort schieten als gezinsvoogd, maar ook vanwege het schaden van het beeld ten aanzien van de jeugdzorg in zijn algemeenheid.

Zaaknummer: 16.143T
Datum beslissing: 1 juni 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder klaagt over gezinsvoogd (beklaagde) omdat deze haar onheus heeft bejegend en onwaarheden heeft verteld met betrekking tot de spoed uithuisplaatsing van haar dochter. Het CvT verklaart alle klachtonderdelen gegrond en legt een berisping op.

lees verder

Moeder en meerderjarige dochter klagen over jeugdbeschermer die de kinderen niet tot hun recht laat komen, niet helpen en het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevordert. Daarnaast wordt geklaagd over machtsmisbruik, het onthouden van informatie, het schenden van beroepsgeheim en het schrijven van onwaarheden. Het College acht de klacht deels gegrond.

Zaaknummer: 16.153T
Datum beslissing: 1 juni 2017
Oordeel: deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder en haar meerderjarige dochter klagen over de werkwijze van de jeugdbeschermer.

lees verder

Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld tijdens het afgelegde huisbezoek en tevens is niet gebleken dat beklaagde heeft gelobbyd voor het doen van een zorgmelding

Zaaknummer: 16.115T
Datum beslissing: 23 mei 2017
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is belast met het ouderlijk gezag over haar twee kinderen. De kinderen wonen bij klaagster. Veilig Thuis heeft een zorgmelding ontvangen van de gemeente over de veiligheid en ontwikkeling in de opvoed- en opgroeisituatie van de kinderen. Beklaagde is medewerkster van het SAVE team dat de zorgmelding heeft opgepakt en heeft onderzoek gedaan naar de gemelde zorgen. Beklaagde is bij klaagster op huisbezoek geweest.

lees verder

Beklaagde heeft in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld.

Zaaknummer: 16.104Ta
Datum beslissing: 23 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt over handelen jeugdbeschermer. Het CvT heeft in overweging genomen dat de jeugdbeschermer heeft moeten functioneren in een situatie waarbij er sprake was van een gecompliceerde echtscheiding, hetgeen een nadelige invloed heeft gehad op de drie kinderen. Het CvT verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

lees verder

Beklaagde heeft in lijn met de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld.

Zaaknummer: 16.104Tb
Datum beslissing: 23 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt over handelen jeugdbeschermer. Het College van Toezicht (CvT) heeft in overweging genomen dat de jeugdbeschermer heeft moeten functioneren in een situatie waarbij er sprake was van een gecompliceerde echtscheiding, hetgeen een nadelige invloed heeft gehad op de drie kinderen. Beklaagde heeft de klachtonderdelen weersproken.

lees verder

Pleegmoeder klaagt over handelen van jeugdbeschermer. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 16.133T
Datum beslissing: 23 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Pleegmoeder klaagt over het handelen van de jeugdbeschermer die als voogd bij haar beide pleegdochters is betrokken. De instelling waar de voogd werkzaam is heeft in 2016 vervangende toestemming aan de rechtbank gevraagd om de hoofdverblijfplaats van de pleegdochters te kunnen wijzigen. Pleegmoeder heeft hiertegen verweer gevoerd. De vervangende toestemming is door de rechtbank verleend waarna de pleegdochters naar een crisisplek zijn gegaan.

lees verder

De wrakingskamer wijst een verzoek tot wraking van de voorzitter van het College van Toezicht af.

Zaaknummer: 16.075T(W)
Datum beslissing: 18 mei 2017
Oordeel: wrakingsverzoek ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager (hierna: verzoeker) heeft tijdens de mondelinge behandeling van zijn klacht op 3 maart 2017 een verzoek gedaan tot wraking van de voorzitter van het College van Toezicht. Verzoeker heeft tijdens de zitting een zevental gronden naar voren gebracht. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking van de voorzitter als ongegrond afgewezen.

lees verder

De gezinsvoogd had over moeten gaan tot herbezinning over de omgangsregeling, en niet van een vooronderstelling moeten uitgaan. Daarmee heeft zij onvoldoende oog gehad voor de belangen van de kinderen van klaagster. Het College legt de maatregel waarschuwing op.

