Zowel vader als gezinsvoogd in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het beroep van de gezinsvoogd slaagt deels, desondanks handhaaft het College van Beroep de opgelegde maatregel van waarschuwing.

Zaaknummer: 18.006Ba (17.049Ta)
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De vader heeft bij het College van Toezicht acht klachtonderdelen ingediend over het handelen van een gezinsvoogd die in het kader van een ondertoezichtstelling bij de ouders en de kinderen, twee minderjarige dochters, betrokken is geweest. Vier van de acht klachtonderdelen zijn deels gegrond en vier klachtonderdelen ongegrond verklaard door het College van Toezicht. Aan de gezinsvoogd is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In beroep falen alle grieven die de vader tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Van de gezinsvoogd slaagt een ingediende grief. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht ten onrechte heeft geoordeeld dat de gezinsvoogd een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld en daarmee voorbij is gegaan aan een wettelijke bepaling. De gezinsvoogd had een regeling vastgesteld voor de ouders nu deze er onderling niet uitkwamen en de betreffende vakanties bijna begonnen. Het College van Beroep vindt het passen bij de taak die de gezinsvoogd had, in het door de kinderrechter opgelegde kader, om in dergelijke gevallen ‘de knoop door te hakken’ indien blijkt dat ouders er onderling niet uitkomen. Het verdient wel de aanbeveling om dergelijke beslissingen in een schriftelijke aanwijzing vast te leggen, hetgeen de gezinsvoogd tijdens de mondelinge behandeling van het beroep reflecterend op zijn handelen heeft erkend. Het College van Beroep is echter van oordeel dat het hier gaat om handelen dat beter had gekund en dat er ten aanzien van dit klachtonderdeel aldus geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het College van Beroep heeft oog voor de complexe casus met tegenstrijdige belangen waarin de gezinsvoogd heeft moeten handelen. Ondanks dat het College van Beroep een klachtonderdeel alsnog ongegrond heeft verklaard, ziet het geen aanleiding de door het College van Toezicht opgelegde maatregel in te trekken. Er is gebleken dat het handelen van de gezinsvoogd schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening door de gezinsvoogd. De gezinsvoogd heeft daarentegen wel gereflecteerd op zijn handelen en erkend dat zijn handelen ten aanzien van enkele klachtonderdelen achteraf bezien mogelijk beter had gekund. Het College van Beroep is echter van oordeel dat, gelet op het feit dat er drie klachtonderdelen (deels) gegrond zijn verklaard, de gezinsvoogd een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en derhalve het handhaven van de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing passend en geboden is.

lees verder

Klachtonderdelen gegrond tegen de ambulant hulpverlener over het niet (h)erkennen van de grenzen van haar eigen expertise, het opstellen van een tussentijds verslag ten behoeve van een juridische procedure op verzoek van een ouder zonder daarover te communiceren met de ander, en het niet informeren over de wijze van verslaglegging. De maatregel van berisping wordt opgelegd.

Zaaknummer: 18.101T
Datum beslissing: 31 december 2018
Oordeel: klachtonderdeel I, II en VI ongegrond, klachtonderdeel III, IV en V gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.
Klager, de vader van een zoon, heeft tegen een ambulant werker een klacht bestaand uit zes onderdelen ingediend. De ex-partner van klager heeft, vanwege de echtscheidingsproblematiek tussen hen, voor de zoon een aanvraag gedaan voor een bepaalde module. Beklaagde is de medewerker die deze module uitvoert. Klager dient, kort samengevat, de volgende klachtonderdelen in: de hulpverlening is gestart zonder toestemming van klager (klachtonderdeel I), partijdigheid (klachtonderdeel II), het regelen van een aangepaste verwijsbrief (klachtonderdeel III), het opstellen van een tussentijds verslag (klachtonderdeel IV), het niet informeren over de wijze van verslaglegging (klachtonderdeel V) en de afronding van de hulpverlening (klachtonderdeel VI). Klachtonderdelen III, IV en V verklaart het College gegrond.

Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen III en IV. Met betrekking tot klachtonderdeel III oordeelt het College dat beklaagde de grenzen van haar eigen expertise niet (h)erkend heeft vanwege het verzoek dat zij aan de huisarts gedaan heeft om de verwijsbrief ten behoeve van de hulpverlening voor de zoon te laten wijzigen, zodat zij de hulpverlening kon uitvoeren. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde onjuist gehandeld. Op het moment dat zij inzag had dat zij niet over de gevraagde expertise beschikte, had zij niet de huisarts om een aangepaste verwijsbrief moeten vragen, maar had zij de casus niet mogen aannemen. Ten aanzien van klachtonderdeel IV is het College van oordeel dat beklaagde op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde heeft op verzoek van de moeder een verslag opgesteld, welke door haar in een kortgeding procedure tussen de ouders is ingebracht. Het College neemt het beklaagde zeer kwalijk dat beklaagde direct aan het verzoek van de moeder heeft voldaan, zonder klager hierbij te betrekken. In het verslag is daarnaast een onderdeel van de hulpverlening, waarvoor klager geen toestemming verleend had, als zijnde een belangrijk punt beschreven. Tot slot heeft beklaagde erkend dat zij, in een telefoongesprek met klager, in eerste instantie ontkennend heeft geantwoord op zijn vraag of zij het tussentijdse verslag op verzoek van de moeder geschreven had. Het handelen ten aanzien van de drie gegronde klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

Gelet op de gegeven omstandigheden, het verwijtbaar handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen en gelet op de ernst van het handelen van beklaagde voor wat betreft klachtonderdeel IV, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Vader in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep verklaart het beroepschrift deels gegrond, onder andere vanwege het verstrekken van informatie na het beëindigen van de ondertoezichtstelling. Er is sprake van een schending van artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en aan de jeugdbeschermer wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Zaaknummer: 18.017B (18.016T)
Datum beslissing: 20 december 2018
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Een vader heeft bij het College van Toezicht een klacht ingediend, bestaande uit acht klachtonderdelen, over een jeugdbeschermer die in het kader van de uitvoering van een ondertoezichtstelling betrokken was. Het College van Toezicht heeft een klachtonderdeel gegrond verklaard en voor het overige de klacht van de vader ongegrond verklaard. Vader is in beroep gegaan tegen de gehele beslissing van het College van Toezicht. Ten aanzien van drie klachtonderdelen/grieven is de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep nu de grieven niet voldoende zijn onderbouwd of het klachtonderdeel reeds door het College van Toezicht gegrond is verklaard waardoor hiertegen beroep instellen niet mogelijk is.

Het College van Beroep heeft – naast klachtonderdeel V dat reeds door het College van Toezicht gegrond is verklaard – de klachtonderdelen I en VIII alsnog gegrond verklaard en aan de jeugdbeschermer de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat klachtonderdeel I – dat betrekking heeft op onjuiste en negatieve beeldvorming over de vader – ongegrond is nu dit klachtonderdeel reeds door de klachtencommissie gegrond is verklaard en de jeugdbeschermer haar excuses hiervoor heeft aangeboden. Het College van Beroep is echter van oordeel dat een verantwoording bij de klachtencommissie en het eventueel (meermalen) aanbieden van excuses, geen invloed kan hebben op het al dan niet gegrond verklaren van een klachtonderdeel. Een behandeling bij een klachtencommissie en eventuele excuses of reflectie doet immers niet af aan het feit dat een jeugdprofessional bij zijn handelen mogelijk niet is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College van Beroep verklaart dit klachtonderdeel dan ook alsnog gegrond.

Klachtonderdeel VIII is door het College van Beroep gegrond verklaard nu gebleken is dat er na de beëindiging van de ondertoezichtstelling informatie is verstrekt over de oudste dochter aan een hulpverleningsinstelling. Nu de ondertoezichtstelling al was beëindigd had de jeugdbeschermer hiervoor toestemming moeten hebben van de gezaghebbende ouder indien het noodzakelijk werd geacht om informatie uit te wisselen. Door dit niet te doen heeft de jeugdbeschermer in strijd met artikel J van de Beroepscode gehandeld.

lees verder

Klacht tegen de onderzoeker van Veilig Thuis, dat er geen onderbouwing is gegeven waarom Veilig Thuis de gemelde zorgen van klager niet deelde, dat klager als vader en melder niet betrokken is, dat hij in het Veiligheidsplan is neergezet als dader en tot slot dat in het Veiligheidsplan vermeld staat dat hij schuldig is bevonden aan moord.

Zaaknummer: 18.070T
Datum beslissing: 20 december 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van een dochter. Klager en de moeder zijn uit elkaar. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter. De dochter heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en er is een omgangsregeling met klager. De moeder heeft met een eerdere partner een zoon. De dochter en de zoon worden samen aangeduid als: de kinderen. Veilig Thuis heeft een triage uitgevoerd en besloten dat er een onderzoek uitgevoerd dient te worden om meer zicht te krijgen op de kinderen. Beklaagde is casusmanager geworden. Klager heeft vier klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op de relevante klachtonderdelen I en IV.

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat er geen onderbouwing is gegeven waarom Veilig Thuis de gemelde zorgen van klager niet deelde. Het College ziet in het Veiligheidsplan terug dat daarin zowel zorgen als krachten zijn gesignaleerd. De zorgen zijn voldoende duidelijk omschreven en er zijn minimale eisen opgesteld om de veiligheid te bereiken. Beklaagde is naar het oordeel van het College evenwichtig te werk gegaan. Zij heeft klager gehoord, maar ook het verhaal van de moeder meegewogen. Voorts heeft beklaagde betrokkenen en informanten gehoord om het onderzoek zo compleet mogelijk te maken. Beklaagde heeft er kennelijk voor gekozen het netwerk van klager niet op te nemen in het onderzoek. Het College overweegt dat beklaagde dat had kunnen doen, maar daartoe niet verplicht is.

In het vierde klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat in het Veiligheidsplan vermeld staat dat klager een belast verleden heeft en schuldig is bevonden aan moord. Feitelijk is dat onjuist nu klager schuldig is bevonden aan doodslag. Beklaagde heeft erkend dat het verleden van klager in eerste instantie niet correct is weergegeven. Doordat klager echter niet met beklaagde in gesprek is gegaan over het Veiligheidsplan, heeft hij beklaagde pas drie maanden na afronding van het onderzoek, tijdens de eerste monitoring gewezen op deze omissie. Het College begrijpt dat te term ‘moord’ in het Veiligheidsplan klager onaangenaam heeft verrast, maar begrijpt daarom niet dat klager drie maanden heeft gewacht om hier op te reageren. Nu beklaagde direct nadat zij van deze omissie op de hoogte is gebracht alles in het werk heeft gesteld het mogelijke nadeel voor klager te keren en meerdere keren haar excuses aan klager heeft aangeboden, is het College van oordeel dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

lees verder

Moeder gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het beroepschrift is deels gegrond verklaard, nu verweerster informatie heeft opgevraagd bij een school zonder toestemming van de moeder. Het College van Beroep heeft geen maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 18.016B (18.021T)
Datum beslissing: 20 december 2018
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Appellante is moeder van twee kinderen, die sinds de ouders uit elkaar zijn bij de moeder wonen. Na een melding bij en een onderzoek door Veilig Thuis is de zaak overgedragen aan het wijkteam, alwaar verweerster betrokken raakte als jeugd- en gezinscoach.

Het beroepschrift richt zicht tegen de klachtonderdelen I t/m III, welke door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard. Klachtonderdeel I ziet onder andere op de vraag of verweerster zorgvuldig heeft gehandeld door informatie op te vragen bij de school van de kinderen nadat appellante telefonisch kenbaar had gemaakt te willen stoppen met de hulpverlening door verweerster. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel weegt het College van Beroep mee dat het in deze casus gaat om hulpverlening in het vrijwillig kader, wat beperkingen oplevert met betrekking tot de mogelijkheden en bevoegdheden van verweerster. Binnen het kader van vrijwillige hulpverlening is het mogelijk om hulp te verlenen en stevige suggesties te doen, maar kan niet (verder) worden gehandeld op het moment dat appellante daar niet meer mee instemt. Op het moment dat appellante aangaf geen hulp meer te willen, had verweerster zich moeten realiseren dat zij geen contact op mocht nemen met de school. Het College van Beroep verklaart dit gedeelte van klachtonderdeel I gegrond. In klachtonderdeel II verwijt appellante verweerster dat zij geen samenwerking heeft gezocht met haar. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld. Het College van Beroep weegt daarbij mee dat de opdracht vanuit Veilig Thuis voor beide partijen onduidelijk was, als gevolg waarvan een verschil in verwachtingen van het hulpverleningstraject is ontstaan. Desondanks is het College van Beroep van oordeel dat verweerster heeft gehandeld zoals van haar verwacht mocht worden. De grief faalt.

Klachtonderdeel III ziet op het volgende. Verweerster zou onzorgvuldig gehandeld hebben door een melding aan een GI niet vooraf aan appellante toe te sturen. Verweerster heeft appellante echter voor het versturen van de melding uitgenodigd voor een gesprek. Appellante heeft zelf gekozen niet naar dit gesprek te komen, waardoor zij zichzelf de mogelijkheid heeft ontnomen de melding vooraf in te zien. De grief faalt.

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat verweerster met betrekking tot klachtonderdeel I deels een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, maar ziet af van het opleggen van een maatregel. Hierbij neemt het College van Beroep in aanmerking dat verweerster inzicht heeft gegeven in haar handelen en dat zij handelde op basis van een zeer onduidelijke opdracht vanuit Veilig Thuis waardoor de samenwerking met appellante werd bemoeilijkt. Daarnaast gaat het hier om een eenmalige misslag, welke geen schade heeft opgeleverd voor appellante.

lees verder

Klager verwijt de gezinsvoogd dat zij niet goed omgaat met zijn zorgen over de veiligheid van de kinderen bij moeder, dat zij geen gespreksverslagen maakt, dat zij zonder zijn toestemming een gesprek heeft gevoerd met de school, dat klager en de jongste dochter door haar zijn geïntimideerd en gechanteerd, dat zij ophitsende uitspraken heeft gedaan en niet neutraal is geweest. Beklaagde doet een beroep op niet-ontvankelijkheid van klager wegens grensoverschrijdend gedrag. Klager is wel ontvankelijk.

Zaaknummer: 18.068T
Datum beslissing: 19 december 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van twee dochters. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door klager en moeder. De oudste dochter woont bij klager; de jongste dochter woont om en om een week bij klager en een week bij moeder. Beklaagde is als gezinsvoogd betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Klager heeft acht klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op de ontvankelijkheid en op de relevante klachtonderdelen I en V.

Omdat klager zich tegenover beklaagde grensoverschrijdend en dreigend heeft gedragen, vindt beklaagde dat klager zijn recht op klagen heeft verspeeld. Het College begrijpt dat beklaagde zich beroept op ‘rechtsverwerking’. Rechtsverwerking is gebaseerd op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Het tuchtrecht heeft naast het civiele recht (en bestuursrecht en strafrecht) een eigen terrein. Het is een zelfstandig rechtsgebied, met eigen procesrecht, normen en bewijsregels. In voorkomende gevallen kan aansluiting worden gezocht bij rechtsopvattingen uit andere rechtsgebieden, zoals bijvoorbeeld het civiele recht. De ontvankelijkheid van een bij SKJ ingediende tuchtklacht moet worden beoordeeld aan de formele vereisten van het Tuchtreglement van SKJ. Het College ziet daarin geen juridische gronden om tot niet-ontvankelijkheid te kunnen concluderen. Artikel 15.1 van het Tuchtreglement bevat een regeling over grievend en ongepast gedrag: “Al hetgeen ter kennis wordt gebracht van het college dient geen uitingen te bevatten waarvan in redelijkheid kan worden gezegd dat deze grievend zijn, dan wel ongepast zijn aan het adres van de partijen, de leden van het college en/of de secretaris. Indien sprake is van dergelijke uitingen zal de voorzitter een beslissing nemen die hem passend voorkomt. Partijen behouden daarbij het recht op een beslissing”. Dat laatste betekent dat partijen in een dergelijk geval het recht op een inhoudelijke beslissing behouden. Dat laatste dient het doel van het tuchtrecht. De begrenzing/bestraffing van een klager met zeer ongepast gedrag wordt (voorts) geboden door het civiele recht en/of het strafrecht. De voorzitter van het College heeft op grond van artikel 9.5 wel besloten partijen gescheiden te horen.

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat zij ondanks toezegging, niet aangeeft op welke wijze zij omgaat met de zorgen van klager over de mishandeling van de jongste dochter door moeder. Het College vermoedt dat er een verschil in visie en beleving ten grondslag ligt aan dit klachtonderdeel. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft gedaan om klager in zijn zorgen tegemoet te komen en heeft daarbij ook steeds gehandeld in het belang van de jongste dochter. In het vijfde klachtonderdeel gaat het erom dat beklaagde zonder toestemming van klager op school een gesprek heeft gevoerd met de jongste dochter. Nu beklaagde onbetwist heeft gesteld dat zij dit besluit weloverwogen en in overleg met haar collega’s heeft genomen en dat zij direct na het gesprek klager heeft geïnformeerd, heeft zij een zorgvuldige afweging gemaakt. Zij heeft hier naar het oordeel van het College de jongste dochter juist tot haar recht laten komen.

lees verder

Klacht tegen een schoolmaatschappelijk werker over haar betrokkenheid bij het besluit van de zoon om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen, terwijl dit op gespannen voet stond met de wettelijke regels rond het wijzigen van de hoofdverblijfplaats.

Zaaknummer: 18.056T
Datum beslissing: 18 december 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers verwijten, kort samengevat en zakelijk weergegeven, beklaagde dat zij buiten haar bevoegdheden heeft gehandeld door met de zoon mee te gaan in zijn plannen om naar moeder te verhuizen, terwijl dit op gespannen voet stond met de wettelijke regels rond het wijzigen van de hoofdverblijfplaats. Ook wil beklaagde de door haar gemaakte fouten niet erkennen en wil zij de gevolgen voor klagers hiervan niet inzien.

Het College is van oordeel dat beklaagde bevoegd was om met de zoon in gesprek te gaan. Beklaagde had echter over de vraagstelling van de zoon beperkte kennis. Het had daarom op de weg van beklaagde gelegen en op grond van de richtlijn ‘scheiding en problemen bij jeugdigen’ van haar mogen worden verwacht dat zij de juiste expertise had ingeschakeld, zicht had gekregen op relevante juridische kaders en beschikte over de aanwezige documentatie. Indien beklaagde na het verkrijgen van deze informatie tot de conclusie was gekomen dat het begeleiden van de zoon bij het wijzigen van zijn hoofdverblijfplaats buiten de grenzen van haar bevoegdheden lag, zij eerder had moeten opschalen naar passende hulpverlening. Doordat beklaagde dit heeft nagelaten en de zoon niet heeft gewezen op de beperkingen van zijn besluit valt haar dit tuchtrechtelijk te verwijten.
Voor het tweede gedeelte van de klacht, het niet erkennen van de door beklaagde gemaakte fouten en het inzien van de gevolgen, overweegt het College het volgende. Voor klagers ziet deze klacht op het tweede gesprek dat met klagers heeft plaats gevonden. Beklaagde is in dit gesprek voorbij gegaan aan de positie van klagers en het respecteren van hun opvoedingsvisie ten opzichte van de zoon. Ook heeft beklaagde tijdens dit gesprek de keuze gemaakt om het geplande overdrachtsgesprek naar het lokale team te verplaatsen ondanks dat beklaagde zich realiseerde dat deze overdracht zo spoedig mogelijk moest plaatsvinden. Het College is van oordeel dat beklaagde hier een onzorgvuldige afweging heeft gemaakt. Tot slot hebben klagers het gestelde dat beklaagde niet inziet wat de gevolgen van haar handelen zijn geweest niet nader onderbouwd. Het College kan dan ook niet vast stellen of en in hoeverre de ontstane gevolgen die klagers hebben toegelicht aan beklaagde zijn toe te rekenen. Wel staat vast dat beklaagde zorgvuldiger had moeten zijn ten tijde van haar betrokkenheid.