Zaaknummer: 16.120Ta
Datum beslissing: 18 mei 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van drie kinderen, geboren in 2003, 2005 en 2007. De ouders zijn sinds 2014 gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. Op 8 januari 2014 is een ondertoezichtstelling uitgesproken en sindsdien telkens verlengd. Beklaagde is sinds half april 2015 als gezinsvoogd belast met de uitvoering daarvan. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij moeder en ze gaan iedere twee weken op zaterdag naar vader. In januari 2015 is de omgang uitgebreid naar iedere zaterdag en woensdagmiddag. In november 2015 heeft de rechter bepaald dat de omgang van de twee dochters op woensdagmiddag bij de GI moet plaatsvinden. In januari 2016 is door de GI aan moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin staat dat zij moet meewerken aan de uitvoering van een systeemonderzoek. In september 2016 wordt bepaald dat de omgang met vader op woensdagmiddag weer onbegeleid mag plaatsvinden. De klachtencommissie van de GI heeft een deel van de klachten van klaagster tegen beklaagde gegrond verklaard.

lees verder

De gezinsvoogd had over moeten gaan tot herbezinning over de omgangsregeling, en niet van een vooronderstelling moeten uitgaan. Daarmee heeft zij onvoldoende oog gehad voor de belangen van de kinderen van klaagster. Het College legt de maatregel waarschuwing op.

Zaaknummer: 16.120Tb
Datum beslissing: 18 mei 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van drie kinderen, geboren in 2003, 2005 en 2007. De ouders zijn sinds 2014 gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. Op 8 januari 2014 is een ondertoezichtstelling uitgesproken en sindsdien telkens verlengd. Beklaagde is sinds half april 2015 als gezinsvoogd belast met de uitvoering daarvan. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij moeder en ze gaan iedere twee weken op zaterdag naar vader. In januari 2015 is de omgang uitgebreid naar iedere zaterdag en woensdagmiddag. In november 2015 heeft de rechter bepaald dat de omgang van de twee dochters op woensdagmiddag bij de GI moet plaatsvinden. In januari 2016 is door de GI aan moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin staat dat zij moet meewerken aan de uitvoering van een systeemonderzoek. In september 2016 wordt bepaald dat de omgang met vader op woensdagmiddag weer onbegeleid mag plaatsvinden. De klachtencommissie van de GI heeft een deel van de klachten van klaagster tegen beklaagde gegrond verklaard.

lees verder

De consulent jeugd heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zonder zelf een nader onderzoek te doen, en zonder een gesprek daarover met de ouders een verzoek tot onderzoek te doen bij de jeugdbeschermingstafel.

Zaaknummer: 16.130T
Datum beslissing: 18 mei 2017
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond, overige klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers zijn ouders van een zoon, geboren in 2010. Begin 2015 hebben ouders contact opgenomen met de schoolarts over de hoogbegaafdheid van de zoon. Er wordt door school een deskundige ingezet. In mei 2015 komen klagers in contact met het sociaal team en maken zij kennis met beklaagde, consulent jeugd. Na een incident op school raadt beklaagde ouders ambulante spoedhulp aan. In december komen er twee medewerkers de thuissituatie beoordelen. Zij komen vijf keer langs. Twee weken later beëindigen de ouders de samenwerking met de ambulante spoedhulp. Beklaagde is niet bij dat gesprek aanwezig. Op 22 december 2015 meldt beklaagde op basis van de eindrapportage van de ambulante spoedhulp dat de gemeente voornemens is een melding te doen van kindermishandeling en verwaarlozing van beide kinderen bij de jeugdbeschermingstafel (verder: jbt). Zowel de hoogbegaafdheiddeskundige als de interne begeleider van school hebben de rapportage weerlegd. Op 28 december 2015 vindt de bijeenkomst plaats bij de jbt. Eind maart besluit de voorzitter van de jbt de volgende bijeenkomst voor april te annuleren en het dossier te vernietigen.

lees verder

Klager verwijt de gezinsvoogd onder andere niet aan waarheidsvinding te hebben gedaan en vooringenomen te zijn.

Zaaknummer: 16.131T
Datum beslissing: 18 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is – in een periode van om en nabij vijf maanden – als de derde gezinsvoogd van de kinderen van klager - de vader - aangesteld. In de eerste vijf maanden van de ondertoezichtstelling (hierna: OTS) is geen omgang geweest tussen klager en zijn kinderen. Beklaagde heeft na haar aanstelling als gezinsvoogd de wijziging in omgang (die er op dat moment niet meer was tussen klager en de kinderen) zo snel mogelijk willen laten toetsen door de kinderrechter. Klager heeft een klacht bestaande uit zeven onderdelen ingediend. Beklaagde heeft onder andere geweigerd contactjournaals te sturen naar klager, heeft nooit aan waarheidsvinding gedaan en is vooringenomen.

lees verder

Klacht van grootmoeder/voormalig pleegmoeder over bejegening en communicatie rond uithuisplaatsing op neutrale plaats. Het College verklaart de klacht ongegrond.