Door het handelen en nalaten van beklaagde ten tijde van haar betrokkenheid heeft zij naar het oordeel van het College in strijd met artikel B (bevordering deskundigheid), artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), artikel D (vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld. Het College acht het passend om aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op te leggen.

lees verder

Een wrakingsverzoek gericht tegen het College van Beroep in zaaknummer 18.010B. Het wrakingsverzoek is ingediend na het verzenden van de beslissing van genoemd College. De wrakingskamer verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.

Zaaknummer: 18.010B W1 t/m W5
Datum beslissing: 7 december 2018
Oordeel: niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Op 29 oktober 2018 heeft het College van Beroep in zaaknummer 18.010B de schriftelijke beslissing aan partijen toegezonden. Namens klaagster in eerste aanleg van deze zaak wordt op 14 november 2018 een wrakingsverzoek ingediend tegen het behandelend College van Beroep.

Op grond van artikel 1.3 van het Wrakingsprotocol van de colleges van SKJ, versie 1.1, kan een wrakingsverzoek worden ingediend op ieder moment in de procedure tot aan de dag waarop de beslissing aan partijen wordt toegezonden. Gelet op de indieningsdatum van het wrakingsverzoek verklaart de wrakingskamer de verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek (artikel 1.3 juncto 3.3 van het Wrakingsprotocol).

Ten overvloede wijst de wrakingskamer erop dat een ingediend wrakingsverzoek mede tot gevolg heeft dat een gewraakt lid geen verdere kennis kan nemen van de zaak die voorligt. Dit doel kon in de onderhavige zaak niet meer bereikt worden omdat de beslissing reeds verzonden was.

lees verder

Klacht tegen een jeugdbeschermer die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling waarbij het gegronde klachtonderdeel gaat over de wijze van communiceren over de voorwaarden voor thuisplaatsing en de manier waarop deze voorwaarden zouden worden getoetst. Artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) is geschonden.

Zaaknummer: 18.085T
Datum beslissing: 30 november 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, IV, V, VI, VII, VIII en IX ongegrond; klachtonderdeel III gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, negen klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel drie. Het College heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard. De kinderen zijn ten tijde van de ondertoezichtstelling met spoed uit huis geplaatst in een pleeggezin. Later zijn beide kinderen op verschillende momenten bij vader geplaatst. Klaagster heeft in klachtonderdeel drie gesteld dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door geen helderheid te geven over de voorwaarden voor thuisplaatsing van de kinderen bij klaagster, alsmede op welke manier en wanneer de voorwaarden zouden worden getoetst. Beklaagde herkent zich niet in het verwijt. Klaagster heeft zowel in gesprekken met beklaagde als schriftelijk per e-mail en tijdens de vele zittingen die er zijn geweest gehoord wat er van haar verwacht werd. Het College is van oordeel dat tijdens de plaatsing van de kinderen in het pleeggezin het voldoende helder is geweest aan welke voorwaarden klaagster moest voldoen voor terugplaatsing. Vanaf het moment dat de kinderen bij vader zijn geplaatst is er onduidelijkheid ontstaan. In het dossier zijn voor het College geen aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat de plaatsing van de kinderen bij klaagster vanaf dat moment nog langer tot de mogelijkheden behoorde. Van beklaagde mag als jeugdprofessional worden verwacht dat zij na de plaatsing van de kinderen bij vader met klaagster opnieuw ‘helder en concreet’ communiceert over het perspectief van de kinderen. Nu beklaagde heeft nagelaten om met klaagster hierover in gesprek te gaan, acht het College dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening). Het College acht het in dit geval passend om aan beklaagde de maatregel van een waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klacht tegen de gezinscoach over de door haar feitelijk onjuist verstrekte informatie aan Veilig Thuis en de RvdK wordt gegrond verklaard. Artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en E (Respect) van de Beroepscode zijn geschonden en de maatregel van berisping wordt opgelegd.

Zaaknummer: 18.091T
Datum beslissing: 30 november 2018
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond; klachtonderdelen II en III ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een minderjarige dochter. Klaagster heeft drie klachtonderdelen tegen de betrokken gezinscoach van het CJG ingediend. Samengevat hebben de klachtonderdelen betrekking op de door beklaagde gedane melding bij Veilig Thuis, de afgelegde verklaring aan de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en het contact dat zij heeft gehad met derden. Klachtonderdeel I bevat meerdere verwijten omtrent de door beklaagde verstrekte informatie aan Veilig Thuis en de RvdK. Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard, omdat voor het College voldoende is vast te komen staan dat beklaagde op bepaalde punten feitelijk onjuiste informatie heeft verstrekt. Het College concludeert dat door het verstrekken van deze onjuiste informatie een niet correct en mogelijk eenzijdig beeld van klaagster en de situatie rondom de dochter is ontstaan. Het College acht het handelen van beklaagde in strijd met artikel E (Respect) en artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode. Beklaagde heeft de verklaringen afgelegd c.q. de informatie verstrekt nadat zij pas een korte tijd betrokken was en klaagster niet tot nauwelijks gesproken had. Het College neemt dit beklaagde ernstig kwalijk, te meer gelet op de latere rectificatie die het CJG heeft afgegeven, waarin een meer positievere slotpassage over klaagster is opgenomen. Klachtonderdelen II (contact met derden) en III (de consequenties van de verstrekte informatie aan Veilig Thuis en de RvdK) worden ongegrond verklaard door het College.

Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen ten aanzien van het eerste klachtonderdeel en omdat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht onvoldoende blijk van reflectie heeft gegeven, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen. Het College heeft hierbij meegewogen dat informatie zoals opgenomen in documentatie, afkomstig van een hulpverlener of hulpverlenende instantie, langdurige en mogelijk ernstige gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Het is belangrijk dat een jeugdprofessional zich hiervan bewust is en mede met het oog hierop informatie over (een) cliënte(n) zorgvuldig documenteert of doorgeeft aan andere instanties.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Het College wijst op het belang van het duidelijk formuleren van klachtonderdelen, de toelichting en de onderbouwing daarvan.

Zaaknummer: 18.024T
Datum beslissing: 30 november 2018
Oordeel: klachtonderdelen I t/m V ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers, zijnde de vader en stiefmoeder van drie minderjarige kinderen, hebben tegen de betrokken jeugdbeschermer vijf klachtonderdelen ingediend. De klachtonderdelen hebben samengevat betrekking op de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling door beklaagde. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College constateert ten eerste dat klagers een toelichting op de vijf klachtonderdelen hebben geschreven, maar dat onvoldoende gebleken is welk deel daarvan ziet op welk klachtonderdeel. Ook is nagelaten (duidelijk) aan te geven ter onderbouwing van welk klachtonderdeel de overgelegde bijlage(n) dienen. Met verwijzing naar beslissing 17.028B van het College van Beroep overweegt het College dat het niet aan de beklaagde of aan het College is om uit de aangeleverde stukken de onderbouwing van de klachtonderdelen, en daarmee de feiten en gronden waarop deze berusten, te moeten destilleren. Om deze reden heeft het College ervoor gekozen klagers tijdens de mondelinge behandeling van de klacht de mogelijkheid te bieden om kenbaar te maken welk deel van de door hen geschreven toelichting en welk van de overgelegde bijlage(n) onderbouwend zijn voor elk van de geformuleerde klachtonderdelen.

Voor wat betreft de klachtonderdelen heeft het College in de beschreven voorbeelden en overgelegde onderbouwing geen gronden gezien voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Daarnaast acht het College de verwijten in klachtonderdeel III (“de kinderen doelbewust in een loyaliteitsconflict duwen”) en IV (“het vertellen van onwaarheden in de rechtbank en bij de klachtencommissie van de GI”) verstrekkend en grievend. Naar het oordeel van het College ligt het dan ook op de weg van klagers om dergelijke verwijten voldoende te onderbouwen, hetgeen klagers nagelaten hebben. Het College wijst erop dat relevante stukken overgelegd dienen te worden waaruit het door klagers gestelde blijkt en ook dat het aan de klagers is om aan te geven waar in de stukken bijvoorbeeld de vermeende discrepanties (dan wel de onwaarheden) zich bevinden.
Ten overvloede wordt door het College nog opgemerkt dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voldoende is gebleken dat beklaagde heeft moeten handelen in een complexe zaak met tegenstrijdige belangen. Uit niets is volgens het College gebleken dat beklaagde zich onprofessioneel heeft opgesteld dan wel zich onvoldoende heeft ingezet om zorgvuldig – naar eer en geweten – in het belang van de kinderen te handelen.

lees verder

Ouders zijn in beroep gegaan nu zij van mening zijn dat het College van Toezicht ten onrechte de negen ingediende klachten heeft geclusterd tot drie onderwerpen. Daarnaast zou het College van Toezicht zich in de beslissing ten onrechte hebben uitgesproken over het gedrag van de ouders. Het College van Beroep verklaart het beroep in alle onderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.004B (17.085T)
Datum beslissing: 22 november 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Appellanten zijn de ouders van een thans meerderjarige dochter. Bij het College van Toezicht hebben de ouders negen klachten ingediend tegen de jeugd- en gezinsbeschermer die aanvankelijk in het vrijwillige kader maar na het uitspreken van de ondertoezichtstelling over de dochter, in het gedwongen kader betrokken is geweest bij het gezin.

De kern van het beroepschrift ziet erop dat het College van Toezicht ten onrechte de negen ingediende klachtonderdelen heeft geclusterd rondom drie onderwerpen en de klachtonderdelen aldus niet allen afzonderlijk heeft beoordeeld. Appellanten stellen zich op het standpunt dat belangrijke informatie en diepgang door de clustering verloren is gegaan. Het College van Beroep heeft overwogen dat het clusteren van klachtonderdelen een bevoegdheid is die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ. Het College van Beroep heeft geoordeeld dat nu appellanten hebben nagelaten te specificeren op welke wijze er belangrijke informatie/diepgang verloren is gegaan, er onvoldoende grond is om aan te nemen dat het College van Toezicht niet op goede gronden de klachtonderdelen geclusterd heeft behandeld.

Tot slot richt een grief zich tegen het feit dat het College van Toezicht in de bestreden beslissing een passage heeft opgenomen waarin het zich uit heeft gesproken over het gedrag van appellanten. Het College van Beroep is het in de kern met appellanten eens dat er geoordeeld dient te worden over het handelen van een beklaagde. Het College van Beroep leest in de bestreden opmerking echter een weergave van het beeld dat het College van Toezicht van de situatie heeft gekregen. Het College van Beroep volgt daarbij het standpunt van verweerder dat deze opmerking gezien moet worden in de context van het handelen van verweerder als jeugdprofessional.  

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet serieus nemen van klager in zijn juridische positie als ouder, onzorgvuldig handelen, onvoldoende ondersteuning bij het aanvragen van een persoonlijkheidsonderzoek, niet professioneel handelen en negeren van de geloofsovertuiging. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.067Ta
Datum beslissing: 22 november 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College voldoende ingespannen om klager in zijn juridische positie als ouder serieus te nemen door met hem in gesprek te gaan over zijn rol in de opvoeding en verzorging van de kinderen. De kinderen zijn door beklaagde aangemeld voor een traject bij een instelling. De medewerker van de instelling heeft het onderzoek aan een collega overgedragen die het traject heeft stopgezet omdat de methode van het traject niet geschikt zou zijn voor gezinnen met kinderen ouder dan 12 jaar. Het College is van oordeel dat beklaagde in deze situatie niet is te verwijten dat zij op het deskundige oordeel van de (eerste) medewerker is afgegaan.

Klager is van mening dat beklaagde hem onvoldoende heeft ondersteund bij het aanvragen van een persoonlijkheidsonderzoek. Het College overweegt dat het de keuze van klager is geweest om beklaagde niet te informeren over zijn aanmelding bij de organisatie waar hij zelf een onderzoek heeft laten verrichten. Beklaagde heeft geen invloed kunnen uitoefenen op de wijze waarop dit onderzoek is verricht. Het is beklaagde ook niet te verwijten dat hij het verslag van dit onderzoek heeft afgewezen, omdat het  slechts om een verslag is van een intakefase. Volgens klager heeft beklaagde niet professioneel gehandeld door de oudste zoon dreigend aan te spreken. Het past bij de opdracht van een jeugdbeschermer om bij een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing positie in te nemen door de oudste zoon te wijzen op de consequenties, de mogelijkheid van een gesloten plaatsing, als hij de gemaakte afspraken niet nakomt. Nu klager de bereikbaarheidsdienst en de politie niet heeft geïnformeerd, heeft de politie opgetreden. Dit kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten.

Tot slot heeft klager verteld, en dit is door klager niet betwist, dat niet hij maar zijn collega met klager contact heeft gehad over het respecteren van zijn geloofsovertuiging. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet serieus nemen van klager in zijn juridische positie als ouder, onzorgvuldig handelen, onvoldoende ondersteuning bij het aanvragen van een persoonlijkheidsonderzoek, niet professioneel handelen en negeren van de geloofsovertuiging. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.067Tb
Datum beslissing: 22 november 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College voldoende ingespannen om klager in zijn juridische positie als ouder serieus te nemen door met hem in gesprek te gaan over zijn rol in de opvoeding en verzorging van de kinderen.

Volgens klager heeft beklaagde niet professioneel gehandeld door de oudste zoon dreigend aan te spreken. Het College is van oordeel dat het past bij de opdracht van een jeugdbeschermer om bij een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing positie in te nemen door de oudste zoon te wijzen op de consequenties, de mogelijkheid van een gesloten plaatsing, als hij de gemaakte afspraken niet nakomt. Nu klager de bereikbaarheidsdienst en de politie niet heeft geïnformeerd, heeft de politie opgetreden. Dit kan beklaagde niet tuchtrechtelijk worden verweten.

Het klachtonderdeel over het negeren van de geloofsovertuiging van klager is niet nader onderbouwd en door beklaagde gemotiveerd betwist. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over de samenwerking om een passende school voor haar zoon te zoeken, het niet nakomen van afspraken en het contact zoeken met derden buiten klaagster om. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.076Ta
Datum beslissing: 22 november 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is van mening dat beklaagde niet met haar heeft samengewerkt om een passende school voor haar zoon te zoeken terwijl dat wel was afgesproken. Het College is van oordeel dat beklaagde met klaagster heeft besproken dat alle scholen voor regulier onderwijs als voorwaarde hebben gesteld dat de jongste zoon eerst wordt onderzocht voordat zij hem toelaten. Klaagster heeft geen toestemming voor onderzoek willen geven. Beklaagde kan binnen een ondertoezichtstelling het gezag van ouders kan beperken door de rechter om vervangende toestemming te vragen. Beklaagde heeft daarmee niet gehandeld in strijd met de normen van een redelijke beroepsuitoefening.

Een traject als een gezinsplan kan alleen tot stand komen als beklaagde en klager daar samen aan werken. In deze casus is dat niet gebeurd. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij het gezinsplan niet met klaagster heeft besproken omdat klaagster heeft geweigerd met haar in gesprek te gaan. Klaagster heeft deze gang van zaken niet weersproken. Klaagster heeft tot slot niet onderbouwd welke toezeggingen beklaagde heeft gedaan en welke afspraken zij niet is nagekomen.

Nu partijen elkaar tegenspreken, kan het College niet vaststellen op welke wijze klaagster is geïnformeerd. Ook in het dossier zijn geen aanwijzingen die de stelling van klaagster ondersteunen. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer in het vrijwillig kader over het niet correct handelen van beklaagde, de uitvoering van de hulpverlening aan het gezin van klaagster en het niet inzien van het dossier. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.076Tb
Datum beslissing: 22 november 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is van mening dat beklaagde niet correct heeft gehandeld op het moment dat zij bij het gezin van klaagster was betrokken. Beklaagde heeft klaagster om een document gevraagd zonder haar te vertellen dat het niet verplicht is om het over te leggen.

Het College overweegt dat klaagster ‘nee’ heeft kunnen zeggen tegen het overleggen van dit stuk en dat beklaagde dit niet heeft afgedwongen. Beklaagde zou er goed aan hebben gedaan er nogmaals op te wijzen dat klaagster niet verplicht was om het stuk aan haar te geven. Dat zij dit niet heeft gedaan, maakt niet dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij mocht om het onderzoek vragen en heeft de reden waarom zij het wilde inzien met klaagster besproken. Nu klaagster geen toestemming heeft gegeven voor het door de scholen gewenste onderzoek van de jongste zoon, heeft beklaagde in het vrijwillig kader niet kunnen doen wat volgens haar nodig was om te bewerkstelligen dat de jongste zoon weer naar school ging. Daarnaast heeft beklaagde verklaard dat de samenwerking met klaagster onvoldoende van de grond is gekomen en dat afspraken van de Jeugdbeschermingstafel niet zijn nagekomen. Het College oordeelt dat het in dit geval begrijpelijk is dat beklaagde deze zaak heeft teruggegeven aan de Jeugdbeschermingstafel.

Het dossier is volgens beklaagde beperkt omdat klaagster in de week dat beklaagde is gestart, het dossier heeft opgevraagd. Van de contacten met andere partijen heeft beklaagde geen contactjournaals opgemaakt omdat zij naar haar zeggen werkt met een nieuwe methodiek waarbij de GI als beleid heeft dat het dossier uitsluitend de lijnbepaling en de kernbeslissingen bevat. De communicatie met derden behoort tot de werkaantekeningen en maakt geen onderdeel uit van het dossier. Nu het gaat om het beleid van de GI kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat klaagster zich op het begrijpelijke standpunt stelt dat inhoudelijke reacties op datgene dat heeft plaatsgevonden niet tot de werkaantekeningen behoren, maakt dit niet anders. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet bijdragen aan contactherstel tussen klaagster en haar dochter, het niet doen aan waarheidsvinding, de bevooroordeelde, ondeskundige opstelling van beklaagde en het niet op orde hebben van het dossier. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.065T & 18.084T
Datum beslissing: 22 november 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat hij niet heeft bijgedragen aan het contactherstel tussen haar en haar dochter. Het College overweegt dat beklaagde op 28 maart 2018 met klaagster heeft willen bespreken dat de dochter, na lange tijd, weer openstond voor contact. Klaagster heeft in de tussenliggende periode een bericht aan haar dochter verstuurd waarna deze is teruggekomen op haar besluit. Het College volgt klaagster niet in de redenering dat haar eerder verteld had moeten worden dat er een opening tot contactherstel was. De periode van dertien dagen is een redelijke termijn om klaagster te informeren zeker als de mogelijkheid tot contactherstel daardoor in een face-to-face gesprek zou kunnen worden besproken. Beklaagde heeft constructief meegewerkt aan het contactherstel door de zestienjarige dochter, die goed in staat is om haar wensen te uiten, hierin in te volgen

Volgens klaagster heeft beklaagde niet gedaan aan waarheidsvinding. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende onderzoek gedaan naar de achterliggende oorzaken van het feit dat de dochter klaagster niet wil zien. Hoewel er een zekere onevenwichtigheid kan zijn ontstaan in de contacten tussen beklaagde en vader aan de ene kant en beklaagde en klaagster aan de andere kant, kan hieruit niet worden geconcludeerd dat beklaagde zich partijdig opstelt. Dat beklaagde ondeskundig is, is door klaagster niet onderbouwd en het College ook anderszins niet gebleken. Beklaagde heeft verder gemotiveerd dat klaagster de contactjournaals heeft gekregen voor zover de belangen van de kinderen niet zijn geschaad en dat hij hierover met klaagster heeft gecommuniceerd. Het College heeft niet kunnen vaststellen of beklaagde zich tegenover klaagster intimiderend heeft gedragen. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Nadat het College van Toezicht wegens twee gegronde klachten de maatregel van waarschuwing had opgelegd, acht het College van Beroep ook een derde klacht gegrond en legt in plaats van de waarschuwing de maatregel van berisping op aan een jeugdzorgwerker. Ondanks de opdracht van de kinderrechter heeft de jeugdprofessional de contactmomenten te weinig begeleid. De jeugdzorgwerker heeft geen blijk gegeven van reflectie op zijn eigen handelen en onvoldoende zelfinzicht getoond.

Zaaknummer: 18.011B (17.125T)
Datum beslissing: 19 november 2018
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Appellanten zijn de oom en tante van twee minderjarige kinderen. De kinderen zijn sinds 2006 onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst. Het jongste kind is bij appellanten, als zijnde netwerkpleegouders, geplaatst. Het oudste kind verblijft in een gezinshuis. De ouders van de kinderen zijn uit het gezag ontheven. De jeugdzorgwerker, verweerder, heeft in deze casus, na het beëindigen van het gezag van de ouders, als voogd opgetreden. Eerst voor beide kinderen en later alleen voor het oudste kind.

Het tweede klachtonderdeel ziet toe op het feit dat verweerder volgens appellanten veelvuldig onbegeleid contact tussen vader en het oudste kind toestaat. Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld in het begeleiden en vormgeven van het contact tussen de vader en het oudste kind. In de beschikking van de rechtbank staat opgenomen dat de GI op verantwoorde wijze de contacten tussen ouders en de kinderen moet begeleiden. Het College van Beroep overweegt dat een beschikking van de rechtbank het uitgangspunt voor het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel is. Begeleiding, in welke vorm dan ook, wordt in de onderhavige situatie van verweerder verwacht. Het College van Beroep overweegt dat het enkele feit dat er geen zorgen zouden zijn over een kind, niet betekent dat een beschikking niet hoeft te worden gevolgd. Er is onvoldoende gebleken dat verweerder deze contactmomenten voldoende heeft begeleid zoals van hem mocht worden verwacht. Het College van Beroep verklaart dit klachtonderdeel gegrond. Het College van Beroep heeft bij de zwaarte van de op te leggen maatregel in overweging genomen dat niet is gebleken dat verweerder heeft getracht de schade te beperken en/of het ontstane nadeel te keren. Het College van Beroep heeft de maatregel van waarschuwing ingetrokken en het opleggen van de maatregel van berisping passend en geboden geacht.

lees verder

Nu in beroep bijna alle klachtonderdelen gegrond zijn verklaard, legt het College van Beroep een voorwaardelijke schorsing op aan een jeugdbeschermer, onder meer wegens onzorgvuldigheden in een gezinsplan en een te late aanmelding van een kind bij een instelling, waarover hij tevens naar appellant (vader van het kind) toe niet transparant is geweest.

Zaaknummer: 18.012B (17.132T)
Datum beslissing: 19 november 2018
Oordeel: beroep deels gegrond, klachtonderdeel II en IV alsnog gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Appellant is de vader van een minderjarig kind, die sinds 2015 onder toezicht is gesteld. Verweerder heeft de ondertoezichtstelling uitgevoerd en het College van Toezicht heeft de tegen hem ingediende klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het beroepschrift van appellant ziet op de klachtonderdelen II en IV, welke door het College van Toezicht ongegrond werden verklaard.

Met betrekking tot klachtonderdeel II is het College van Beroep van oordeel dat het opnemen in het gezinsplan van niet onderbouwde uitspraken over appellant onzorgvuldig is en dat verweerder daarnaast het concept gezinsplan had moeten overleggen aan appellant, alvorens dit naar de rechtbank werd gestuurd. Met betrekking tot het tweede gedeelte van klachtonderdeel II is het College van Beroep van oordeel dat de uitzonderingsgrond van artikel J van de Beroepscode niet betekent dat alle beschikbare (persoonlijke) informatie in rapportages mag worden opgenomen en gedeeld zonder dat daaraan een beoordeling vooraf gaat of de informatie noodzakelijk en relevant is voor de onderbouwing voor het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Verweerder heeft in deze casus onvoldoende stilgestaan bij de relevantie en omvang van de tekst die is opgenomen in het gezinsplan en het College van Beroep is van oordeel dat hij toestemming had moeten vragen aan appellant voor het opnemen van de informatie over het verleden van appellant.

Klachtonderdeel IV ziet toe op de aanmelding van de zoon van appellant bij een instelling. Anders dan het College van Toezicht, acht het College van Beroep het wel degelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar dat het veel te lange tijd, te weten van december 2016 tot februari 2017, heeft geduurd alvorens verweerder de aanmelding bij de instelling in gang zette. Bovendien is verweerder, ten aanzien van de termijn waarop de uiteindelijke aanmelding heeft plaatsgevonden, niet transparant geweest tegenover appellant.

Het College van Beroep stelt vast dat in beroep de klacht op meerdere (en in totaal bijna alle) klachtonderdelen gegrond is verklaard. Verweerder heeft onvoldoende de regie genomen (klachtonderdeel I), de bronvermelding is onvoldoende geweest (klachtonderdeel II sub a), hij heeft een concept gezinsplan naar de rechtbank gestuurd zonder dit vooraf aan appellant toe te sturen (klachtonderdeel II sub c), verweerder heeft hier persoonlijke informatie in opgenomen zonder toestemming te vragen aan appellant (klachtonderdeel II sub d), hij heeft een onjuiste aanname gedaan zonder deze te controleren (klachtonderdeel III), en tenslotte heeft verweerder te lang gewacht met het aanmelden bij de instelling en is hierover niet transparant geweest tegen appellant (klachtonderdeel IV). Het College van Beroep legt de maatregel van voorwaardelijke schorsing aan verweerder op.

lees verder

Klacht tegen een jeugdprofessional over de informatievoorziening en de kernbeslissing om de uit huis geplaatste kinderen niet bij klaagster terug te plaatsen. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.027T
Datum beslissing: 12 november 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft veertien klachtonderdelen geformuleerd. Drie klachtonderdelen hebben betrekking op weinige informatie die klaagster over de kinderen ontvangt, de kernbeslissing om de uit huis geplaatste kinderen niet bij klaagster terug te plaatsen en dat beklaagde geen hulp en ondersteuning heeft geboden aan klaagster.

Het College kan zich voorstellen dat de uithuisplaatsing van de kinderen voor klaagster als moeder een ingrijpende gebeurtenis is en dat het voor haar moeilijk is om niet alle informatie over de kinderen te ontvangen. Dit is echter een gevolg van een geheime uithuisplaatsing. Met klaagster is de afspraak gemaakt dat de medewerkster van de pleegzorgorganisatie haar informeert over de kinderen nu de omgang via de pleegzorgorganisatie verloopt en er vaste afspraken zijn gemaakt over het contact tussen klaagster en de kinderen. Bij ingrijpende kernbeslissingen zoals een besluit om de kinderen niet meer bij klaagster terug te plaatsen, is het van belang dat hierbij de nodige zorgvuldigheid en duidelijkheid wordt betracht. Hoewel het beter was geweest als de voorwaarden voor de terugplaatsing van de kinderen bij klaagster concreet in het gezinsplan waren beschreven, evenals een overzicht van de contactmomenten die hebben plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde, heeft beklaagde zich in de korte periode dat zij bij deze casus was betrokken (zes maanden) voldoende ingezet om de inhoud van de kernbeslissingen met klaagster te bespreken.

Ook heeft beklaagde zich voldoende ingespannen om hulp en ondersteuning aan klaagster te bieden. Nu de kinderen uit huis zijn geplaatst en hun terugkeer naar klaagster niet aan de orde was, is het begrijpelijk dat om deze reden geen hulpverlening bij klaagster thuis is ingezet. Deze klachtonderdelen zijn, evenals de overige klachtonderdelen, ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdprofessional die na een verzoek van klager zijn registratienummer niet heeft verstrekt. Hij heeft gehandeld in strijd met artikel F van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening). Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.044T
Datum beslissing: 12 november 2018
Oordeel: gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Op grond van artikel F (informatievoorziening over de hulp-en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker dient een jeugdprofessional informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde tuchtrecht te verstrekken. Beklaagde heeft in strijd met dit artikel gehandeld door zijn registratienummer op verzoek niet te (laten) verstrekken.
Het College houdt rekening met de beperkte gevolgen voor klager als gevolg van het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen van beklaagde. Zo heeft klager ondanks het ontbreken van een registratienummer toch een tuchtklacht in kunnen dienen. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht van de werkgever (Jeugd- en opvoedhulpinstelling) tegen een voormalig werknemer, jeugdhulpverlener, dat hij een onprofessionele relatie is aangegaan met een minderjarige cliënte, collega’s heeft voorgelogen en de Gedragscode heeft overtreden. Er zijn meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden. Het College heeft de maatregel van doorhaling opgelegd.

Zaaknummer: 18.080T
Datum beslissing: 12 november 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen gegrond
Maatregel: doorhaling, met ontzegging van het recht opnieuw in het register van SKJ te worden ingeschreven

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de voormalige werkgever van beklaagde. Er is een cliënte van 16 jaar oud geplaatst bij klaagster; er waren zorgen over de relatie met een oudere man, over wegloopgedrag en over loverboypraktijken. Beklaagde is betrokken bij de hulpverlening aan cliënte. Klaagster heeft vier klachtonderdelen ingediend.

Ten eerste verwijt klaagster beklaagde dat hij een onprofessionele relatie is aangegaan met cliënte. Dat is voor het College voldoende aannemelijk geworden. Cliënte wordt in die periode opgenomen in het ziekenhuis en beklaagde is zonder medeweten van klaagster, zowel onder werktijd als in zijn privé tijd, bij cliënte op bezoek geweest. Beklaagde heeft steeds beloofd niet meer naar cliënte toe te gaan, maar is cliënte blijven bezoeken. Cliënte was in deze situatie afhankelijk van beklaagde en het College is van oordeel dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie en gezag. Ten tweede verwijt klaagster beklaagde dat hij grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond naar cliënte toe. Cliënte was kwetsbaar en zij verkeerde ten opzichte van beklaagde in een afhankelijke positie. Het niet bewaken van afstand en het aangaan van een informele relatie met een minderjarige cliënte is volgens het College onder alle omstandigheden in strijd met de belangen van een minderjarige.Ten derde verwijt klaagster beklaagde dat hij heeft gelogen over het contact met cliënte. Beklaagde is op een nacht weer naar het ziekenhuis gegaan en heeft een groep van negen jongeren alleen gelaten. Beklaagde heeft tegen de afspraak in cliënte uit het ziekenhuis opgehaald, zonder dit te melden aan klaagster of de moeder van cliënte. Het College is van oordeel dat beklaagde doelbewust de op hem van toepassing zijnde professionele normen en waarden naast zich neer heeft gelegd en geen enkele leerbaarheid heeft getoond. Tot slot heeft beklaagde volgens klaagster in strijd gehandeld met haar Gedragscode, waarin staat dat contacten in privétijd met cliënten niet zijn toegestaan, tenzij met medeweten en instemming van de leidinggevende. Het College wijst erop dat het handelen van de jeugdprofessional dient te voldoen aan de professionele standaard, welke de Beroepscode en de richtlijnen omvat. Het College oordeelt echter dat de Gedragscode van klaagster een uitwerking is van de geschonden artikelen uit de Beroepscode.

Alle klachtonderdelen zijn gegrond. Beklaagde droeg zorg voor kwetsbare jongeren. Het handelen van beklaagde heeft mogelijk ernstig nadeel opgeleverd in de zaak van de minderjarige cliënte. Beklaagde heeft gedurende deze periode zijn professionele verantwoordelijkheid als jeugdprofessional niet genomen, geen blijk van leerbaarheid getoond, niet samengewerkt en ook geen openheid gegeven over zijn handelen. Het College neemt hem dit alles ernstig kwalijk. Hij heeft niet gereflecteerd op zijn eigen handelen, door na te laten schriftelijk, dan wel mondeling verweer te voeren.

lees verder

Klacht tegen de gezinsvoogd over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College wijst onder meer op het belang van overleg met betrokkenen en de eigen verantwoordelijkheid/bevoegdheid van een jeugdprofessional om het hulpverleningstraject vorm te geven.

Zaaknummer: 17.044T
Datum beslissing: 8 november 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II en III ongegrond; klachtonderdeel IV klaagster niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van twee minderjarige zonen, heeft tegen de gezinsvoogd vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat er al een Plan van Aanpak was, voordat er deugdelijk kennis was gemaakt met klaagster en de kinderen. Ten tweede verwijt klaagster beklaagde dat zij zich niet houdt aan hetgeen in het raadsrapport en in de beschikking van de kinderrechter staat. In klachtonderdeel drie verwijt klaagster beklaagde onder meer dat zij niet objectief en transparant is. Tot slot verwijt klaagster beklaagde dat zij de klachten van klaagster niet serieus neemt. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College verklaart klachtonderdelen één tot en met drie ongegrond. In het eerste klachtonderdeel wordt beklaagde onder meer verweten dat het Plan van Aanpak al vaststond voor het kennismakingsgesprek met klaagster. Het College overweegt dat klaagster dit onvoldoende onderbouwd heeft en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van beklaagde. Voor zover klaagster met “het hebben van een plan” bedoelt dat de insteek van beklaagde reeds vaststond voorafgaand het kennismakingsgesprek met klaagster, overweegt het College dat dit niet in strijd is met een tuchtrechtelijke norm. Wel acht het College het van belang dat de aanpak van het hulpverleningstraject met de betrokkenen overlegd en besproken dient te worden conform artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdens het kennismakingsgesprek heeft ingezet om haar aanpak met klaagster bespreekbaar te maken en de standpunten van klaagster te horen.

In klachtonderdeel twee overweegt het College dat beklaagde voldoende gemotiveerd heeft weergegeven waarom zij heeft afgeweken van de rechterlijke beslissing. Gelet op de kernbeslissing van de GI, kan het College de aanpak van beklaagde volgen. Het College wijst er voorts op dat beklaagde, naast de daartoe strekkende kaders, ook een eigen professionele verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft om een afweging te maken over hoe zij het hulpverleningstraject vormgeeft. Klachtonderdeel drie is door klaagster onvoldoende onderbouwd.

Voor wat betreft het vierde klachtonderdeel is het College onvoldoende duidelijk wat beklaagde in dit klachtonderdeel wordt verweten. Het College heeft de gronden van dit klachtonderdeel niet uit de overgelegde stukken kunnen vaststellen, noch tijdens de mondelinge behandeling van de klacht. Het College verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel.

lees verder

Klacht tegen een jeugdconsulent over de plaatsing van de zoon bij zijn oma en (stief)opa en het onzorgvuldig handelen hierin door beklaagde. Klagers worden in één klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard. De andere klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 18.061T
Datum beslissing: 6 november 2018
Oordeel: klachtonderdeel VI klagers niet-ontvankelijk; klachtonderdelen I t/m V en VII ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde werkt als jeugdconsulent bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en is bij het gezin betrokken geweest in het drangkader. Klagers zijn de moeder en de stiefvader van een zoon en dienen zeven klachtonderdelen in. Op 20 oktober 2016 is de zoon (tijdelijk) bij zijn oma en (stief)opa geplaatst. Klachtonderdelen I tot en met V hebben betrekking op deze, volgens klagers onterechte, plaatsing. Beklaagde heeft volgens klagers tegen hun wil in gehandeld en ernstige fouten gemaakt. Ook heeft beklaagde geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Klachtonderdeel VI betreft het verwijt dat beklaagde tweemaal onjuiste informatie verstrekt heeft aan de politie. In klachtonderdeel VII wordt beklaagde verweten dat hij onvoldoende de samenwerking met klagers heeft gezocht. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College stelt in klachtonderdeel I vast dat partijen een andere beleving hebben over wat zich heeft afgespeeld op 20 oktober 2016. Klagers voeren aan dat de zoon op die dag onterecht uit huis geplaatst is omdat klaagster als gezaghebbende ouder geen toestemming gegeven had. Beklaagde stelt daarentegen dat klaagster wel degelijk meegewerkt heeft aan de vrijwillige tijdelijke opvang bij de oma en dat daardoor in juridische zin nooit sprake is geweest van een uithuisplaatsing van de zoon. Uit de overgelegde contactjournaals van 19 en 20 oktober 2016 is het voor het College voldoende aannemelijk geworden dat vanaf 19 oktober 2016 bij klaagster sprake was van een spoedsituatie, in de zin van de “Richtlijn Crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming”. Volgens het College heeft beklaagde conform het uitgangspunt van genoemde richtlijn gehandeld, omdat hij immers in overleg met onder meer klaagster is getreden om de mogelijkheden te bespreken waar de zoon zou kunnen verblijven. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat klaagster op 20 oktober 2016 geen toestemming gegeven heeft voor de plaatsing van de zoon bij zijn oma en (stief)opa. Klaagster heeft hierover achteraf kennelijk een ander standpunt ingenomen, maar dat maakt de conclusie van het College ten aanzien van 20 oktober 2016 niet anders. Uit de contactjournaals kan het College afleiden dat er sprake was van een spoedsituatie, die het noodzakelijk maakte om in te grijpen in de opvoedsituatie van de zoon, en dat klaagster daar die dag mee heeft kunnen instemmen. Het College vindt dat beklaagde op 20 oktober 2016 gehandeld heeft binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, en meer in het bijzonder conform het bepaalde in de “Richtlijn crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming”. In klachtonderdelen I t/m V en VII is het College van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Klagers worden in klachtonderdeel VI niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden en feiten van het klachtonderdeel voor het College onvoldoende duidelijk zijn. Het College overweegt ten overvloede dat het op waarheid beoordelen van een gedane aangifte in beginsel buiten de bevoegdheid van het College valt.

lees verder

Klacht tegen een jeugdzorgwerker die betrokken is geweest als gezinsvoogd bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klacht gaat over het niet verstrekken van zijn registratienummer, zijn handelen ten tijde van zijn betrokkenheid en tot slot nadat hij niet meer betrokken was één van de kinderen belast zou hebben met volwassen zaken.