Zaaknummer: 16.101T
Datum beslissing: 4 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is grootmoeder en voormalig pleegmoeder van de kleinzoon, die onder toezicht is gesteld. De rechtbank heeft toestemming verleend tot wijziging in het verblijf van de kleinzoon van het pleeggezin van klaagster naar een neutraal pleeggezin.

lees verder

Klacht van grootmoeder/voormalig pleegmoeder over uitvoering ondertoezichtstelling, te weten gebrek aan inzet om netwerkpleegzorg te laten slagen, en de bejegening. Het College beslist dat de klacht ongegrond is.

Zaaknummer: 16.101Ta
Datum beslissing: 4 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is grootmoeder en voormalig pleegmoeder van de kleinzoon, die onder toezicht is gesteld. De rechtbank heeft toestemming verleend tot wijziging in het verblijf van de kleinzoon van het pleeggezin van klaagster naar een neutraal pleeggezin.

lees verder

Beklaagde is onvolledig geweest in haar verslaglegging, de maatregel van waarschuwing wordt opgelegd

Zaaknummer: 16.098T
Datum beslissing: 4 mei 2017
Oordeel: Klachtonderdelen I, IV en V ongegrond, klachtonderdeel II niet-ontvankelijk, klachtonderdeel III deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, klachtonderdeel VI gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster en haar partner zijn sinds 2009 pleegouders van de jeugdige. In juni 2015 hebben klaagster en beklaagde tijdens een uitvoerdersoverleg kennis gemaakt. In augustus 2015 heeft de pleegzorgwerker te kennen gegeven dat de samenwerking met de pleegouders niet goed is. Eind september 2015 heeft de gecertificeerde instelling (hierna: GI) de pleegzorgovereenkomst beëindigd met klaagster en haar partner. Sinds januari 2016 is de pleegzorgbegeleiding overgedragen aan een andere GI.

lees verder

Klacht van vader over begeleiding traject voor gescheiden ouders, inzake bejegening, onpartijdigheid en niet kunnen verstrekken van eerste versie van verslag. Het College verklaart de klacht ongegrond.

Zaaknummer: 16.127T
Datum beslissing: 4 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en zijn ex-partner zijn uit elkaar. Klager had al enige tijd geen omgang met zijn minderjarige kinderen. De rechtbank heeft bepaald dat ouders dienen deel te nemen aan een traject van een jeugdhulpaanbieder voor gescheiden ouders. Beklaagde, jeugdhulpverlener, is begeleidster en contactpersoon voor ouders in dit traject.

lees verder

Moeder klaagt over zeer ondeugdelijk uitvoeren van raadsonderzoek. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 16.116Ta/Tb
Datum beslissing: 28 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder klaagt over het handelen van twee raadsonderzoekers. De raadsonderzoekers zijn belast geweest met de uitvoering van het raadsonderzoek naar de meest wenselijke hoofdverblijfplaats en gezagsvoorziening voor de zoon. Daarnaast is gelijktijdig het raadsonderzoek naar de voorlopige ondertoezichtstelling van de zoon uitgevoerd. De gemotiveerde klachten gaan er onder andere over dat de raadsonderzoekers zeer ondeugdelijk onderzoek hebben uitgevoerd, De raadsonderzoekers hebben de klachtonderdelen gemotiveerd weersproken.

lees verder

Beklaagde heeft onvoldoende gecommuniceerd met klager en niet van zich laten horen; klager werd schriftelijk geconfronteerd met de overdracht aan LET-JB

Zaaknummer: 16.084Ta
Datum beslissing: 13 april 2017
Oordeel: deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en ex-partner zijn sinds 2010 in een complexe scheiding. Sinds oktober 2012 is JB[...] betrokken na een melding van huiselijk geweld van klager richting zijn ex-partner in het bijzijn van de dochter. In augustus 2014 is het kind onder toezicht gesteld waarna JB[...] belast is met de uitvoering daarvan. In januari 2015 is deze uitvoering overgedragen het LET-JB. In mei 2015 is vader in voorlopige hechtenis genomen waarna op 9 mei 2015 een machtiging tot uithuisplaatsing van het kind is verleend. Deze machtiging is voor één jaar uitgesproken en daarna verlengd. Beklaagde is betrokken geweest van augustus 2014 tot januari 2015.

lees verder

Tijdens de UHP van de dochter heeft de jeugdprofessional beroepsmatig juist gehandeld

Zaaknummer: 16.084Tb
Datum beslissing: 13 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en ex-partner zijn sinds 2010 in een complexe scheiding. Sinds oktober 2012 is JB[...] betrokken na een melding van huiselijk geweld van klager richting zijn ex-partner in het bijzijn van de dochter. In augustus 2014 is het kind onder toezicht gesteld waarna JB[...] belast is met de uitvoering daarvan. In januari 2015 is deze uitvoering overgedragen aan het LET-JB. In mei 2015 is vader in voorlopige hechtenis genomen waarna op 9 mei 2015 een machtiging tot uithuisplaatsing (uhp) van het kind is verleend. Deze machtiging is voor één jaar uitgesproken en daarna verlengd. Beklaagde is betrokken geweest van januari 2015 tot juli 2016 met betrekking tot zorg vanuit het LET-JB.