Zaaknummer: 18.073T
Datum beslissing: 5 november 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdzorgwerker, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, acht klachtonderdelen ingediend. Klager stelt dat beklaagde weigert zijn registratienummer te verstrekken. Ten tweede heeft beklaagde ten tijde van zijn betrokkenheid geen enkel gesprek met klager gehad en is er ook nooit een Plan van Aanpak gemaakt. Ten derde heeft beklaagde de kinderen onnodig in een ernstige onveiligheid gebracht en niet open gestaan voor de argumenten van klager om deze situatie vooraf te voorkomen. Ten vierde heeft klager nagelaten overtuigend en wettig bewijs te leveren van de belastingen waaraan klager zijn oudste zoon zou hebben blootgesteld. Ten vijfde heeft klager een klachtonderdeel geformuleerd dat voor het College na bevraging onduidelijk is gebleven. Ten zesde heeft beklaagde het gezag van klager niet gerespecteerd door een medische behandeling van de middelste zoon eigenhandig te arrangeren zonder klager hierin te kennen en slechts achteraf te informeren. Ten zevende is klager van mening dat beklaagde de kinderen ernstig heeft belast met volwassen zaken door de reden van zijn vertrek te vertellen. Tot slot heeft beklaagde ondanks dat hij geen gezinsvoogd meer was de kinderen blijven belasten met volwassen zaken en is hij contact blijven zoeken met de kinderen. Beklaagde heeft in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling de klachtonderdelen weerlegt. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Klacht tegen een jeugdbeschermer over onder meer het geen invulling geven aan de opdracht van de rechtbank en het onterecht vaststellen dat het opstellen van een familiegroepsplan niet haalbaar is. Artikelen B (bevorderen deskundigheid) en G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.074T
Datum beslissing: 2 november 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II en V ongegrond; klachtonderdelen III en IV gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van een minderjarige zoon, heeft tegen de jeugdbeschermer, die eerst betrokken is geweest in het vrijwillig kader en daarna in het gedwongen kader, vijf klachtonderdelen ingediend. Alle vijf de klachtonderdelen hebben samengevat in meer of mindere mate betrekking op de samenwerking tussen beklaagde en klaagster. Het College verklaart klachtonderdelen drie en vier gegrond. In het derde klachtonderdeel wordt beklaagde verweten dat zij geen invulling heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank om een individueel hulpverleningstraject aan een gezamenlijk traject vooraf te laten gaan. Het College is van oordeel dat beklaagde deze opdracht onvoldoende ten uitvoer heeft gebracht althans onvoldoende heeft laten blijken hoe zij geprobeerd heeft deze opdracht uit te voeren. Dit nalaten is volgens het College in strijd met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Beroepscode). Een jeugdprofessional heeft immers de plicht om over wettelijk opgelegde taken te overleggen met de jeugdige cliënt en/of diens ouders/opvoeders om tot overeenstemming en instemming hierover te komen. In klachtonderdeel vier verwijt klaagster beklaagde dat zij onterecht heeft vastgesteld dat het opstellen van een familiegroepsplan niet haalbaar is. Het College overweegt dat het familiegroepsplan een belangrijk instrument is in de jeugdwet. Het uitgangspunt van artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is dan ook dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling aan de betrokkenen als eerste de mogelijkheid biedt om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Volgens het College is het proces rondom het (opstellen van het) familiegroepsplan in de onderhavige casus niet conform de Jeugdwet gegaan, waaruit volgens het College is gebleken dat beklaagde op dit punt over onvoldoende kennis beschikte. Dit levert naar het oordeel van het College een schending van artikel B (bevorderen deskundigheid) van de Beroepscode op.

Gelet op het verwijtbaar handelen ten aanzien van twee klachtonderdelen maar het ontbreken van een constructieve wijze van samenwerking tussen partijen meewegende, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht die gericht is tegen een leidinggevende. De leidinggevende heeft geen uitvoerende rol gehad in de hulpverlening ten opzichte van de jeugdige, evenmin heeft het handelen (voldoende) weerslag gehad op het belang van klager.

Zaaknummer: 18.101Ta
Datum beslissing: 1 november 2018
Oordeel: klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in de klacht
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager, vader van een minderjarige zoon, heeft tegen de leidinggevende van de bij deze casus betrokken ambulante werker drie klachtonderdelen ingediend. Klager verwijt beklaagde allereerst dat zij niet zorgvuldig is geweest in de afsluiting van de hulpverlening waarmee zij de zoon onnodig lang heeft laten wachten op adequate hulpverlening elders. In het tweede klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat zij niet attent is geweest op de signalen van schending van de Beroepscode door collega’s en zij geen relevante stappen heeft ondernomen. Tot slot verwijt klager beklaagde dat zij het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd door het niet naleven van de beroepsnormen.

De voorzitter van het College stelt vast dat de door klager geuite klachten betrekking hebben op het handelen van beklaagde in haar hoedanigheid van leidinggevende. Met betrekking tot de vraag of het handelen van een leidinggevende al dan niet tuchtrechtelijk beoordeeld kan worden, overweegt de voorzitter van het College als volgt. In het tuchtrecht staat conform artikel 2.1 van het Tuchtreglement de kwaliteit van het handelen van de jeugdprofessional in het jeugddomein jegens betrokkenen centraal. Wanneer een jeugdprofessional wordt ingeschakeld, moet de maatschappij conform artikel 2.3 van het Tuchtreglement ervan op aan kunnen dat de dienstverlening voor de jeugd voldoet aan de kwaliteitseisen. Op grond hiervan overweegt de voorzitter van het College dat het handelen van een jeugdprofessional, die werkzaam is in een leidinggevende functie, in beginsel niet tuchtrechtelijk beoordeeld kan worden. Een dergelijke jeugdprofessional heeft immers geen uitvoerende rol in de dienst- en/of hulpverlening ten opzichte van de jeugdige (en diens opvoeders). De voorzitter van het College overweegt, onder verwijzing naar hetgeen het College van Beroep heeft overwogen in zaak 16.004B onder 2.7 en 2.8 van die beslissing, dat dit onder bijzondere omstandigheden anders kan zijn, bijvoorbeeld als er is gehandeld in strijd met de professionele standaard en dit handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele cliënt. De voorzitter van het College is van oordeel dat dit niet het geval is ten aanzien van het handelen van beklaagde dat in de onderhavige zaak voorligt. Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in de klacht.

lees verder

Zowel klager als beklaagde gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht, waarin is geconcludeerd dat beklaagde met haar woordkeus het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College van Beroep verklaart in beroep alsnog alle klachten ongegrond.

Zaaknummer: 18.010B (17.123T)
Datum beslissing: 29 oktober 2018
Oordeel: beroep van klaagster ongegrond, beroep van beklaagde gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder (klaagster) van een minderjarige zoon klaagt over een maatschappelijk werkster (beklaagde). De klachten hebben betrekking op het feit dat beklaagde volgens klaagster op verschillende momenten onzorgvuldig is geweest in haar woordkeus, zowel in communicatie naar klaagster als in het verzoek tot onderzoek (VTO) aan de Raad voor de Kinderbescherming. Tevens zou beklaagde geen bronnen hebben genoemd in het VTO.

Beide partijen zijn in beroep gegaan voor wat betreft de klachtonderdelen waar zij door het College van Toezicht in het ongelijk zijn gesteld. Met betrekking tot de bronvermelding oordeelt het College van Beroep, dat deze manier van bronvermelding, waarbij de instanties worden genoemd maar geen namen, gerechtvaardigd kan worden, en stelt dat het een werkwijze kan zijn om in rapporten namen niet expliciet te noemen. Nu het voor het College van Beroep duidelijk is welke informatie van welke instantie komt en waar de informatie op gebaseerd is, heeft beklaagde naar het oordeel van het College van Beroep niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Het College van Toezicht heeft geconcludeerd dat beklaagde, als gevolg van onzorgvuldig gekozen woorden, het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College van Beroep volgt deze conclusie niet en vindt het te ver gaan om te stellen dat beklaagde met haar woordkeus het vertrouwen in de jeugdzorg niet heeft bevorderd. Het College van Beroep kan naar aanleiding van dit klachtonderdeel slechts aan beklaagde meegeven dat zij in het vervolg hier zorgvuldiger in zou kunnen zijn, zodat klaagster wellicht meer begrip op had kunnen brengen voor (de tekst in) het VTO. In de communicatie naar klaagster toe is beklaagde naar het oordeel van het College van Beroep juist duidelijk en gestructureerd geweest, in plaats van voorbarig en suggestief zoals door klaagster werd gesteld. Het College van Beroep ziet hierin een professional die duidelijke grenzen en regels wilde stellen en tegelijkertijd wilde aangeven wat de vervolgstappen zouden (kunnen) zijn.

Het College van Beroep is van oordeel dat beklaagde, met betrekking tot alle klachtonderdelen, heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De klacht wordt alsnog in al haar onderdelen ongegrond verklaard waardoor het College van Beroep aanleiding ziet om de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing, in te trekken.

lees verder

Klacht tegen een ambulant hulpverlener bij een lokaal team over onzorgvuldig handelen ten tijde van haar betrokkenheid in het vrijwillig kader en de melding die zij heeft gedaan bij Veilig Thuis. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.062T
Datum beslissing: 24 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdeel III (deels) ongegrond; klachtonderdelen I, II en III (deels) gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de ambulant hulpverlener die betrokken is geweest in het vrijwillig kader drie klachtonderdelen ingediend. Zij stelt dat beklaagde haar niet vooraf heeft geïnformeerd over de melding bij Veilig Thuis. Ten tweede heeft beklaagde onzorgvuldig gehandeld bij het opstellen van de melding voor Veilig Thuis. Tot slot is klaagster van mening dat beklaagde onzorgvuldig is geweest in haar werkzaamheden als maatschappelijk werker in relatie tot klaagster. Zij licht dit toe met vijf voorbeelden. Het College oordeelt dat klachtonderdelen I, II en III (deels) gegrond zijn. Over klachtonderdeel I is het College van oordeel dat beklaagde op grond van de meldcode de klaagster vooraf moet informeren over haar voornemen om een melding te doen bij Veilig Thuis. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster vooraf is geïnformeerd. Ook als de bijgevoegde e-mail van beklaagde wel zou zijn aangekomen blijkt uit de gekozen bewoording niet dat het gaat om een vooraankondiging. Inzake het tweede klachtonderdeel erkent beklaagde dat zij in de melding bij Veilig Thuis meer informatie heeft opgenomen dat de feitelijk noodzakelijke informatie en onduidelijk is geweest in haar bronvermeldingen. Beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen, maar dat doet voor het College niet af aan het oordeel dat zij onzorgvuldig is geweest in het opstellen van de melding voor Veilig Thuis. Ten aanzien van klachtonderdeel III oordeelt het College dat het onzorgvuldig is geweest om onaangekondigd en onverwachts op huisbezoek te gaan. Beklaagde heeft hierop gereflecteerd dat zij in het vervolg partijen op een neutrale locatie zal uitnodigingen. Hiermee geeft beklaagde achteraf blijk van een juist professioneel handelen. Het maakt echter het oordeel van het College dat beklaagde hier onzorgvuldig heeft gehandeld niet anders. Voor het overige gedeelte van klachtonderdeel III is het College van oordeel dat het gestelde ongegrond is. Beklaagde heeft volgens het College artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) geschonden. In haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling heeft zij gereflecteerd op haar handelen en een aantal gemaakte fouten oprecht erkend. Het College acht dit van belang acht en waardeert dit. Daarom acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.

lees verder

Klacht tegen jeugd- en gezinscoach, dat hij onprofessioneel heeft gehandeld door subjectieve informatie te delen met de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Op grond hiervan heeft de RvdK volgens klager advies opgesteld en heeft de rechtbank de omgang tussen klager en de kinderen beperkt. Twee klachtonderdelen zijn deels gegrond. Artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode is geschonden. Er is geen maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 18.009T
Datum beslissing: 24 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en II deels gegrond; klachtonderdeel III ongegrond; klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen IV en V
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van drie kinderen. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de ex-partner van klager, de moeder. Het hoofdverblijf van de kinderen is bij de moeder. Beklaagde werkt als jeugd- en gezinscoach bij de instelling en heeft het gezin bijgestaan in het vrijwillige kader. Klager heeft vijf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op de relevante klachtonderdelen I, II, IV en V.

Klager verwijt beklaagde in het eerste en tweede klachtonderdeel dat hij naar de RvdK toe bewust een negatief beeld heeft geschetst van klager en een positief beeld van de moeder en dat hij meningen van de moeder als feiten heeft verkondigd. Het College vindt dat het eerste verslag dat beklaagde voor de RvdK heeft geschreven op bepaalde punten subjectief is geweest. Beklaagde heeft dat ook erkend en excuses aangeboden. Na een klachtgesprek binnen de instelling heeft beklaagde de verstrekte informatie aan de RvdK ingetrokken en heeft hij een herziene versie gestuurd. Ondanks dat beklaagde zijn handelswijze heeft gecorrigeerd, is het College van oordeel dat beklaagde door het schrijven en versturen van het eerste verslag met subjectieve informatie aan de RvdK tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde had zich het belang van een objectieve verslaglegging vooraf moeten realiseren en heeft artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) van de Beroepscode geschonden. De stelling van klager dat beklaagde ‘bewust’ een negatief beeld van klager heeft willen schetsen, heeft het College niet kunnen vaststellen.

In het vierde klachtonderdeel verwijt klager de RvdK dat het herziene verslag van beklaagde niet in het raadsrapport is verwerkt. Klager maakt hier echter een verwijt aan de RvdK en niet aan beklaagde. Het College toetst alleen het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional en is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van een instelling te toetsen.

Tot slot verwijt klager beklaagde in het vijfde klachtonderdeel dat de RvdK de onjuiste informatie aan het gerechtshof gepresenteerd heeft als zijnde geconstateerde feiten. Net als bij het vierde klachtonderdeel is dit verwijt gericht aan de RvdK en niet aan beklaagde. Het College verklaart klager in beide klachtonderdelen niet-ontvankelijk.

Nu het eerste en tweede klachtonderdeel deels gegrond zijn verklaard, beklaagde zich heeft ingespannen om het nadeel te keren, heeft gereflecteerd op het eigen handelen en zijn excuses heeft aangeboden, legt het College geen maatregel op.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het plan van Aanpak is te laat opgesteld terwijl beklaagde de noodzaak hiervan heeft benadrukt en heeft toegezegd dat zij dit zo spoedig mogelijk zou opstellen. Het College acht twee klachtonderdelen gegrond, maar ziet redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.048T
Datum beslissing: 22 oktober 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft vijf klachtonderdelen geformuleerd. Klager verwijt beklaagde bij klachtonderdeel twee en drie dat het plan van Aanpak te laat is opgesteld ondanks dat beklaagde heeft toegezegd dat zij het plan van Aanpak spoedig zou opstellen. De periode tussen de verlenging van de ondertoezichtstelling en het vaststellen van het plan van Aanpak is vier maanden geweest. Deze periode is naar het oordeel van het College te lang. Een plan van Aanpak biedt immers aan betrokkenen handvatten en structuur aan de hulpverlening voor een in tijd afgebakende periode, ook voor beklaagde zelf. Met een dusdanig laat opgesteld plan van Aanpak wordt deze doelstelling niet bereikt en is artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (overeenstemming/instemming over de hulp -en dienstverlening) geschonden.

Voorts heeft beklaagde de noodzaak van een Plan van Aanpak zelf benadrukt en heeft toegezegd dat het plan van Aanpak zo spoedig mogelijk wordt opgesteld. Het College is van oordeel dat van beklaagde als jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij gedane toezeggingen nakomt en dat zij communiceert met klager op het moment dat zij merkt dat zij haar toezeggingen niet waar kan maken. Het vertrouwen in de jeugdzorg is niet bevorderd en artikel D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.

Het College heeft overwogen om beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen maar ziet redenen om hiervan af te zien vanwege de werkomstandigheden waarin beklaagde heeft moeten werken en het feit dat zij haar excuses heeft aangeboden in het verweerschrift. Het College gaat ervan uit dat beklaagde lering heeft getrokken uit deze casus en dat het om eenmalige misslagen gaat. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over de wijze waarop het raadsonderzoek is uitgevoerd en de inhoud van het raadsrapport. Hoewel het rapport op enkele punten beter had gekund, is beklaagde niet getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Zaaknummer: 18.054T
Datum beslissing: 22 oktober 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat zij de uitbreiding van het raadsonderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel zelf heeft uitgevoerd. Klaagster heeft haar onvrede echter niet aan beklaagde kenbaar gemaakt en beklaagde heeft geen andere signalen ontvangen. Beklaagde heeft in het raadsrapport voldoende onderbouwd waarom de Raad voor de Kinderbescherming het zorgelijk vindt dat klaagster allerlei klachten waarneemt die niet bevestigd of niet gezien worden door medici en andere professionals. De verschillende visies zijn in het raadsrapport beschreven.

In het raadsrapport is een vraag ongelukkig geformuleerd maar dit weegt in de context van het gehele raadsrapport niet zo zwaar dat beklaagde is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening dat haar hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Hoewel het beter was geweest als beklaagde een zin anders formuleerde, heeft beklaagde een vrijblijvend advies met betrekking tot plaatsing van de zoon op  een medisch kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal niet verdraaid naar een verplichte indicatie. Beklaagde heeft verder gemotiveerd toegelicht waarom de Raad voor de Kinderbescherming zich zorgen maakte over de sociaal emotionele ontwikkeling van de zoon.

Voorts heeft het College geoordeeld dat beklaagde terecht uit het door haar gedane onderzoek heeft kunnen concluderen dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang tussen vader en zoon. Beklaagde heeft bepaalde informatie van klaagster met vader gedeeld omdat deze mogelijk een contra indicatie voor de omgang kon zijn. Deze informatie moest door beklaagde worden onderzocht. Beklaagde heeft met klaagster besproken dat zij transparant wil zijn en dat zij in het licht van hoor en wederhoor vader in de gelegenheid heeft gesteld op de informatie te reageren.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer dat oude rapportages naar de rechtbank zijn gestuurd, dat zorgmeldingen zijn genegeerd, dat er niet gekeken is naar informatie waaruit blijkt de minderjarige teruggeplaatst kan worden bij klaagster en dat er amateuristisch is omgegaan met afspraken over de kerstvakantie. De organisatie van de bezoeken van de kinderen tijdens de kerstvakantie is volgens het College niet optimaal geregeld. Artikel O (‘Beroepsuitoefening en samenwerking’) is geschonden. Het College legt geen maatregel op.

Zaaknummer: 18.003T
Datum beslissing: 22 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdeel IV gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers zijn de moeder van twee kinderen en haar nieuwe partner. De kinderen zijn onder toezicht gesteld. Moeder en de vader van de kinderen hebben gezamenlijk het gezag. Klagers hebben vijf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op de relevante klachtonderdelen I, II, III en IV.

Klagers verwijten beklaagde allereerst dat zij oude rapportages naar de rechtbank heeft gestuurd ter onderbouwing van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Het College zegt daarover dat het gangbaar is dat jeugdprofessionals ook oudere informatie meesturen naar de rechter in verband met de context van de casus. Naast oude informatie heeft beklaagde overigens ook recente informatie naar de rechtbank gestuurd.

Het tweede verwijt van klagers is dat zij vinden dat er vaak niet geluisterd wordt naar zorgsignalen die zij uiten over de zoon. De zoon is onder toezicht gesteld en woont bij vader. Bij vader is hulp ingezet voor vader en zoon. Eén van de betrokken instellingen was verantwoordelijk voor de medicatie. Het College geeft aan dat het lang kan duren voordat medicatie goed is ingeregeld, maar dat dat beklaagde niet te verwijten is.

Ten derde wordt beklaagde verweten dat zij bij haar standpunt blijft dat de dochter niet bij klagers kan worden teruggeplaatst. Het College stelt vast dat er ten aanzien van de terugplaatsing een verschil in visie bestaat tussen de GI en het LdH. Het College merkt op dat niet het College, maar de rechter bevoegd is om te toetsen of de dochter kan worden teruggeplaatst bij klagers. Het College kan alleen toetsen of beklaagde met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening. Dat is hier wel het geval. Volgens het College heeft beklaagde alle opties met betrekking tot het perspectief van de dochter meegewogen, waarbij steeds gehandeld is vanuit het belang van de dochter.

Bij het vierde klachtonderdeel stelt het College vast dat de organisatie van de bezoeken van de kinderen in de kerstvakantie niet optimaal is geweest. Het College kan zich voorstellen dat een goede en duidelijke bezoekregeling in vakanties belangrijk is voor zowel de kinderen als voor klagers. Volgens het College heeft het belang van vooral de dochter hier onvoldoende voorop gestaan. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond: de planning van de kersvakantie is niet naar behoren verlopen, waardoor artikel O (‘Beroepsuitoefening en samenwerking’) van de Beroepscode geschonden is. Beklaagde heeft dit ook erkend en haar excuses aangeboden.

Nu er één klachtonderdeel gegrond is verklaard, beklaagde zich heeft ingespannen om het nadeel te keren, heeft gereflecteerd op het eigen handelen, haar excuses heeft aangeboden en de overige klachtonderdelen ongegrond zijn, legt het College geen maatregel op.

lees verder

Klacht tegen een voormalige betrokken gezinsvoogd over haar handelen ten tijde van haar betrokkenheid.

Zaaknummer: 18.014T
Datum beslissing: 12 oktober 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de voormalige gezinsvoogd drie klachtonderdelen ingediend. Klaagster stelt dat beklaagde haar handelen heeft gebaseerd op niet ondertekende en dus niet rechtsgeldige beschikkingen. Ten tweede verwijt zij beklaagde dat zij miskent dat het gerechtshof een bindende uitspraak heeft gedaan over de frequentie van de omgang met haar oudste dochter. Tot slot verwijt klaagster beklaagde dat zij niet is ingegaan op het contact dat klaagster met haar heeft gezocht. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling. Het College oordeelt alles overziend dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Moeder klaagt over ambulant hulpverlener. Klachten (deels) gegrond verklaard wegens het niet zorgvuldig beëindigen van de professionele relatie (artikel I Beroepscode) en het niet op verzoek verstrekken van het SKJ registratienummer (artikel F Beroepscode). Het College van Toezicht legt de maatregel van waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.033T
Datum beslissing: 11 oktober 2018
Oordeel: deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder heeft tegen een ambulant hulpverlener, die in het kader van Intensieve Pedagogische Thuishulp (ITP) betrokken is geweest, zes klachten ingediend. Het College van Toezicht heeft klaagster in een klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard nu de inhoud van dit klachtonderdeel niet duidelijk is en onvoldoende onderbouwd. Een klachtonderdeel is ongegrond verklaard. Vier klachtonderdelen zijn door het College (deels) gegrond verklaard.

In deze beslissing staat onder andere de vraag centraal of beklaagde de professionele relatie zorgvuldig heeft beëindigd. Beklaagde heeft de samenwerking met klaagster door het sturen van een e-mail eenzijdig beëindigd. Partijen hebben een verschillende visie op verzoek van wie de samenwerking is beëindigd. Het College overweegt dat op grond van artikel I van de Beroepscode beklaagde verantwoordelijk is voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening. Deze wijze van afsluiting staat los van de vraag op wiens verzoek de hulpverlening al dan niet is beëindigd. Onder zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening wordt onder meer verstaan dat een jeugdprofessional de beslissing verantwoordt tegenover de cliënt. Het College is van oordeel dat de e-mail van beklaagde niet als een zorgvuldige afsluiting van de professionele relatie kan worden gezien en een schending is van artikel I van de Beroepscode.

Daarnaast is een klachtonderdeel gegrond verklaard dat ziet op het niet (willen) verstrekken van het SKJ registratienummer. Beklaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het een persoonlijk nummer betreft en nu klaagster dit nummer niet aan haar persoonlijk heeft gevraagd, deze niet door haar verstrekt hoefde te worden. Het College stelt voorop dat het register van SKJ een openbaar register is waarin geregistreerde jeugdprofessionals voor eenieder op te zoeken zijn. Het doel van het register is om inzichtelijk te maken welke jeugdprofessionals bij SKJ geregistreerd zijn en derhalve aan bepaalde eisen van vakbekwaamheid voldoen. Het College volgt beklaagde dan ook niet in haar standpunt dat het SKJ registratienummer een persoonlijk nummer is en dat het ter beoordeling van de betreffende jeugdprofessional is of deze al dan niet wordt afgegeven. Op grond van artikel F van de Beroepscode dient een jeugdprofessional informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde tuchtrecht te verstrekken. Het College is van oordeel dan beklaagde door het niet (willen) verstrekken van haar SKJ registratienummer niet conform dit artikel heeft gehandeld.

lees verder

Klachten die betrekking hebben op de periode voor de registratiedatum bij SKJ zijn niet-ontvankelijk. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.017Ta
Datum beslissing: 11 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en X t/m XIV gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond; klachtonderdelen II t/m IX niet ontvankelijk; klachtonderdeel XV ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft vijftien klachtonderdelen ingediend, hoofdzakelijk over het OTS-traject. Beklaagde is sinds 22 januari 2018 geregistreerd. (Onderdelen van) klachtonderdelen die betrekking hebben op handelen van beklaagde vóór die datum heeft het College als niet ontvankelijk beoordeeld. De overige (onderdelen van de) klachtonderdelen heeft het College, omdat het overtuigd is door het gemotiveerde verweer van beklaagde, als ongegrond beoordeeld.

lees verder

Klager onderbouwt zijn klachten onvoldoende; beklaagde voert gemotiveerd verweer. Op geen van de klachtonderdelen kan aan beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Zaaknummer: 18.017Tb
Datum beslissing: 11 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III en VI t/m XI ongegrond; klachtonderdelen IV en V niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is de vaste vervanger en later de supervisor van beklaagde in de zaak 18.017Ta. Klager verwijt beklaagde dat zij niet corrigerend heeft opgetreden ten aanzien van beklaagde a. Het College overweegt dat een supervisor alleen maar tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan zijn voor het eigen handelen. Het handelen moet dan ook nog hebben plaatsgevonden in de periode waarin beklaagde optrad als supervisor. Daarnaast kan beklaagde tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor haar handelen tijdens het optreden als vervanger van beklaagde a.

Echter, naar het oordeel van het College heeft klager zijn klachten onvoldoende onderbouwd en heeft beklaagde gemotiveerd verweer gevoerd door met stukken onderbouwd uit te leggen waarom zij bepaalde beslissingen heeft genomen. Klachtonderdelen I, II, III en VI t/m XI worden daarom ongegrond verklaard. Omdat de handelingen van beklaagde a in klachtonderdeel IV en V zich hebben afgespeeld voordat beklaagde de supervisor van de zaak werd, worden deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard.

Het College concludeert dat aan beklaagde op geen van de klachtonderdelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

lees verder

Geslaagd niet-ontvankelijkheidsverweer

Zaaknummer: 18.017Tc
Datum beslissing: 11 oktober 2018
Oordeel: niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is de teammanager van beklaagden in de zaak 18.017Ta/Tb. Klager heeft vier klachtonderdelen tegen beklaagde ingediend. Beklaagde voert een niet-ontvankelijkheidsverweer waarin hij aangeeft dat hij als teammanager geen werkzaamheden verricht in de hoedanigheid van jeugdzorgwerker en niet functioneel of anderszins is betrokken bij de inhoudelijke invulling van de OTS of bij het gevoerde beleid van de gezinsvoogden bij de uitvoering van de OTS. Beklaagde voert verder aan dat hij niet handelt als jeugdprofessional als bedoeld in het Tuchtreglement en dat klager daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klachten.

Het College verwijst naar zaak 16.004B in overweging 2.8, waarin werd overwogen dat een jeugdprofessional die werkzaam is als teammanager in beginsel niet tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Dit kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn. Het College toetst dit gegeven per klachtonderdeel en concludeert dat er in de onderhavige zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het College verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn vier klachten jegens beklaagde.

lees verder

Vader in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht omdat de gezinsmanager het College van Toezicht zou hebben misleid. Het College van Beroep verklaart het beroep van de vader ongegrond.

Zaaknummer: 18.005B (17.097T & 17.152T)
Datum beslissing: 7 september 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Betreft een vader die bij het College van Toezicht een klacht heeft ingediend over een gezinsmanager die bij het gezin van de vader betrokken is geweest, aanvankelijk in het vrijwillige kader en na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in het gedwongen kader. In beroep staat de vraag centraal wat de gezinsmanager tijdens een zitting bij de rechtbank al dan niet heeft verklaard over het coachen van de moeder en stimuleren van de kinderen met betrekking tot het contact met de vader en of zij daarmee het College van Toezicht heeft misleid.

Het College van Beroep volgt de vader niet in zijn stelling dat de gezinsmanager de rechtbank heeft misleid. De gezinsmanager heeft bij de rechtbank aangegeven dat de (eerste)skypecontacten moeizaam verliepen. Desondanks heeft zij getracht de moeder én de kinderen alsnog te stimuleren en is met alternatieven gekomen toen bleek dat de kinderen de skypecontacten niet wilden. Er is geen sprake van misleiding van het College van Toezicht noch van de rechtbank. Wel meent het College van Beroep dat het wellicht beter was geweest om bedenkingen, als die er zijn, zo goed mogelijk naar voren te brengen. Dat de gezinsmanager dit bij de rechtbank wellicht niet voldoende heeft gedaan maakt niet dat haar een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er immers niet om of het handelen beter had gekund.

Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de vader kenbaar gemaakt zijn beroep mogelijk niet juist te hebben geformuleerd. In algemene zin ziet zijn klacht/beroep erop dat de gezinsmanager niet volgens artikel 3.3 van de Jeugdwet heeft gehandeld. Het College van Beroep kan zich niet uitlaten over dit geherformuleerde beroep. De vader heeft er niet voor gekozen om zich tijdens het indienen van het klaagschrift/beroepschrift te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. In een dergelijke geval komt het voor risico en rekening van de indiener van het beroep indien het beroep niet compleet of niet zorgvuldig genoeg is geformuleerd. De wederpartij moet in staat zijn zich deugdelijk te verweren en daarom is het niet mogelijk om met nieuwe/geherformuleerde klachten c.q. grieven te komen tijdens de mondelinge behandeling van het beroep.
Betreft een vader die bij het College van Toezicht een klacht heeft ingediend over een gezinsmanager die bij het gezin van de vader betrokken is geweest, aanvankelijk in het vrijwillige kader en na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in het gedwongen kader. In beroep staat de vraag centraal wat de gezinsmanager tijdens een zitting bij de rechtbank al dan niet heeft verklaard over het coachen van de moeder en stimuleren van de kinderen met betrekking tot het contact met de vader en of zij daarmee het College van Toezicht heeft misleid.

lees verder

Het College van Beroep legt een berisping op aan een ervaren jeugdprofessional die als casusregisseur heeft nagelaten deugdelijk en voldoende feitelijk onderzoek te verrichten. Beklaagde heeft onvoldoende blijk van reflectie gegeven en er is sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen.

Zaaknummer: 18.002B (17.078T)
Datum beslissing: 15 augustus 2018
Oordeel: (principaal) beroep gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Zowel klaagster als beklaagde zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft aan beklaagde een waarschuwing opgelegd nu beklaagde – kort weergeven –  klaagster niet vooraf heeft geïnformeerd dat zij het gezin ging aanmelden bij een GI.

In principaal beroep slagen alle grieven van klaagster. Het College van Beroep is ten aanzien van deze grieven van oordeel dat er geen sprake is van een deugdelijk en voldoende feitelijk onderzoek verricht door beklaagde. Zo heeft beklaagde nagelaten de ontvangen zorgen (expliciet) te delen met klaagster. Zij had dusdanige zorgen dat de situatie anoniem is voorgelegd aan Veilig Thuis en later is opgeschaald naar de GI, zonder dat zij daarbij de Meldcode heeft gevolgd. Het volgen van de Meldcode is echter verplicht voor alle jeugdprofessionals. Het College van Beroep heeft de stellige indruk dat beklaagde voornamelijk uit is gegaan van signalen, maar dat de feitelijkheden hiervan hebben ontbroken. De vraag of er al dan niet protocollen binnen de organisatie zijn geweest doet hier niet aan af. Beklaagde is een ervaren jeugdprofessional en in het werkveld zijn voldoende middelen beschikbaar, zoals de richtlijnen en de Meldcode, waarvan verwacht mag worden dat beklaagde deze gebruikt om zodoende een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek te kunnen verrichten.
 
Het incidenteel beroep van beklaagde slaagt daarentegen niet. Het College van Beroep stelt vast dat er sprake was van hulpverlening in het vrijwillig kader. Dit betekent dat niet opgeschaald had mogen worden naar de GI zonder toestemming van de gezaghebbende ouder(s). Die overige redenen die al dan niet ten grondslag hebben gelegen aan de aanmelding bij de GI doen daar niet aan af. In dat kader wijst het College van Beroep erop dat ook hier het (in ieder geval) volgen van de Meldcode had kunnen zorgen voor een zorgvuldige afweging van de in te zetten hulp c.q. te nemen vervolgstappen.

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat beklaagde meerdere normen uit de Beroepscode heeft geschonden. Gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen en dat beklaagde onvoldoende blijk van reflectie heeft gegeven, acht het College van Beroep het opleggen van de maatregel van berisping passend en geboden. 

lees verder

Klacht over de raadsonderzoeker en de uitvoering van het raadsonderzoek; klager is als ouder met gezag niet betrokken bij het onderzoek en informatie is achtergehouden. Het deel van de klacht dat klager niet is geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is gegrond. Artikel F (‘Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening‘) is geschonden.

Zaaknummer: 17.128Tb
Datum beslissing: 15 augustus 2018
Oordeel: klachtonderdeel II deels gegrond, overige klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde in meerdere klachtonderdelen dat hij niet bij het onderzoek betrokken is. Uit het dossier maakt het College op dat beklaagde vanaf het moment dat zij betrokken was er alles aan heeft gedaan om met klager tot afspraken te komen. Uit brieven en e-mails blijkt dat klager steeds is geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek en telkens is uitgenodigd voor een inhoudelijk gesprek. Klagers stelling is dan ook onjuist.

Klager verwijt beklaagde voorts dat hij niet is geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College stelt vast dat artikel F van de Beroepscode van toepassing is. Dat artikel gaat over informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening en luidt als volgt: ‘De jeugdzorgwerker verschaft de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal.’ In de toelichting staat vermeld: ‘Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskaders, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt ten minste bedoeld: … informatie over deze code en het daaraan gekoppelde tuchtrecht …’. Vast staat dat beklaagde klager hier niet over heeft geïnformeerd en artikel F dat wel vereist. Het klachtonderdeel is dan ook gegrond. Het College constateert dat het kennelijk geen beleid is binnen de RvdK cliënten te wijzen op de Beroepscode. Het College is van oordeel dat hier (ook) een verantwoordelijkheid op instellingsniveau ligt. Beklaagde heeft de tuchtrechtelijke weg gevonden en is door het gebrek aan informatie over de Beroepscode en het tuchtrecht kennelijk niet in zijn belang geschaad.

Klager verwijt beklaagde dat zij hem gedwongen heeft een formulier te ondertekenen in verband met het opnemen van het gesprek. Het College overweegt dat er ten aanzien van de geluidsopnamen gewerkt is volgens de geldende werkinstructies binnen de RvdK. Het is gerechtvaardigd dat voorafgaand aan een opname van een gesprek afspraken gemaakt worden over onder meer het gebruik daarvan. Klager diende in eerste instantie een schriftelijke verklaring te ondertekenen en nadat de Klachtencommissie zich hierover heeft uitgelaten, is besloten met klager mondelinge afspraken te maken. Nu beklaagde eerst heeft gehandeld conform de toen geldende afspraken binnen de RvdK en klager later is aangeboden mondeling afspraken te maken over het vervaardigen van opnamen, kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden.

Beklaagde wordt tot slot verweten dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt. Beklaagde is niet tekort geschoten in de informatievoorziening en heeft geen beroepsnorm geschonden. Nu het College de verwijtbaarheid bij het deels gegronde klachtonderdeel II gering vindt, beklaagde pas drie weken bij het onderzoek betrokken was en het bovendien gaat om een eenmalige misslag, legt zij geen maatregel op.

lees verder

Klacht over de onderzoeker van Veilig Thuis; klager is niet geïnformeerd, er is niet met hem gesproken over de meldingen en beklaagde heeft volgens klager vooringenomen en niet transparant gehandeld. Het deel van de klacht dat klager niet is geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is gegrond. Artikel F (‘Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening‘) is geschonden.

Zaaknummer: 17.128Tc
Datum beslissing: 15 augustus 2018
Oordeel: klachtonderdeel II deels gegrond, overige klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde dat zij niet met klager in gesprek is gegaan. Het is het College gebleken dat klager wel is aangeboden om in gesprek te gaan, maar dat daar voorwaarden aan zijn verbonden. Veilig Thuis heeft klager geïnformeerd dat zij in gezamenlijkheid, dus met zowel klager als de moeder wilde praten, tenzij klager in gesprek zou willen over zijn eigen aandeel in de strijd. Het College acht deze beslissing van beklaagde navolgbaar. Daarbij is deze genomen in overleg met collega’s.

Klager verwijt beklaagde dat zij hem niets heeft verteld over zijn rechten, noch over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Beklaagde heeft evenmin gewezen op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon te kunnen spreken. Het College heeft kennis genomen van het feit dat de informatiefolder die Veilig Thuis normaal gesproken tijdens het eerste gesprek overhandigt pas tijdens een later klachtgesprek aan klager is verstrekt. Beklaagde heeft daar in het klachtgesprek haar excuses voor aangeboden en ook later verklaard hiervan geleerd te hebben. Het College overweegt dat klager eerder geïnformeerd had moeten worden over de werkwijze van Veilig Thuis. Informatieverstrekking door de hulpverlener is belangrijk. Dit deel van de klacht is dan ook gegrond.

Op het deel van de klacht dat beklaagde klager niet heeft geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is artikel F van de Beroepscode van toepassing. Dat artikel gaat over informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening en luidt als volgt: ‘De jeugdzorgwerker verschaft de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal.’ In de toelichting op dit artikel staat vermeld: ‘Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskaders, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt ten minste bedoeld: … informatie over deze code en het daaraan gekoppelde tuchtrecht …’. Nu vast staat dat beklaagde klager daar niet op heeft gewezen en artikel F van de Beroepscode dit wel vereist, dient dit deel van de klacht gegrond te worden verklaard. Het College constateert dat het kennelijk geen beleid is binnen Veilig Thuis cliënten te wijzen op de Beroepscode. Het College is van oordeel dat hier (ook) een verantwoordelijkheid op instellingsniveau ligt. Beklaagde heeft de tuchtrechtelijke weg gevonden en is door het gebrek aan informatie over de Beroepscode en het tuchtrecht kennelijk niet in zijn belang geschaad.
Vast staat voorts dat klager en de kinderen niet gewezen zijn op de mogelijkheid een gesprek aan te gaan met een vertrouwenspersoon. In de Jeugdwet staat dat alle (pleeg)kinderen, jongeren, (pleeg)ouders en verzorgers die vragen of klachten hebben over jeugdhulp daarvoor terecht moeten kunnen bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 4.1.9 lid 1 Jeugdwet luidt als volgt: ‘De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen de vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen.’ Het College leest hierin niet dat op de jeugdprofessional de verantwoordelijkheid rust om cliënten hierop te wijzen. Beklaagde heeft volgens klager zonder zijn toestemming gespreksverslagen van de kinderen doorgegeven aan de Beschermingstafel. Veilig Thuis heeft een wettelijke taak onderzoek in te stellen bij zorgen over de veiligheid. In dat kader mag zij informanten benaderen en gesprekken aangaan met de kinderen. Het College verwijst naar het Handelingsprotocol van Veilig Thuis, waarin staat dat Veilig Thuis betrokkenen vooraf informeert over externe overleggen, contacten en het verstrekken van informatie, maar dat toestemming van deze betrokkenen niet vereist is.

Tot slot verwijt klager beklaagde dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt. In artikel 5.1.6 lid 1 Wmo staat dat Veilig Thuis bevoegd is om persoonsgegevens van hun cliënten te verwerken, om zo de wettelijke opdracht die Veilig Thuis heeft goed uit te kunnen voeren. Beklaagde heeft hier geen beroepsnorm geschonden. Nu het College de verwijtbaarheid bij het deels gegronde klachtonderdeel II gering vindt, beklaagde heeft gereflecteerd op het eigen handelen en het bovendien gaat om een eenmalige misslag, legt zij geen maatregel op.

lees verder

Klacht over de raadsonderzoeker en de uitvoering van het raadsonderzoek; klager is als ouder met gezag niet betrokken bij het onderzoek en informatie is achtergehouden.