lees verder

Tijdens de UHP van de dochter heeft de jeugdprofessional beroepsmatig juist gehandeld

Zaaknummer: 16.084Tc
Datum beslissing: 13 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en ex-partner zijn sinds 2010 in een complexe scheiding. Sinds oktober 2012 is JB[...] betrokken na een melding van huiselijk geweld van klager richting zijn ex-partner in het bijzijn van de dochter. In augustus 2014 is het kind onder toezicht gesteld waarna JB[...] belast is met de uitvoering daarvan. In januari 2015 is deze uitvoering overgedragen aan het LET-JB. In mei 2015 is vader in voorlopige hechtenis genomen waarna op 9 mei 2015 een machtiging tot uithuisplaatsing (uhp) van het kind is verleend. Deze machtiging is voor één jaar uitgesproken en daarna verlengd. Beklaagde is betrokken geweest van januari 2015 tot juli 2016 met betrekking tot zorg vanuit het LET-JB.

lees verder

Vader klaagt over onzorgvuldig handelen jeugdbeschermer. Het College verklaart alle klachtonderdelen gegrond en legt een maatregel van berisping op.

Zaaknummer: 16.123T
Datum beslissing: 13 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt over onzorgvuldig handelen van jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer is in het kader van een zogenoemd ‘drangtraject’ betrokken bij de vader, zijn kinderen en de moeder (met wie de vader niet meer samen is). Het College verklaart alle klachtonderdelen gegrond en legt een maatregel van berisping op.

lees verder

Klacht betreffende uitvoering ondertoezichtstelling en inzet jeugdhulp binnen ondertoezichtstelling

Zaaknummer: 16.057Ta
Datum beslissing: 7 april 2017
Oordeel: klachtonderdelen deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager vormt een gezin met de dochter van zijn ex-partner, over wie hij het gezag heeft. Zijn ex-partner kan niet voor de dochter zorgen. De GI is al langere tijd bij de dochter betrokken, thans door middel van een ondertoezichtstelling. Er is een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter bij klager.

lees verder

Klacht betreffende uitvoering ondertoezichtstelling en inzet jeugdhulp binnen ondertoezichtstelling

Zaaknummer: 16.057Tb
Datum beslissing: 7 april 2017
Oordeel: Klager in klachtonderdelen n-o, een klachtonderdeel gegrond en de andere klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager vormt een gezin met de dochter van zijn ex-partner, over wie hij mede het gezag heeft. Zijn ex-partner kan niet voor de dochter zorgen. De GI is al langere tijd bij de dochter betrokken, thans door middel van een ondertoezichtstelling. Er is een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter bij klager. Beklaagde zet een intensieve vorm van jeugdhulp in het gezin van klager in.

lees verder

Klacht betreffende melding van jeugdprofessional bij Veilig Thuis

Zaaknummer: 15.104T
Datum beslissing: 7 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager ging naar de politie om een onderzoeksrapport van de pleegzorgorganisatie over zijn dochter te verkrijgen, en wilde om die reden aangifte doen. Klager werd in gesprek met de politie geconfronteerd met beklaagde, in dienst van de GI, als liaison werkzaam bij de politie. Beklaagde maakte zich vervolgens evenals de politie zorgen over de dochter van klager en deed een melding bij Veilig Thuis

lees verder

Moeder en stiefvader klagen over het handelen van gezinsvoogd. Klachten zijn ongegrond.

Zaaknummer: 16.011T
Datum beslissing: 7 april 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Op 9 oktober 2014 is de (stief)zoon van klagers onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is uitgesproken met als doel dat wordt bereikt dat de zoon weer naar school gaat. Op 15 maart 2015 is de ondertoezichtstelling met een half jaar verlengd en is de Raad voor de Kinderbescherming gemachtigd tot uithuisplaatsing van de zoon in een pleeggezin. Beklaagde is opgetreden als gezinsvoogd. Het College van Toezicht (CvT) heeft beide klagers als belanghebbend aangemerkt en heeft daarbij overwogen dat klaagster ouder met gezag is van zoon en dat klager voorafgaand aan de indiening van de klacht gedurende twee jaar met klaagster en met zoon een gezin heeft gevormd.

lees verder

Vader verwijt gezinsvoogdijwerker dat zij afspraken niet nakomt, vader niet informeert en klachten van vader zelf afhandelt. Klacht is deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.