Zaaknummer: 17.128Td
Datum beslissing: 15 augustus 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde dat hij vooraf niet geïnformeerd is over het doel, de werkwijze en het tijdspad van het raadsonderzoek, en niet over de vorderingen. Voor het College staat vast dat het raadsonderzoek op 31 augustus 2017 van start is gegaan. Binnen een week, namelijk op 6 september 2017, is er tussen klager en beklaagde een afspraak ingepland voor 14 september 2017. Die afspraak is voortijdig afgebroken, waarna klager niet meer met beklaagde wilde praten. Uit het dossier is voorts gebleken dat zowel in een brief van 15 september als in een brief van 22 september 2017 klager is gewezen op de website van de RvdK, waar hij informatie kon vinden over doel, werkwijze en tijdspad van het raadsonderzoek. Voorts is op 22 september 2017 vanwege de communicatieproblemen tussen klager en beklaagde een tweede raadsonderzoeker toegevoegd, die klager verder op de hoogte heeft gehouden van het onderzoek. Het College is van oordeel dat klager voldoende is geïnformeerd.

Klager verwijt beklaagde voorts dat hij is weggelopen tijdens het gesprek op 14 september 2017 bij klager thuis. De reden was dat klager het gesprek op wilde nemen. Beklaagde eiste dat klager daarvoor een formulier zou ondertekenen. Klager heeft vanaf het begin gezegd dat hij geluidsopnamen zou gaan maken. Later heeft de Klachtencommissie ook geoordeeld dat hier geen schriftelijke afspraken over gemaakt hoefde te worden. Het College overweegt dat er ten aanzien van de geluidsopnamen die klager tijdens het gesprek wilde maken, gewerkt is volgens de geldende werkinstructies binnen de RvdK. Het is gerechtvaardigd dat voorafgaand aan een opname van een gesprek afspraken gemaakt worden over onder meer het gebruik daarvan. Daar was des te meer reden voor omdat klager beklaagde zonder diens instemming had toegevoegd aan een onbekende WhatsApp-groep. Er kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt dat hij conform de toen geldende werkinstructies binnen de RvdK deze afspraken schriftelijk wilde maken.

Klager verwijt beklaagde dat hij van het raadsonderzoek is buitengesloten. Het College overweegt dat uit het dossier voldoende is gebleken dat er steeds getracht is met klager inhoudelijk in gesprek te komen. Dat is helaas niet gelukt. Over en weer zijn er voorwaarden gesteld. Echter, ook nadat de RvdK haar voorwaarden had versoepeld, is klager niet ingegaan op een uitnodiging voor een inhoudelijk gesprek. Het College is van oordeel dat klager voldoende gelegenheid is geboden zijn mening te geven.Beklaagde wordt tot slot verweten dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt. Beklaagde is niet tekort geschoten in de informatievoorziening en heeft geen beroepsnorm geschonden.

lees verder

Beklaagde had erop moeten wijzen dat het voornemen van zijn cliënt in strijd was met de geldende wettelijke kaders en hij had een andere formulering moeten gebruiken om klager te typeren. De klachten worden gegrond verklaard. Artikel E en M van de Beroepscode zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.032T
Datum beslissing: 13 augustus 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft na het beëindigen van het hulpverleningstraject een eindverslag opgesteld en geadviseerd een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen. Volgens klager is hij op een subjectieve wijze door beklaagde in het eindverslag neergezet. Het College oordeelt dat de beklaagde een andere formulering had moeten gebruiken, of moeten uitleggen waarom hij klager op deze wijze heeft getypeerd. Dit handelen van beklaagde brengt een schending van artikel M van de Beroepscode met zich mee.

Voorts verwijt klager de beklaagde dat hij moeder geadviseerd heeft om de kinderen bij de grootouders onder te brengen. Naar het oordeel van het College had beklaagde zich bewust moeten zijn van de geldende wettelijke kaders en moeder op de hoogte moeten stellen van het feit dat zij de kinderen niet zonder toestemming van klager naar de grootouders had mogen brengen. Door dit na te laten heeft beklaagde artikel E van de beroepscode geschonden.

Het College acht het handelen met betrekking tot de formulering in het eindverslag verwijtbaar. Het wordt beklaagde ook aangerekend dat hij heeft nagelaten de moeder erop te wijzen dat zij in strijd handelde met de wettelijke kaders door de kinderen naar de grootouders te brengen. Ondanks dat beklaagde heeft gereflecteerd op zijn handelen, acht het College de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.  

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over de uithuisplaatsing van de dochter, de wijze van bejegening, het stopzetten van omgang met de zoon en de informatievoorziening.

Zaaknummer: 17.154T
Datum beslissing: 9 augustus 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College oordeelt dat beklaagde niet heeft besloten dat de dochter niet meer bij klaagster kan wonen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing getoetst. Beklaagde heeft contact gezocht met klagers om met hen te praten over mogelijkheden voor contact met de dochter en heeft zich hiervoor voldoende ingespannen. Het College kan niet vaststellen dat klagers onjuist bejegend zijn omdat klagers en beklaagde elkaar tegenspreken en hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. De collega van beklaagde heeft een e-mail gestuurd over het stopzetten van de omgang met de zoon en de GI heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven. Hierin staat dat klager geen omgang heeft met de zoon totdat hij is behandeld tegen boosheid voorzien van een uitleg.

Klager had van de mogelijkheid gebruik kunnen maken om bij de kinderrechter te vragen om deze aanwijzing vervallen te verklaren. Dat is niet gebeurd. Beklaagde heeft verder zorgvuldig gehandeld door gesprekken te voeren met klagers over de voorwaarden voor contactherstel. Beklaagde heeft gezegd dat hij volgens afspraak klagers maandelijks informeert over de kinderen. Klaagster heeft dit bevestigd. Beklaagde heeft gezocht naar een ander pleeggezin nadat de pleegouders van de dochter hem hebben bericht dat de dochter niet bij hen kon blijven wonen. Dat de dochter verplaatst moest worden, is niet verwijtbaar aan beklaagde.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht over de handelswijze van de jeugdzorgwerker voor, tijdens en na de vaccinatie van de minderjarige. Het deel van de klacht dat gaat over het ontbreken van samenwerking tussen klaagster en beklaagde is gegrond. Artikel O (‘Beroepsuitoefening en samenwerking’) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.

Zaaknummer: 18.010T
Datum beslissing: 9 augustus 2018
Oordeel: deel van de klacht gegrond, overige delen van de klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster klaagt over de handelswijze van beklaagde voor, tijdens en na de vaccinatie van de minderjarige. Klaagster voelt zich als ouder met eenhoofdig gezag buitenspel gezet. Beklaagde heeft een agressieve houding aangenomen, waardoor klaagster zich niet respectvol behandeld heeft gevoeld. Beklaagde heeft geprobeerd zijn macht te laten gelden. Dit komt naar voren doordat hij de minderjarige ver van klaagster wilde houden. Beklaagde is hardhandig opgetreden en tot slot heeft hij niet met klaagster samengewerkt. Volgens klaagster zijn de artikelen D, E, H, K en O geschonden.

Op 5 september 2017 is klaagster per e-mail door de gezinsvoogd geïnformeerd dat de minderjarige op 6 september gevaccineerd zou worden en dat de gezinsvoogd die dag vervangen zou worden door beklaagde. Tevens stond in de e-mail vermeld dat ook pleegmoeder bij de vaccinatie aanwezig zou zijn; zij had de uitnodigingsbrief voor de vaccinatie bij zich. Zowel klaagster als beklaagde hebben ter zitting verklaard dat in de e-mail van 5 september gesproken wordt over een ‘begeleid contactmoment’ voor klaagster. Het is het College echter gebleken dat klaagster vooraf geen toestemmingsformulier heeft ondertekend voor de medische behandeling van de minderjarige en dat evenmin door de GI aan de rechter vervangende toestemming is gevraagd. Het College overweegt dan ook dat er geen sprake was van een begeleid contactmoment, maar dat klaagster als ouder met eenhoofdig gezag bij de vaccinatie aanwezig moest zijn. Beklaagde is één dag voor de vaccinatie door de gezinsvoogd gevraagd in te vallen en de minderjarige te begeleiden. De voorbereiding van de vaccinatie is gedaan door de gezinsvoogd en geheel buiten beklaagde omgegaan. Voor de dag van de vaccinatie heeft beklaagde kennelijk instructies gekregen om klaagster niet met haar zoon alleen te laten. Uit de verklaringen van klaagster en beklaagde heeft het College afgeleid dat beklaagde deze instructies zeer strikt heeft opgevolgd. Zoals het College hiervoor heeft opgemerkt, was klaagster noodzakelijkerwijs aanwezig tijdens de vaccinatie. Dit is tevoren kennelijk onvoldoende duidelijk geworden bij beklaagde. Ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beklaagde zich niet heeft gerealiseerd wat de positie van klaagster was. Naar het oordeel van het College had hij zich dit, bij het overnemen van de begeleiding, meer moeten realiseren. Het College kan zich dan ook voorstellen dat het onder deze omstandigheden beter was geweest wanneer beklaagde meer de samenwerking had gezocht met klaagster. Dit deel van de klacht dat gaat over de samenwerking tussen klaagster en beklaagde is gegrond. Gelet op de korte termijn waarbinnen beklaagde gevraagd is de zoon te begeleiden en het gegeven dat hij geen vaste gezinsvoogd is, acht het College een en ander verminderd verwijtbaar. Bovendien gaat het om een eenmalige misstap.

De stelling van klaagster dat beklaagde geen respect heeft getoond, een agressieve houding heeft aangenomen, zijn macht heeft laten gelden en hardhandig is optreden, heeft het College niet kunnen vaststellen.

lees verder

Klachten gegrond tegen de preventief jeugdwerker over een advies wat zij aan de vader heeft gegeven, over de (informatie)verstrekking aangaande het dossier en de wijze waarop het dossier is bijgehouden. Meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden.

Zaaknummer: 17.141Ta
Datum beslissing: 8 augustus 2018
Oordeel: klachtonderdeel I, II en V gegrond; klachtonderdeel III, IV, VI, VII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, de moeder van twee kinderen, heeft tegen de preventief jeugdwerker zeven klachtonderdelen ingediend. Ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde hadden de kinderen de hoofdverblijfplaats bij klaagster. Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij in de kerstvakantie de vader heeft geadviseerd om de jongste zoon (voor een langere periode) bij hem te laten wonen, terwijl klaagster hierin niet betrokken is. Klachtonderdeel I gaat over dit advies. De andere klachtonderdelen gaan over verschillende verwijten met betrekking tot het dossier, dat beklaagde eenzijdige informatie heeft gebruikt voor de aanvraag van jeugdhulp en dat klaagster onheus bejegend is. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College constateert dat in de onderhavige casus geen sprake was van de inzet van “preventieve hulpverlening”. De casus had om die reden al bij aanvang van de hulpverlening niet onder de werkzaamheden van beklaagde moeten vallen. Dit neemt volgens het College niet weg dat beklaagde (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar handelen.

Klachtonderdelen I, II en V verklaart het College gegrond. Met betrekking tot klachtonderdeel I staat vast dat beklaagde tijdens de kerstvakantie aan de vader het advies heeft gegeven om de jongste zoon bij hem te laten wonen. Beklaagde heeft hierin het advies van de betrokken gedragswetenschapper gevolgd. Het College is van oordeel dat het gegeven advies niet strookt met artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit blijkt dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats  vaststelt, in het geval ouders samen niet tot overeenstemming komen. Ook overweegt het College dat het niet tot de bevoegdheden van beklaagde (als zijnde “preventief werker”) had mogen behoren de vader in een dergelijke kwestie te adviseren. Het College acht het handelen van beklaagde haar echter wel te verwijten, gelet op de eigen verantwoordelijkheid en vakbekwaamheid van een jeugdprofessional. Het College acht artikelen B (bevordering deskundigheid), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode geschonden. Het College wijst beklaagde ook op de richtlijn “Scheiding en problemen van jeugdigen”, in het bijzonder op hoofdstuk vijf. Met betrekking tot klachtonderdeel II wordt overwogen dat klaagster, op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, het recht heeft tot inzage en afschrift van het dossier, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Nu beklaagde de contactjournaals niet heeft toegezonden en klaagster daarover onvolledig is geïnformeerd, is het College van oordeel dat dit een schending oplevert van genoemde wettelijke bepaling en artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College concludeert in klachtonderdeel V dat beklaagde geen volledig dossier heeft bijgehouden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet, hetgeen een schending oplevert van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Voor wat betreft de op te leggen maatregel heeft het College oog voor de functie van beklaagde en de context van de instelling waarin zij werkzaam is geweest. Ook is het reflecterend vermogen van beklaagde meegewogen. Het College acht passend en geboden de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klachten gegrond tegen de casemanager jeugd over de (informatie)verstrekking aangaande het dossier, de dossieropschoning en de wijze waarop het dossier is bijgehouden. Meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden.

Zaaknummer: 17.141Tb
Datum beslissing: 8 augustus 2018
Oordeel: klachtonderdeel I en VI ongegrond; klachtonderdeel II, III en IV gegrond; klachtonderdeel V klaagster niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, de moeder van twee kinderen, heeft tegen de casemanager jeugd zes klachtonderdelen ingediend. Ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde hadden de kinderen de hoofdverblijfplaats bij klaagster. Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij samen met haar collega in de kerstvakantie de vader heeft geadviseerd om de jongste zoon (voor een langere periode) bij hem te laten wonen, terwijl klaagster hierin niet betrokken is. Klachtonderdeel I gaat over dit advies. De andere klachtonderdelen gaan over verschillende verwijten met betrekking tot het dossier en dat klaagster onheus bejegend is. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College verklaart klachtonderdeel I ongegrond, omdat beklaagde ten tijde van het gegeven advies aan de vader door vakantie afwezig is geweest. Beklaagde heeft volgens het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan de kerstvakantie niet had kunnen inschatten dat de incidenten, die zich hebben afgespeeld in de kerstvakantie, zouden plaatsvinden. Naar het oordeel van het College betreft de klacht dan ook niet het handelen of nalaten van beklaagde en is dit haar niet te verwijten.

Klachtonderdelen II, III en IV (die toezien op het dossier) verklaart het College gegrond. Met betrekking tot klachtonderdeel II wordt overwogen dat klaagster, op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, het recht heeft tot inzage en afschrift van het dossier, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Nu beklaagde de contactjournaals niet heeft toegezonden en klaagster daarover onvolledig is geïnformeerd, is het College van oordeel dat dit een schending oplevert van genoemde wettelijke bepaling en artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het verwijt in klachtonderdeel III betreft de privacy schending van klaagster, omdat aan de vader hetzelfde dossier is verstrekt. Het College overweegt op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dat een ouder slechts recht heeft op de gegevens van de ouder zelf, en niet die van de andere ouder, naast dat de ouder recht heeft op de gegevens in het kader van de geboden hulpverlening aan de kinderen. Omdat is vastgesteld dat beklaagde de gegevens, die slechts over klaagster gaan, niet heeft verwijderd uit het dossier, acht het College dit nalaten in strijd met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en een schending van artikelen J (vertrouwelijkheid) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode. Het College concludeert in klachtonderdeel IV dat beklaagde geen volledig dossier heeft bijgehouden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet, hetgeen een schending oplevert van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Voor wat betreft de op te leggen maatregel heeft het College oog voor de context van de instelling waarin beklaagde werkzaam is geweest. Ook is het reflecterend vermogen van beklaagde meegewogen. Het College acht passend en geboden de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klachten tegen de raadsonderzoeker over haar betrokken periode ten tijde van het opstellen van het raadsrapport.

Zaaknummer: 18.002T
Datum beslissing: 1 augustus 2018
Oordeel: Alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de raadsonderzoeker die betrokken is geweest bij het raadsonderzoek drie klachtonderdelen ingediend. Klaagster stelt dat beklaagde het raadsonderzoek niet neutraal is gestart. Beklaagde heeft onder andere een ongepaste opmerking geuit. Daarnaast is beklaagde uitgegaan van een affectieve relatie welke jaren na de geboorte van de dochter zou zijn beëindigd, het geen niet juist is. Tot slot is klaagster van mening dat het raadsrapport op een gekleurde wijze is geschreven. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

In deze samenvatting wordt kort het beroep van beklaagde over de ontvankelijkheid van de klacht toegelicht. Door beklaagde is een beroep op artikel 7.13 Tuchtreglement gedaan. De klachten zijn reeds door de interne en externe klachtencommissie van de Raad voor de Kinderbescherming beoordeeld. Het College is van oordeel dat er geen sprake is van een al eerder gevoerde procedure waarin een met voldoende waarborgen omklede beslissing is genomen. Volgens het College is het karakter en de aard van de procedure in vergelijking tot een procedure bij het SKJ verschillend. Hierdoor heeft klaagster niet reeds een beslissing bij een andere, formele, rechtsgang gekregen waarbij zij voldoende haar recht heeft kunnen laten gelden.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker waarbij de kern van het gegronde klachtonderdeel ziet op het verstrekken van contactjournaals. Artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.148T
Datum beslissing: 30 juli 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV, (deels) V, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII ongegrond; klachtonderdeel (deels) V gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdzorgwerker, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, twaalf klachtonderdelen ingediend. De kern van het deels gegronde klachtonderdeel ziet op het niet verstrekken van contactjournaals. Het College oordeelt dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen het inzagerecht en het verstrekken van gegevens over derden. Onder het inzagerecht voor klager wordt verstaan het recht op inzage in zijn eigen gegevens. Hier vallen contactjournaals, die alleen betrekking hebben op klager, onder. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht het zwart-wit beoordeeld te hebben en alleen gekeken te hebben of klager belast was met het gezag. Nu het verzoek in de periode zonder gezag is gedaan had klager volgens beklaagde geen recht op contactjournaals. Het College is echter van oordeel dat beklaagde de contactjournaals die alleen betrekking hebben op klager zo spoedig mogelijk, na het verzoek, had moeten verstrekken. Nu dit is nagelaten is artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Voor de gegevens over derden, in dit geval de contactjournaals die betrekking hebben op de kinderen en/of moeder, gelden andere regels. Hierbij heeft beklaagde zorgvuldig gehandeld door voor het verstrekken aan klager (zonder gezag) toestemming aan moeder te vragen. Moeder heeft hier geen toestemming voor gegeven waardoor beklaagde deze contactjournaals niet hoeft te verstrekken. Het College heeft er rekening mee gehouden dat het tuchtrechtelijk verwijt ziet op beperkt handelen en beklaagde gereflecteerd heeft op zijn handelen. Dit is voor het College aanleiding om af te zien van oplegging van een maatregel.

lees verder

Zowel klager als raadsonderzoeker in beroep tegen beslissing College van Toezicht. Klager is ondanks bedreigingen aan het adres van beklaagde ontvankelijk in zijn klacht. College van Beroep oordeelt echter, anders dan het College van Toezicht, dat de raadsonderzoeker niet de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De berisping wordt ingetrokken en er wordt geen andere maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 18.001B (17.051T)
Datum beslissing: 25 juli 2018
Oordeel: incidenteel beroep (deels) gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zowel klager als beklaagde zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft – kort weergeven – geoordeeld dat er sprake is van een onvolledig en eenzijdig raadsrapport waarmee beklaagde de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Het College van Toezicht heeft de maatregel van berisping aan beklaagde opgelegd.