Zaaknummer: 16.059T
Datum beslissing: 7 april 2017
Oordeel: deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van [jeugdige]. [Jeugdige] woont bij moeder. Tot het gezin van moeder en [jeugdige] behoren ook [jeugdige’s] twee halfzussen en halfbroer, over wie klager geen gezag heeft. [Jeugdige] heeft in de periode van 7 november 2014 tot 18 mei 2016 onder toezicht gestaan van een gecertificeerde instelling. Sinds 22 oktober 2015 is beklaagde betrokken als gezinsvoogdijwerker bij de halfzussen en -broers van [jeugdige] Vanaf 19 april 2016 tot en met 18 mei 2016 is beklaagde ook de gezinsvoogdijwerker van [jeugdige]. Klager heeft op 11 mei 2016 zijn klaagschrift ingediend.

Klacht:
Ten eerste verwijt klager beklaagde dat zij zich niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken en niet reageert op afspraken of bezwaren. Ten tweede verwijt klager beklaagde dat zij klachten van klager zelf afhandelt in plaats van de klachten- of bezwarencommissie in te schakelen. Ten derde klaagt klager dat beklaagde gemaakte afspraken met klager omtrent de aanpassing van het Plan van Aanpak niet is nagekomen. Klager had namelijk naar aanleiding van de gemaakte afspraken het door hem ingediende verzoekschrift ingetrokken. Nu beklaagde uiteindelijk de gemaakte afspraken niet is nagekomen heeft beklaagde klager het recht ontnomen om een juridisch oordeel door de rechtbank te laten vellen over het handelen van klager. Ten vierde verwijt klager beklaagde dat zij niet werkt volgens de Jeugdwet. Ten vijfde klaagt klager dat beklaagde gesprekken met derden is aangegaan zonder klager van te voren te informeren en zonder de vereiste toestemming van klager. Ten zesde verwijt klager beklaagde dat zij structureel heeft verzuimd klager te infomeren over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Tot slot verwijt klager beklaagde dat zij heeft nagelaten een Plan van Aanpak op te stellen.

Beslissing:
Het College van Toezicht (CvT) heeft klachtonderdelen één tot en met zes tezamen genomen. Het
Klager is de vader van [jeugdige]. [Jeugdige] woont bij moeder. Tot het gezin van moeder en [jeugdige] behoren ook [jeugdige’s] twee halfzussen en halfbroer, over wie klager geen gezag heeft. [Jeugdige] heeft in de periode van 7 november 2014 tot 18 mei 2016 onder toezicht gestaan van een gecertificeerde instelling. Sinds 22 oktober 2015 is beklaagde betrokken als gezinsvoogdijwerker bij de halfzussen en -broers van [jeugdige] Vanaf 19 april 2016 tot en met 18 mei 2016 is beklaagde ook de gezinsvoogdijwerker van [jeugdige]. Klager heeft op 11 mei 2016 zijn klaagschrift ingediend.

lees verder

Vader verwijt gezinsvoogd dat hij niet heeft gehandeld volgens de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Klacht ongegrond.

Zaaknummer: 16.068T
Datum beslissing: 30 maart 2017
Oordeel: klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft uit een inmiddels ontbonden huwelijk twee zonen, H. en Z. De kinderen staan sinds 23 april 2014 onder toezicht. Beklaagde is van 2 maart 2015 tot 28 september 2015 als gezinsvoogd van de kinderen opgetreden. In april 2015 heeft het R. een onderzoek aangevraagd ten aanzien van klager, moeder, H. en Z. Het doel van het onderzoek was duidelijkheid te verkrijgen over belemmerende factoren in de communicatie tussen klager en moeder, over het niet op gang komen van de omgang tussen klager en de kinderen, en om te bezien welke omgang in het belang van de kinderen was. Dit onderzoek heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden. Op 21 mei 2015 was een gesprek gepland tussen klager, moeder en beklaagde. Klager heeft deze afspraak afgezegd wegens gezondheidsredenen. Klager heeft een afspraak op 9 juni 2015 wederom afgezegd wegens gezondheidsredenen. Op 24 juni 2015 heeft beklaagde moeder gemaild met het advies om aangifte te doen van smaad, laster en persoonlijke beschadiging van Z. en H. Beklaagde heeft tevens voorgesteld om in een gesprek met de kinderen hen de mogelijkheid te bieden om aangifte te doen tegen klager.

lees verder

Beklaagde heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het niet verstrekken van een verzendbevestiging ten aanzien van een schriftelijke aanwijzing

Zaaknummer: 16.088T
Datum beslissing: 24 maart 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en zijn ex-partner is de verstandhouding verstoord. Beklaagde is na het uitspreken van de OTS als gezinsvoogd betrokken geraakt bij het gezin. De OTS is uitgesproken onder andere omdat er knopen moesten worden doorgehakt waar het gaat om het maken van afspraken. Beklaagde heeft meerdere keren aan klager een schriftelijke aanwijzing gegeven ter uitvoering van de OTS. Ten aanzien van de eerste schriftelijke aanwijzing is het onduidelijk of deze klager heeft bereikt.

lees verder

De maatregel van berisping wordt opgelegd nu de betreffende gezinsvoogd de kinderen op school, zonder enige professionele nazorg, op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen tot uithuisplaatsing

Zaaknummer: 16.037T
Datum beslissing: 7 februari 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV en VI ongegrond klachtonderdeel V deels gegrond
Maatregel: Berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster dient een klacht in over de betrokken gezinsvoogd. Beklaagde zou slechts handelen in belang van vader en daarmee het belang van moeder en de kinderen uit het oog zijn verloren. Tevens dient klaagster een klacht in over de gebruikte rapporten, die onjuistheden bevatten. Voorts heeft beklaagde klaagster niet laten uitpraten en haar mening aan klaagster willen opdringen. Tot slot heeft beklaagde niet juist gehandeld bij het verzoek tot uithuisplaatsing, met name is het informeren van de betrokkenen niet juist gegaan.

lees verder

De maatregel van voorwaardelijke schorsing wordt opgelegd omdat beklaagde zonder overleg met collega’s het verzoek tot verlenging OTS en UHP ter zitting heeft ingetrokken en geen melding heeft gedaan bij de Centrale Overheid in Engeland

Zaaknummer: 16.097Ta
Datum beslissing: 7 februari 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Voormalige pleegouders van de vierjarige X. dienen een klacht in tegen beklaagde omdat hij – zes dagen na zijn betrokkenheid als (nieuwe) gezinsvoogd – het ingediende verzoek van de GI, te weten verlening OTS en verlenging UHP van X. bij pleegouders, ter zitting heeft ingetrokken. Met als gevolg dat X. is teruggeplaatst bij zijn moeder en stiefvader in Engeland. Beklaagde heeft nagelaten een vangnet voor het kind te creëren. Dit terwijl X. minder dan een jaar daarvoor met spoed uit huis geplaatst was, vanwege de zeer verwaarloosde en gevaarlijke opvoedomgeving waarin hij zich bevond. Naar de thuissituatie van de moeder en stiefvader in Engeland heeft geen degelijk onderzoek plaatsgevonden. Noch is de Centrale Autoriteit (CA) op de hoogte gesteld. Noch heeft beklaagde overleg gehad met collega’s over X. dan wel over de verzoeken die voorlagen.

lees verder

De maatregel van berisping wordt opgelegd omdat beklaagde de door haar gedane toezegging aan klagers niet is nagekomen, te weten dat een onderzoek naar de thuissituatie van hun voormalig pleegkind zou worden aangevraagd bij de Centrale Autoriteit in Engeland

Zaaknummer: 16.097Tb
Datum beslissing: 7 februari 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Voormalige pleegouders van de vierjarige X. dienen een klacht in tegen beklaagde omdat zij – als leidinggevende van de gezinsvoogd (beklaagde in zaak 16.097Ta) – nalatig geweest is in het houden van toezicht op het dossier van X. Ook is zij de door haar gedane toezegging tijdens het bemiddelingsgesprek met klagers niet nagekomen. Het CvT heeft echter niet kunnen vaststellen dat beklaagde leidinggevende is geweest van de beklaagde in de a-zaak. Wel heeft beklaagde tijdens het bemiddelingsgesprek met klagers de toezegging gedaan dat er een onderzoek zou worden aangevraagd bij de Centrale Autoriteit (CA) in Engeland, dit onderzoek is echter nooit in gang gezet. Evenmin heeft beklaagde de inhoud van het telefoongesprek dat zij met klagers heeft gevoerd, overgebracht aan de leidinggevende van de gezinsvoogd. Zij heeft voorts nagelaten klagers te informeren over de behandeling van de verlenging van de OTS en UHP.

lees verder

Grootouder klaagt over een jeugdzorgmedewerker van Jeugdzorg, die onzorgvuldig zou hebben gehandeld met de mogelijke uithuisplaatsing van het kind

Zaaknummer: 16.103T
Datum beslissing: 3 februari 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient een klacht bestaande uit meerdere klachtonderdelen in over de jeugdzorgmedewerker van Jeugdzorg, die onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij de mogelijke uithuisplaatsing van het kind. Klager verwijt beklaagde onder andere dat er onzorgvuldig is gehandeld jegens de gemeente. Tevens wordt beklaagde verweten dat er een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft plaats gevonden nu de betreffende machtiging daarvoor reeds was verlopen. Tot slot wordt beklaagde in verschillende onderdelen verweten dat het handelen op 16 juni 2016 niet acceptabel is geweest.