Beklaagde heeft allereerst verzocht klager niet-ontvankelijkheid te verklaren in zijn klacht wegens bedreigingen aan haar adres. Het College van Beroep stelt voorop dat het niet gelukkig is met de bedreigingen die door klager geuit zijn aan het adres van beklaagde en het gebrek aan zelfreflectie op dit gedrag door klager. Het College van Beroep is van oordeel dat dergelijk gedrag nooit kan bijdragen aan een constructieve samenwerking tussen een betrokkene en een jeugdprofessional. Nu de bedreigingen echter zijn begonnen nadat beklaagde haar werkzaamheden als raadsonderzoeker feitelijk reeds had afgerond, en haar handelen derhalve niet is beïnvloed door de bedreigingen, verklaart het College van Beroep klager ontvankelijk in zijn klacht c.q. beroepschrift.  Het College van Beroep is, net als het College van Toezicht, van oordeel dat er sprake is van een eenzijdig en onvolledig raadsrapport. Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep echter van oordeel dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat zij daarmee de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Beklaagde heeft getracht zowel klager als moeder de ruimte te geven hun verhaal te vertellen en daarbij zelf neutraal te blijven.

De gegrond verklaarde klachten zien op het onvolledig en eenzijdig zijn van het opgestelde raadsrapport. Het College van Beroep is concluderend van oordeel dat er sprake is van een eenmalige misslag van de zijde van beklaagde en dat beklaagde – waar nodig in overleg – zorgvuldig besluiten heeft genomen. Beklaagde heeft inzicht gegeven in haar handelen en daarop gereflecteerd. Het College van Beroep trekt de opgelegde maatregel van berisping in en ziet geen aanleiding een andere maatregel op te leggen.

lees verder

Moeder in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep is van oordeel dat de jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Zaaknummer: 18.003B (17.084T)
Datum beslissing: 25 juli 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het beroepschrift richt zich tegen twee ongegrond verklaarde klachtonderdelen en een gegrond klachtonderdeel. De moeder wordt in haar grief tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel door het College van Beroep op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het College van Beroep overwogen dat het niet mogelijk is om in beroep te gaan tegen een beslissing van het College van Toezicht om al dan niet een maatregel op te leggen aan een beklaagde. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ.

In deze beroepsprocedure stond (onder andere) de vraag centraal of een jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College van Beroep heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het College van Beroep heeft in het oordeel meegenomen dat het is gebleken dat de jeugdbeschermer helder voor ogen had hoe zij de moeder wilde informeren over het beperken van de omgang en het aankondigen van de schriftelijke aanwijzing. Het College van Beroep is van oordeel dat het tijdspad dat de jeugdbescherming daarbij wilde hanteren, en de wijze van informeren, een werkwijze is die niet in strijd is met artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Beroepscode). Het College van Beroep betreurt wel de ontstane situatie tijdens het betreffende gesprek en dat hierdoor de jeugdbeschermer en de moeder beide niet (afdoende) in staat zijn geweest hun zienswijze te geven en/of voorgenomen besluit toe te lichten. Nu er door de jeugdbeschermer onbetwist is gesteld dat zich tijdens het gesprek een situatie voordeed waaruit zij opmaakte dat de veiligheid van de dochter in het geding was, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdbeschermer nog voldoende heeft gehandeld conform artikel E van de Beroepscode. Het College van Beroep heeft wel de indruk dat het aan een passend vervolg heeft ontbroken nu de jeugdbeschermer de moeder niet meer heeft gesproken of heeft uitgenodigd voor een vervolggesprek. Het handelen van de jeugdbeschermer ten opzichte hiervan had beter gekund, maar het gaat het College van Beroep te ver om de jeugdbeschermer ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

lees verder

Moeder in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep is van oordeel dat de jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Zaaknummer: 18.003B
Datum beslissing: 25 juli 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het beroepschrift richt zich tegen twee ongegrond verklaarde klachtonderdelen en een gegrond klachtonderdeel. De moeder wordt in haar grief tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel door het College van Beroep op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het College van Beroep overwogen dat het niet mogelijk is om in beroep te gaan tegen een beslissing van het College van Toezicht om al dan niet een maatregel op te leggen aan een beklaagde. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ.

In deze beroepsprocedure stond (onder andere) de vraag centraal of een jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College van Beroep heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het College van Beroep heeft in het oordeel meegenomen dat het is gebleken dat de jeugdbeschermer helder voor ogen had hoe zij de moeder wilde informeren over het beperken van de omgang en het aankondigen van de schriftelijke aanwijzing. Het College van Beroep is van oordeel dat het tijdspad dat de jeugdbescherming daarbij wilde hanteren, en de wijze van informeren, een werkwijze is die niet in strijd is met artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Beroepscode). Het College van Beroep betreurt wel de ontstane situatie tijdens het betreffende gesprek en dat hierdoor de jeugdbeschermer en de moeder beide niet (afdoende) in staat zijn geweest hun zienswijze te geven en/of voorgenomen besluit toe te lichten. Nu er door de jeugdbeschermer onbetwist is gesteld dat zich tijdens het gesprek een situatie voordeed waaruit zij opmaakte dat de veiligheid van de dochter in het geding was, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdbeschermer nog voldoende heeft gehandeld conform artikel E van de Beroepscode. Het College van Beroep heeft wel de indruk dat het aan een passend vervolg heeft ontbroken nu de jeugdbeschermer de moeder niet meer heeft gesproken of heeft uitgenodigd voor een vervolggesprek. Het handelen van de jeugdbeschermer ten opzichte hiervan had beter gekund, maar het gaat het College van Beroep te ver om de jeugdbeschermer ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

lees verder

Klacht tegen de voormalige jeugdbeschermer over zijn uitlatingen over klager tijdens het overdrachtsgesprek. Vier klachtonderdelen worden ongegrond verklaard en in het laatste klachtonderdeel wordt klager niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel verklaard.

Zaaknummer: 18.026T
Datum beslissing: 25 juli 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III en IV ongegrond; klachtonderdeel V niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de voormalige jeugdbeschermer verschillende klachtonderdelen ingediend. Beklaagde wordt – in de kern samengevat – verweten dat hij tijdens het overdrachtsgesprek, waarbij onder meer het CJG aanwezig was, belastende uitlatingen over klager heeft gedaan. Klachtonderdeel I tot en met IV worden ongegrond verklaard en in klachtonderdeel V wordt klager niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen door klager in klachtonderdeel I en II gesteld wordt (dat hij onder valse voorwendselen uitgenodigd is voor het overdrachtsgesprek en dat beklaagde klager onterecht beschuldigd heeft van mishandeling en opgelopen trauma bij zijn kinderen), blijkt volgens het College niet uit de overgelegde stukken. In het derde klachtonderdeel wordt beklaagde verweten dat klager in zijn eer en naam is aangetast, omdat informatie over zijn strafrechtelijke veroordeling is verspreid. Het uitgangspunt is dat de informatie-uitwisseling plaatsvindt op basis van toestemming van de betrokkene(n), conform artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Het College is het met beklaagde eens dat hij ervan uit kon en mocht gaan dat klager voor het delen van deze informatie zijn toestemming had verleend, nu het detentieverleden van klager tijdens het hulpverleningstraject meermaals aan bod is gekomen en klager hierover steeds slechts aangegeven had dat hij de reden van zijn veroordeling (richting derden) niet kenbaar wilde maken. Beklaagde heeft hier tijdens het overdrachtsgesprek gehoor aan gegeven. Het College overweegt dat het handelen van beklaagde weliswaar beter had gekund door met klager voorafgaand aan het gesprek hierover af te stemmen, maar dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. In zijn vierde klacht verwijt klager beklaagde dat hij niet de intentie heeft gehad om klager met zijn kinderen te herenigen. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard, omdat uit de stukken voldoende valt af te leiden dat het handelen van beklaagde steeds gericht is geweest op het realiseren van contact tussen klager en zijn kinderen. Tot slot ziet het laatste klachtonderdeel op het verwijt dat de kinderen klager niet leren kennen, omdat contact tussen hen ontbreekt. Het College verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht, omdat een duidelijke omschrijving van de klacht en daarmee het verwijt richting beklaagde ontbreekt. Het klachtonderdeel betreft namelijk niet het individuele handelen of nalaten van beklaagde.

lees verder

Klacht tegen een jeugdbeschermer waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op het uitwisselen van informatie zonder toestemming van klaagster en het niet informeren van klaagster over de inzet van de zus van klaagster als tolk van vader. Het College legt beklaagde een maatregel van waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.001T
Datum beslissing: 20 juli 2018
Oordeel: gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De plicht van beklaagde om gezaghebbende ouders te informeren, levert in de praktijk problemen op bij ouders die de Nederlandse taal niet machtig zijn. Het College realiseert zich dat het vinden van een tolk niet gemakkelijk is en dat hiervoor bij de gecertificeerde instelling weinig geld beschikbaar is. Het is begrijpelijk dat beklaagde heeft gehandeld naar bevind van zaken op het moment dat zij vader zo snel mogelijk moest informeren over een spoeduithuisplaatsing van de kinderen.

De inzet van de zus van klaagster als tolk is echter niet eenmalig geweest. Alternatieven om vader te informeren heeft beklaagde niet overwogen. Zij heeft niet intern overlegd over deze situatie en heeft klaagster niet geïnformeerd over het inzetten van haar zus als tolk. Het was beklaagde bekend dat de verhouding tussen hen verstoord was. In deze omstandigheden heeft beklaagde de privacy van klaagster geschonden. Zij heeft gehandeld in strijd met artikel J van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Nu beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen, is de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klaagster verwijt beklaagde een zorgmelding gedaan te hebben bij Veilig Thuis in verband met het vermoeden van kindermishandeling. De klachten worden ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 18.007T
Datum beslissing: 13 juli 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het kind van klaagster is vanaf 2016 onder toezicht gesteld. Beklaagde is orthopedagoog en is betrokken geweest bij het behandeltraject van het kind. Klaagster heeft telefonisch haar toestemming voor het behandeltraject ingetrokken. Beklaagde heeft vervolgens een zorgmelding bij Veilig Thuis gedaan in verband met een vermoeden van kindermishandeling. Klaagster verwijt beklaagde dat hij ten onrechte deze zorgmelding heeft gedaan en klaagster hierin niet heeft gehoord.

Beklaagde heeft klaagster een brief gestuurd om haar uit te nodigen voor een gesprek om zijn zorgen omtrent het kind te bespreken. In dezelfde brief heeft beklaagde klaagster geïnformeerd over de mogelijkheid om de zorgen te melden bij Veilig Thuis. Het College oordeelt dat beklaagde voldoende objectieve instrumenten heeft gebruikt om te beoordelen of en zo ja, welke zorgen er waren over het kind. Daarnaast heeft beklaagde ook zijn collega’s geconsulteerd en is hij in gesprek gegaan met klaagster. Het College is van oordeel dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. Klaagster verwijt dat beklaagde geen neutrale positie heeft ingenomen in het belang van de dochter. Beklaagde heeft met de gezinsvoogd gesproken over het voornomen om een zorgmelding te doen, zonder klaagster hierin te horen. Van het niet innemen van een neutrale positie door beklaagde, zoals klaagster stelt, is het College niet gebleken. Het College is van oordeel dat beklaagde, gelet op artikel 12 lid 4 van de Beroepscode, de gezinsvoogd heeft mogen informeren over het feit dat klaagster de behandeling van de dochter heeft beëindigd. Beklaagde is hierover transparant geweest naar klaagster.

lees verder

Klacht tegen de jeugdprofessional die werkzaam is in het crisisteam. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Het College schetst het uitgangspunt rond verslaglegging.

Zaaknummer: 18.004T
Datum beslissing: 13 juli 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde werkt in het crisisteam en is betrokken geweest bij de minderjarige in het drangkader. Klagers zijn de ouders van de minderjarige en dienen vier klachtonderdelen in. Deze gaan over het door beklaagde ingediende verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming en over de samenwerking met beklaagde. Allereerst is het verwijt dat beklaagde het verzoek niet zorgvuldig heeft opgesteld en belangrijke informatie heeft weggelaten (klachtonderdeel I). Daarnaast heeft zij klagers verzoek tot correctie genegeerd (klachtonderdeel II). Verder verwijten klagers beklaagde dat de communicatie met haar moeizaam is verlopen (klachtonderdeel III) en dat de minderjarige in vijf maanden tijd op vier verschillende plekken is opgenomen (klachtonderdeel IV). Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Deze samenvatting gaat in op het eerste klachtonderdeel: het verwijt dat het verzoek tot onderzoek door beklaagde onzorgvuldig is opgesteld. In de beoordeling schetst het College het uitgangspunt aangaande verslaglegging. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet dient de jeugdhulpverlener een dossier in te richten, indien dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Ook dienen persoonsgegevens op grond van artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld, juist, nauwkeurig en te zake dienend en niet bovenmatig te zijn. Tot slot dienen verslaglegging en dossiervorming te geschieden conform de beroepsstandaard, gelet op de toelichting van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College verwijst ook naar de aanbevelingen uit het rapport “Is de zorg gegrond?” van de Kinderombudsman uit 2013.

Op basis van het door beklaagde opgemaakte verzoek kan het College zich voorstellen dat de inhoud van het verzoek klagers tegen de borst stuit. Maar klagers hebben geen onderbouwende stukken overgelegd waaruit het door hen gestelde blijkt. Zij hebben slechts het verzoek overgelegd en hierin passages gemarkeerd en aantekeningen geschreven. Het College is het met klagers eens dat passages in het verzoek op de door het College genoemde punten beter c.q. neutraler geformuleerd had kunnen worden. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen van de professional beter had gekund. Daarom wordt het handelen van beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht.

Wel heeft het College beklaagde met deze beslissing willen meegeven dat rapportages van jeugdprofessionals langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Middels het oordeel in het eerste klachtonderdeel beoogt het College bij te dragen aan een verdere bewustwording hierover, ook binnen de gehele beroepsgroep.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het schetsen van een onjuist beeld van klaagster, het delen van een diagnose zonder toestemming, het niet informeren over de aanmelding van de kinderen bij een instelling en het niet bespreken van een Plan van Aanpak.

Zaaknummer: 17.155T
Datum beslissing: 12 juli 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat beklaagde meerdere keren met klaagster heeft gesproken over de hulpverlening en dat beklaagde verschillende vormen van hulpverlening heeft aangedragen welke door klaagster allemaal zijn afgewezen. Niet vastgesteld kan worden dat de informatie van de kinderarts en de instelling gebaseerd is op onjuiste informatie van beklaagde. Voorts kan het College door de tegenovergestelde verklaringen van partijen noch uit overgelegde stukken vaststellen op welke wijze vader heeft kennis genomen van de bij klaagster gestelde diagnose.

Beklaagde heeft klaagster een sms en een brief gestuurd over de datum van het intakegesprek. Klaagster heeft het contact met beklaagde geweigerd. Beklaagde heeft op verzoek van klaagster met de advocaat van klaagster gecommuniceerd. Uit de reacties van de advocaat mocht zij afleiden dat de advocaat de informatie met klaagster heeft besproken. Omdat klaagster het Plan van Aanpak heeft ondertekend zonder het door te lezen, lag het op haar weg om over eventuele aanvullingen zelf weer het contact te zoeken met beklaagde. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker, betrokken in het vrijwillig kader. De kern van het gegronde klachtonderdeel ziet op het niet op de hoogte stellen van betrokkenen van gecorrigeerde informatie over klaagster

Zaaknummer: 17.111T
Datum beslissing: 5 juli 2018
Oordeel: klachtonderdeel I (deels) gegrond, klachtonderdelen I, II, III en IV ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdzorgwerker, die betrokken is als contactpersoon in het vrijwillig kader, vier klachtonderdelen ingediend. Sinds 2015 wordt het gezin van de vader op vrijwillige basis begeleid. Beklaagde is vanuit deze instelling de vierde contactpersoon die is aangesteld.

lees verder

Klacht tegen gezinsmanager dat hij in de overleggen werkt zonder agenda en verslag, doelen slechts één keer per jaar evalueert, klager onheus bejegent, het verzoekschrift voor verlenging van de ondertoezichtstelling zonder overleg naar de rechter stuurt en een top teen onderzoek verzoekt zonder toestemming klager.

Zaaknummer: 17.100Ta
Datum beslissing: 5 juli 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Volgens klager wordt er tijdens de Uitvoerdersoverleggen geen agenda gehanteerd en geen verslag gemaakt. Toen beklaagde het werk overnam, vielen alle regels weg. Bovendien kreeg klager één keer per jaar tijdens de verlengingszitting te horen wat er volgens beklaagde was bereikt. Het College ziet de gestelde doelen ‘voorspelbaarheid, rust en duidelijkheid’ telkens terugkomen in de bij het verweer gevoegde bijlagen. Overigens kan het College de tijdens de mondelinge behandeling door beklaagde getoonde reflectie wel volgen, dat hij zich ten aanzien van de contactmomenten met klager sterker had kunnen positioneren.

De klacht dat beklaagde geen interesse heeft getoond in klager over hoe deze zijn vaderschap in wil vullen, acht het College niet onderbouwd. Uit het verweer blijkt voldoende dat klager is uitgenodigd voor alle overleggen en dat beklaagde steeds geprobeerd heeft klager erbij te betrekken. Over de klacht dat klager niet goed is geïnformeerd over de beslissing van de GI om de rechter verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken, overweegt het College dat nu klager direct na het gecancelde Uitvoerdersoverleg (wat door klager vergeten was) van beklaagde een e-mail heeft gekregen over de naderende deadline voor het indienen van het verzoekschrift en over de beslissing verlenging van de ondertoezichtstelling te gaan verzoeken, hij klager voldoende op de hoogte heeft gehouden. Voorts heeft beklaagde onweersproken aangevoerd dat klager, nadat de GI het verzoekschrift aan de rechter heeft gestuurd, de mogelijkheid heeft gekregen om te reageren via de GI, maar ook direct bij de rechter zelf. Klager is daardoor naar het oordeel van het College niet in zijn belangen geschaad.