lees verder

Beklaagde zou onzorgvuldig hebben gehandeld als jeugdbeschermer van een gezin met tien kinderen

Zaaknummer: 16.051T
Datum beslissing: 27 januari 2017
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van tien kinderen, is sinds 2006 in aanraking met jeugdbescherming. Beklaagde is sinds maart 2015 betrokken bij het gezin als jeugdbeschermer in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS). Klaagster verwijt beklaagde onzorgvuldig te hebben gehandeld in de periode waarbij zij betrokken was bij het gezin. De klacht is ingediend in elf klachtonderdelen, welke door het CvT allemaal ongegrond worden verklaard.

lees verder

Klacht in 14 onderdelen over de wijze waarop de gezinsmanager de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft uitgevoerd

Zaaknummer: 16.083T
Datum beslissing: 27 januari 2017
Oordeel: klachtonderdeel D gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt (in totaal in 14 onderdelen) over betrokken gezinsmanager. Klager heeft sinds maart 2016 geen contact meer met zijn kinderen en hij is ontevreden over onder andere het verloop van de ondertoezichtstelling en de terugplaatsing van de kinderen bij moeder en stiefvader. Beklaagde heeft met betrekking tot de herformulering van vragen die bij de psychologenpraktijk waren neergelegd, nagelaten klager hierover te informeren. Vanwege het nalaten klager hierover te informeren, verklaart het CvT dat betreffende klachtonderdeel, te weten klachtonderdeel D, gegrond. De overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Er wordt door het CvT afgezien van oplegging van een maatregel.

lees verder

De gezinsmanager heeft niet onder alle omstandigheden de regie in eigen hand gehouden en heeft daardoor onvoldoende gehandeld in belang van de kinderen

Zaaknummer: 16.033Ta
Datum beslissing: 24 januari 2017
Oordeel: klachtonderdelen A, C, F, G en H ongegrond klachtonderdelen B, D en E gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van twee kinderen. De ouders van de kinderen hebben te maken met echtscheidingsproblematiek. De hoofdverblijfplaats en het eenhoofdig gezag zijn bij moeder. Na een zorgmelding bij de politie is beklaagde in 2013 aangesteld als gezinsmanager. Beklaagde heeft niet onder alle omstandigheden de regie gehouden. Beklaagde heeft de kinderen niet aangemeld zoals afgesproken bij een specialist in kinder- en jeugdpsychiatrie. Het CvT oordeelt dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan ten aanzien van de behandeling van de kinderen en legt de maatregel van berisping op.

lees verder

Vervangende gezinsmanager wordt verweten dat het conceptplan voor contactopbouw niet is overhandigd aan klager tijdens de OTS-zitting

Zaaknummer: 16.033Tb
Datum beslissing: 24 januari 2017
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van twee kinderen. De ouders van de kinderen hebben te maken met echtscheidingsproblematiek. De hoofdverblijfplaats en het eenhoofdig gezag zijn bij moeder. Beklaagde is een gezinsmanager die tijdens een zitting op 5 januari 2016 bij de kinderrechter in het kader van een OTS haar college heeft vervangen. Klager dient meerdere klachten in tegen beklaagde welke allemaal te maken hebben met deze zitting. Het CvT beperkt zich bij de klacht tot de kern van het klachtonderdeel bestaande uit het niet overhandigen van het door moeder opgestelde plan tot contactopbouw.

lees verder

Gezinsmanager wordt door klager verweten de privacy te hebben geschonden en niet mee te hebben gewerkt aan de juiste procesvoering bij de rechtbank en het aanvragen van financiering bij de gemeente

Zaaknummer: 16.033Tc
Datum beslissing: 24 januari 2017
Oordeel: klachtonderdelen A, B, D, E, F, G, H, I en J ongegrond klachtonderdeel C niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is als gezinsvoogd betrokken geweest bij het gezin van klager. Klager heeft meerdere klachtonderdelen onvoldoende geconcretiseerd waardoor deze volgens het CvT niet vast staan. Voor de klacht over de privacy van de hulpverlening ontbreekt de machtiging van belanghebbende waardoor klager, zelf niet belanghebbende, niet-ontvankelijk is. Voor de overige klachten heeft beklaagde voldoende weerlegt dat geen sprake is van onheuse behandeling dan wel schending van de privacy van klager op enige manier

lees verder

Klacht in veertien onderdelen over de wijze waarop de gezinsmanager de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft uitgevoerd

Zaaknummer: 16.083T
Datum beslissing: 24 januari 2017
Oordeel: klachtonderdeel D gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Vader klaagt (in totaal in veertien onderdelen) over betrokken gezinsmanager. Klager heeft sinds maart 2016 geen contact meer met zijn kinderen en hij is ontevreden over onder andere het verloop van de ondertoezichtstelling en de terugplaatsing van de kinderen bij moeder en stiefvader. Beklaagde heeft met betrekking tot de herformulering van vragen die bij de psychologenpraktijk waren neergelegd, nagelaten klager hierover te informeren. Vanwege het nalaten klager hierover te informeren, verklaart het CvT dat betreffende klachtonderdeel, te weten klachtonderdeel D, gegrond. De overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Er wordt door het CvT afgezien van oplegging van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen medewerker van Veilig Thuis wordt gegrond verklaard omdat beklaagde bewust een vraag gesteld heeft aan de dochter van klaagster over de – geheime – zwangerschap van klaagster

Zaaknummer: 16.073T
Datum beslissing: 24 januari 2017
Oordeel: klacht gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft een kind gekregen dat zij bij de geboorte heeft afgestaan. Veilig Thuis heeft tijdens de zwangerschap van klaagster een onderzoek naar de andere kinderen in het gezin gedaan, vanwege veelvuldig schoolverzuim. Het voornemen van klaagster om afstand te doen van de toen nog ongeboren baby is door alle betrokken instanties als geheim gedocumenteerd, beklaagde was hiervan op de hoogte. De maatregel van berisping wordt aan beklaagde opgelegd, omdat beklaagde bewust aan de dochter van klaagster de vraag gesteld heeft of de zwangerschap van klaagster de reden kon zijn van het schoolverzuim. De dochter was echter niet op de hoogte van de zwangerschap.

lees verder

Klaagster verwijt beklaagde dat zij bij de uithuisplaatsing van de kinderen onvoldoende heeft samengewerkt waardoor klaagster buitenspel is komen te staan

Zaaknummer: 15.094Tc
Datum beslissing: 24 januari 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster stelt dat zij vele pogingen heeft ondernomen om met beklaagde samen te werken maar dat de samenwerking niet van de grond is gekomen. Zij had daardoor als moeder geen rol meer ten aanzien van haar kinderen en de kinderen zijn ten onrechte uit huis geplaatst.
De klacht wordt op alle onderdelen ongegrond verklaard.

lees verder

Klaagster dient een klacht in tegen gezinsvoogd over de wijze waarop de OTS en machtiging tot UHP is uitgevoerd, één klachtonderdeel wordt (deels) gegrond verklaard: de maatregel van waarschuwing wordt opgelegd

Zaaknummer: 16.035T
Datum beslissing: 13 januari 2017
Oordeel: klachtonderdeel II (deels) gegrond, klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft volgens klaagster op verschillende punten, met name inzake de uitoefening van de OTS en het verzoek tot de machtiging UHP betreffende de zoon van de klaagster, onrechtmatig gehandeld. Tevens verwijt klaagster beklaagde ervan discriminerend te handelen vanwege het consequent misgenderen van klaagster en haar partner.

lees verder

Klacht tegen een jeugdzorgwerker van Veilig Thuis in verband met een onderzoek naar aanleiding van anonieme zorgmelding, deels gegrond, waarschuwing

Zaaknummer: 16.072T
Datum beslissing: 9 januari 2017
Oordeel: klachtonderdelen I en II gegrond, onderdeel III ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Naar aanleiding van een anonieme zorgmelding waarin onder andere werd gesproken over klaagsters buiten spelende kinderen heeft beklaagde een onderzoek uitgevoerd naar het gezin van klaagster. Hoewel in het verleden (meerdere) zorgen over het gezin aanwezig waren, is gebleken dat onder andere de school aangegeven heeft dat de ontwikkelingen in het afgelopen jaar positief veranderd zijn. Beklaagde heeft in de definitieve rapportage vrijwel enkel zorgen benoemd en geen krachten.

lees verder

Moeder klaagt over een gedragswetenschapper werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, die geen rechtstreeks contact met moeder en haar dochter heeft gehad

Zaaknummer: 16.080T
Datum beslissing: 2 januari 2017
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster dient een klacht in over een gedragswetenschapper van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: Raad). Beklaagde is niet rechtstreeks betrokken (geweest), maar doet wel uitspraken over de dochter van klaagster. Tevens is geklaagd over het niet voldoen aan de functievereisten voor gedragsdeskundigen, die gelden bij de Raad. Klaagster wenst tot slot dat beklaagde vervangen wordt door iemand anders.

lees verder