Het College stelt vast dat beklaagde klager heeft geïnformeerd dat hij onder andere naar aanleiding van contact met de Jeugd- en Zedenpolitie heeft besloten over te willen gaan tot een top teen onderzoek van de minderjarige. Op 14 april 2017 mailt klager terug dat hij dit buitengewoon goed vindt. Het College kan klager dan ook niet volgen in zijn verwijt dat beklaagde de minderjarige onnodig aan een top teen onderzoek heeft blootgesteld en dat hij daarvan niet op de hoogte was. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen een jeugdbeschermer over het niet transparant handelen bij de overplaatsing van de minderjarige, onvoldoende handelen bij de zorgen over de minderjarige, onduidelijkheid over de registratiegegevens, het onvoldoende betrekken van de minderjarige en het onvoldoende doen met de geuite onvrede door klager

Zaaknummer: 18.006T
Datum beslissing: 4 juli 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer die betrokken is geweest als gezinsvoogd vijf klachtonderdelen ingediend. Klager stelt dat beklaagde zonder onderbouwing de minderjarige heeft overgeplaatst en hierover niet transparant is geweest.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Beklaagde is tot een onderbouwd oordeel gekomen over de noodzakelijke hulpverlening aan klaagster

Zaaknummer: 18.012T
Datum beslissing: 28 juni 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is tot een onderbouwd oordeel gekomen over de noodzakelijk hulpverlening aan klaagster. Zij heeft samengewerkt met meerdere hulpverleners die allen hetzelfde standpunt hebben ingenomen over de vorm van hulpverlening aan klaagster.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het Plan van Aanpak is te laat opgesteld maar beklaagde valt hiervan een beperkt tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel

Zaaknummer: 18.016T
Datum beslissing: 28 juni 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft acht klachtonderdelen geformuleerd. Klager verwijt beklaagde bij klachtonderdeel vijf dat zij zonder overleg met hem het Plan van Aanpak heeft vastgesteld. Het College is van oordeel dat de periode tussen de verlenging van de ondertoezichtstelling en het vaststellen van het Plan van Aanpak zes maanden is geweest. Een Plan van Aanpak biedt voor alle betrokkenen handvatten en structuur aan de hulpverlening voor een in tijd afgebakende periode. Het College is dan ook van oordeel dat deze periode te lang is.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer onder meer over het opvragen van medische informatie zonder toestemming van klager

Zaaknummer: 17.135T
Datum beslissing: 4 juni 2018
Oordeel: Klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager, de vader van een minderjarige dochter, heeft tegen de jeugdbeschermer (de gezinsvoogd) drie klachtonderdelen ingediend. Ten eerste verwijt klager de gezinsvoogd dat sprake is van schending van klagers privacy, omdat door beklaagde (medische) informatie bij klagers huisarts en klagers behandelaar van een regionale GGZ-instelling is opgevraagd, zonder dat klager hiervoor toestemming verleend heeft. In het tweede klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat zij een onterechte verklaring gedaan heeft tijdens een zitting bij de kinderrechter. Ten derde wordt beklaagde verweten dat zij informatie heeft gedeeld met de school van de dochter.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Deze samenvatting gaat in op het eerste klachtonderdeel: het verwijt dat beklaagde medische gegevens heeft opgevraagd bij de behandelaren van klager zonder zijn toestemming. Het College leidt allereerst uit de door klager overlegde e-mailberichten afkomstig van beklaagde en de overige stukken in het dossier niet af dat beklaagde vertrouwelijke (medische) informatie van klager bij zijn behandelaren heeft opgevraagd, zoals door klager wordt gesteld.  Daarnaast acht het College dat beklaagde juist en conform artikel K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld door de zorgen over de dochter met de huisarts te bespreken en het gezinsplan conform afspraak toe te sturen. Dit gelet op de zorgelijke uitspraken van de dochter – aangaande lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik – waar tijdens het raadsonderzoek geen uitsluitstel over kon worden gegeven. Ook heeft beklaagde in het contact met klagers behandelaar bij de regionale GGZ-instelling naar het oordeel van het College niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, nu zij slechts contact met de behandelaar (en klager) heeft opgenomen om te zoeken naar mogelijkheden om tot overleg met klager te komen. Verder heeft beklaagde klager schriftelijk op de hoogte gebracht, zowel over het contact met de huisarts als met de behandelaar van de regionale GGZ-instelling. Het College oordeelt dat beklaagde in het contact met de huisarts en de behandelaar van de regionale GGZ-instelling binnen de grenzen is gebleven van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Tot slot wijst het College partijen ten overvloede op artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet. Hieruit vloeit voort dat in het geval van een kinderbeschermingsmaatregel ook zonder toestemming van de betrokkene(n), wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp, (beroepsmatige) informatieverstrekking kan plaatsvinden aangaande de onder toezicht gestelde minderjarige, diens wettelijke vertegenwoordiger of ouder.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer onder meer over het verstrekken van een vertrouwelijk verslag van een IQ-test aan school zonder toestemming van klaagster

Zaaknummer: 17.136T
Datum beslissing: 4 juni 2018
Oordeel: Klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, de moeder van een minderjarige dochter, heeft tegen de jeugdbeschermer (de gezinsvoogd) drie klachtonderdelen ingediend. Ten eerste verwijt klaagster de gezinsvoogd dat sprake is van schending van de privacy, omdat het vertrouwelijke verslag van de IQ-test aan de dochters nieuwe school is overlegd, zonder dat klaagster hiervoor toestemming heeft verleend. In het tweede klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde grensoverschrijdend gedrag, onder meer vanwege de onbehoorlijke vragen die zij in een open ruimte van de school aan de dochter gesteld zou hebben. Ten derde stelt klaagster zich op het standpunt dat beklaagde opzettelijk schade aan de dochter heeft toegebracht. Deze laatste klacht is tweeledig. Allereerst stelt klaagster dat beklaagde één dag voor een afspraak met klaagster op 31 januari 2017 heeft laten weten dat zij niet aanwezig kon zijn. In het tweede onderdeel van deze klacht wordt beklaagde verweten dat aan de dochter een veel te laag schooladvies is gegeven, omdat beklaagde het verslag van de IQ-test aan de nieuwe school verstrekt heeft.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Deze samenvatting gaat in op het eerste klachtonderdeel. Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel, stelt het College dat voor de uitwisseling van vertrouwelijke informatie aan derden toestemming nodig is van de wettelijke vertegenwoordiger(s) en, indien van toepassing, de minderjarige zelf. Het toestemmingsvereiste geldt niet wanneer sprake is van een overmachtssituatie. Of in deze zaak sprake is geweest van een overmachtssituatie, is echter volgens het College niet aan de orde. Het College treft in het dossier namelijk voldoende aanwijzingen dat beklaagde onder de gegeven omstandigheden ervan uit mocht gaan dat klaagster, als wettelijke vertegenwoordigster van de dochter, wel de vereiste toestemming had gegeven voor het verstrekken van het verslag van de IQ-test aan de school. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

lees verder

Klacht tegen de raadsonderzoeker over het opvragen van vertrouwelijke informatie zonder toestemming van klaagster en het verdraaien van de waarheid in het raadsrapport teneinde de ondertoezichtstelling verleend te krijgen

Zaaknummer: 17.136Tc
Datum beslissing: 4 juni 2018
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van een minderjarige dochter, heeft tegen de raadsonderzoeker die belast is geweest met de uitvoering van het raadsonderzoek, twee klachtonderdelen ingediend. Ten eerste wordt beklaagde verweten dat sprake is van schending van de privacy, omdat informatie is opgevraagd en opgenomen in het raadsrapport zonder toestemming van klaagster. In het tweede klachtonderdeel verwijt klaagster beklaagde dat zij de waarheid in het raadsrapport heeft verdraaid en dat zij dingen heeft verzonnen teneinde de ondertoezichtstelling van de dochter verleend te krijgen.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart beide klachtonderdelen ongegrond. Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel, oordeelt het College dat klaagster (conform artikel 3.2.8 van het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming) de toestemmingsverklaring heeft ondertekend, waarop vermeld staat dat onder meer de betreffende huisarts (de huisarts van de dochter, tevens huisarts van de vader) en de GGZ instantie benaderd zouden worden. Het College is van oordeel dat beklaagde, met het benaderen van voornoemde informanten en het verwerken van de door de informanten gegeven informatie, gehandeld heeft binnen de daarvoor geldende regels. Van een schending van een beroepsnorm is het College niet gebleken. Het College oordeelt over het tweede klachtonderdeel als volgt. De RvdK is op grond van artikel 3.3 van de Jeugdwet verplicht om in een raadsrapport de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dat klaagster meent dat de melding van het CJG van 17 maart 2016 onjuistheden bevat, maakt nog niet dat beklaagde deze melding onterecht in het raadsrapport heeft opgenomen. Naar het oordeel van het College is beklaagde immers, op grond van artikel 3.3 van het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming, verplicht de aanleiding voor het onderzoek, en de door de melder of verzoeker ter beschikking gestelde informatie, op te nemen in het raadsrapport. Ook voor wat betreft de overige stellingnamen van klaagster in dit klachtonderdeel is het volgens het College voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde conform artikel 3.3 van de Jeugdwet heeft gehandeld.

lees verder

Klacht tegen de gedragswetenschapper over het afnemen van een IQ-test bij een minderjarige en het verspreiden van deze test, zonder de toestemming van de moeder (klaagster)

Zaaknummer: 17.147T
Datum beslissing: 4 juni 2018
Oordeel: klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van een minderjarige dochter, heeft tegen de gedragswetenschapper, die de IQ-test bij haar dochter heeft afgenomen, drie klachtonderdelen ingediend. Ten eerste verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder toestemming van klaagster een IQ-test bij haar dochter heeft afgenomen. Deze IQ-test heeft in haar dochters nadeel gewerkt en veel ellende veroorzaakt, zoals een (onterechte) machtiging tot uithuisplaatsing. In het tweede klachtonderdeel wordt beklaagde verweten dat het verslag van de IQ-test, zonder toestemming van klaagster, verspreid is onder derden. Beklaagde heeft het verslag namelijk opgeslagen op de zogenoemde S-schijf van het CJG, welke toegankelijk is voor alle gedragswetenschappers van het CJG. Voorts heeft beklaagde het verslag overhandigd aan de betrokken jeugdbeschermer van de dochter. Ten derde verwijt klaagster beklaagde dat zij tijdens de betrokkenheid van het CJG geen behandelplan voor de dochter heeft opgesteld.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. Deze samenvatting gaat in op de eerste twee klachtonderdelen. Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel, oordeelt het College dat beklaagde een professionele relatie met de dochter van klaagster is aangegaan en dat op grond van artikel 12 van de Beroepscode NVO hiervoor toestemming van de cliënt vereist is. Omdat de dochter ten tijde van het onderzoek echter tien jaar oud was, kon op grond van artikel 12 juncto artikel 5, derde lid, van de Beroepscode NVO worden volstaan met het verkrijgen van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger van de dochter, te weten klaagster. Alhoewel klaagster stelt dat zij geen toestemming verleend heeft voor het afnemen van de IQ-test, treft het College in het dossier voldoende aanwijzingen aan om vast te kunnen stellen dat deze toestemming wel door klaagster is verleend. Voorts verwijt klaagster beklaagde in dit klachtonderdeel dat zij het verslag van de IQ-test negatief heeft opgesteld, teneinde een machtiging tot uithuisplaatsing te verkrijgen. Het College is het echter met beklaagde eens dat het gangbare praktijk is dat hetgeen door de onderzoeker wordt waargenomen tussen ouder(s) en kind, wordt opgenomen in het verslag. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde, met de gekozen bewoording in het verslag, geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel, oordeelt het College dat beklaagde met de wijze van opslaan van het dossier gehandeld heeft conform artikel 31 van de Beroepscode NVO. Beklaagde heeft het verslag immers opgeslagen in een databank welke beveiligd is met een wachtwoord en slechts toegankelijk is voor collega-gedragswetenschappers. Voor wat betreft het delen van het verslag van de IQ-test met de betrokken jeugdbeschermer, alsmede het bespreken van de uitkomsten van de IQ-test met de dochter, is het College op grond van de stukken niet gebleken dat de vereiste toestemming van klaagster hiervoor zou ontbreken.

Voorts wijst het College partijen er ten overvloede op dat in het geval van een kinderbeschermingsmaatregel (artikel 7.3.11, lid 4 Jeugdwet en artikel 8, lid 5 van de Beroepscode NVO) ook zonder toestemming van de betrokkene(n) informatieverstrekking betreffende de onder toezicht gestelde minderjarige, diens wettelijk vertegenwoordiger of ouder plaats kan vinden, wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp.

lees verder

Klacht tegen jeugd- en gezinscoach die is betrokken in het vrijwillig kader. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde in lijn met artikel Q van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld.

Zaaknummer: 18.021T
Datum beslissing: 28 mei 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugd- en gezinscoach die betrokken is geweest in het vrijwillig kader vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster stelt dat beklaagde zowel heeft nagelaten passende zorg te bieden als een samenwerkingsrelatie op te bouwen. Daarnaast heeft klaagster niet de gelegenheid gekregen om vooraf de melding bij het jeugdbeschermingsplein in te zien en haar kant van het verhaal toe te lichten. De laatste klacht is dat de opgevraagde contactjournaals onvolledig zijn gebleken. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Deze samenvatting gaat kort in op klachtonderdeel één, aangaande het nalaten van het bieden van passende zorg. Het College oordeelt dat beklaagde in lijn met artikel Q van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Alvorens te starten met de aan haar toebedeelde opdracht heeft beklaagde overleg gehad met de verschillende betrokken instanties, omdat het in eerste instantie een onuitvoerbare opdracht leek. Beklaagde heeft volgens het College zorgvuldig gehandeld door hierover eerst een afweging te maken alvorens te starten met de hulpverlening in het vrijwillig kader. Met betrekking tot de overige klachtonderdelen heeft het College geoordeeld dat het door klaagster gestelde gemotiveerd is weerlegd in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het onvoldoende transparant zijn, niet in teamverband werken en het niet tot stand brengen van contactherstel tussen klaagster en de minderjarige.

Zaaknummer: 17.130T
Datum beslissing: 28 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klaagster bestaat uit zeven klachtonderdelen. Ten aanzien van klachtonderdeel I en II oordeelt het College dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij inzet heeft getoond om contactherstel te realiseren tussen klaagster en de minderjarige. Het College overweegt hierbij dat het belang van het kind, bij het streven naar contactherstel tussen een ouder en kind, voorop dient te staan. De overweging van beklaagde om het oordeel van de therapeute leidend te laten zijn, en om die reden geen contactmoment tussen klaagster en de minderjarige in te plannen, acht het College dan ook navolgbaar. Het College overweegt voorts dat zowel klaagster als beklaagde respectievelijk hun klaagschrift en verweerschrift niet op alle klachtonderdelen hebben onderbouwd met relevante stukken. Voorts hebben klager en beklaagde aan diverse gebeurtenissen, contacten e.d. verschillende interpretaties verbonden. Deze omstandigheden hebben tot ongegrondverklaring van een aantal klachtonderdelen geleid. Het College acht het in dit kader van belang om aan te geven dat waarheidsvinding in deze gevallen geen taak vormt van het College. Tot slot overweegt het College ten overvloede dat beklaagde in zijn rol als gezinsvoogd tegengestelde belangen heeft moeten behartigen. In complexe casuïstiek als deze, zou het naar het oordeel van het College daarom meer in de rede liggen om meerdere gezinsvoogden aan te stellen, voor de ouders en voor de kinderen. Het College overweegt hier wel dat het feit dat in het onderhavige geval geen tweede gezinsvoogd is benoemd niet aan beklaagde kan worden verweten, nu hij tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat personeelsgebrek hiervan de oorzaak is geweest.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Naar het oordeel van het College heeft deze onder de geschetste omstandigheden van het geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld bij het te laat opstellen van het Plan van Aanpak.

Zaaknummer: 17.142T
Datum beslissing: 24 mei 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, negen klachtonderdelen ingediend. Klager stelt dat beklaagde het Plan van Aanpak te laat en niet in samenspraak met hem heeft opgesteld. Ten tweede heeft beklaagde onterecht aangestuurd op medicatie in plaats van een her diagnose van de ADHD bij de minderjarige. Ten derde heeft beklaagde moeder niet heeft willen motiveren voor het ouderschapsplan. Ten vierde is beklaagde onterecht niet bij hem op huisbezoek geweest. Ten vijfde heeft beklaagde onvoldoende samengewerkt met school rondom de totstandkoming van de toelaatbaarheidsverklaring. Ten zesde stelt klager dat hij niet juist is geïnformeerd en ongelijkwaardig is betrokken als ouder met gezag. Ten zevende heeft beklaagde zonder toestemming informatie bij derde opgevraagd. Ten achtste is door beklaagde de verslaglegging niet bij klager gecontroleerd of de informatie klopt en belangrijke informatie is achterwege gelaten. Tot slot stelt klager dat hij onjuist is voorgelicht over de procedure, inzage en bezwaar tegen de schriftelijke aanwijzing en onnodige barrières zijn opgeworpen. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. In deze samenvatting wordt één klachtonderdeel kort toegelicht. In klachtonderdeel één, betreffende het te laat opstellen van het Plan van Aanpak, oordeelt het College dat onder de door beklaagde geschetste omstandigheden en gezien haar vele inspanningen zij zorgvuldig heeft gehandeld en binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Beklaagde heeft toegelicht dat zij zich intensief heeft ingespannen om de samenwerking met klager tot stand te brengen. Een traject waarbij een gezamenlijk Plan van Aanpak moet worden opgesteld kan alleen volbracht kan worden als beide partijen zich hier voor inspannen. Gebleken is dat klager – ondanks de vele pogingen door beklaagde – hieraan niet heeft meegewerkt. Met betrekking tot de overige klachtonderdelen heeft het College geoordeeld dat het door klager gestelde onvoldoende is onderbouwd dan wel gemotiveerd is weerlegd in het verweer en tijdens de mondelinge behandeling.

lees verder

Het College ziet af van het opleggen van een maatregel. Beklaagde heeft erkend dat zij onjuist heeft gehandeld en hierop gereflecteerd.

Zaaknummer: 17.117T
Datum beslissing: 24 mei 2018
Oordeel: klachtonderdeel III deels gegrond en deels ongegrond; klachtonderdelen I, II, IV ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Kern van de klacht is dat beklaagde informatie negeert en haar zin doordrijft, zij klaagster niet serieus neemt, de inhoud van haar rapportage niet deugt en dat zij onvoldoende deskundig is om het onderzoek uit te voeren. In deze samenvatting wordt alleen klachtonderdeel III besproken. De andere klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Klachtonderdeel III ziet toe op het volgens klager niet deugen van de rapportage omdat hierin onvolledige en valse informatie is opgenomen en beklaagde hiermee valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Hiermee is klaagster haar vertrouwen in de jeugdzorg geschonden. Beklaagde bestrijdt dit. Beklaagde stelt dat zij zich aan de regels heeft gehouden en noemt enkele voorbeelden.

In een email bericht aan klaagster geeft beklaagde aan dat zij in het kader van onderzoek in ieder geval contact gaat opnemen met het consultatiebureau en de huisarts en dat nog beoordeeld zal worden of het noodzakelijk is andere professionals te benaderen. Beklaagde gaat er in haar e-mail van uit dat als zij geen tegenbericht krijgt, klaagster hiermee instemt. Beklaagde heeft informatie opgevraagd bij het kinderdagverblijf. Het College oordeelt dat beklaagde klaagster had moeten laten weten dat zij voornemens was om dit te doen. Nu zij dit niet gedaan heeft, heeft beklaagde een beroepsnorm geschonden. Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard voor wat betreft de wijze waarop informatie is ingewonnen bij het kinderdagverblijf. Voor het overige is dit klachtonderdeel ongegrond.

lees verder

Beklaagde is psycholoog. Zonder toestemming van klaagster is zij PCIT gestart ten behoeve van de minderjarige en het pleeggezin waar deze in het kader van een ondertoezichtstelling verblijft. Het College overweegt dat sprake is van een behandeling in de zin van de WGBO. Deze behandeling valt niet onder de uitzondering van artikel 7.3.1 lid 3 van de Jeugdwet. Aan klaagster als ouder met gezag had toestemming gevraagd moeten worden voor de start van PCIT. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de Beroepscode voor Psychologen en ook met de Richtlijn Samen beslissen.

Zaaknummer: 17.110T
Datum beslissing: 24 mei 2018
Oordeel: gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Wegens de ernst van de problematiek is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de GI. De gezinsvoogden van de GI achten de inzet van jeugdhulp in de vorm van Parent Child Interaction Therapy (PCIT) voor het kind noodzakelijk. Het kind verblijft sinds september 2016 in een perspectief biedend pleeggezin. Beklaagde wordt verweten dat zij zonder toestemming en medeweten van klaagster een PCIT behandeling bij het kind heeft verricht. Ook heeft beklaagde de levenslijn van het kind opgemaakt, met daarin negatieve informatie over klaagster en de vader. Dit had volgens klaagster het doel om de levenslijn, zonder toestemming van klaagster, met het kind te bespreken. Klaagster heeft gezag over het kind.

Beklaagde betwist dat klaagster niet op de hoogte was van de inzet van PCIT. Zij verwijst naar een hulpverleningsplan waarin staat dat PCIT wordt aangeboden aan de pleegouders. Dit plan is met klaagster en vader besproken. Het contact met klaagster verliep in eerste instantie via de medewerkers van de GI. Toen beklaagde voor het eerst zelf contact had met klaagster heeft zij een uitleg gegeven over de levenslijn en de PCIT-behandeling.

Het College oordeelt dat beklaagde verwijtbaar heeft gehandeld. De bepalingen uit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) zijn van dwingend recht. Voor patiënten jonger dan 12 jaar dienen de ouders met gezag toestemming te geven ter uitvoering van een behandelovereenkomst. De bepaling in de Jeugdwet dat geen toestemming nodig is voor jeugdhulp in het gedwongen kader geldt niet voor jeugdhulp in de vorm van geneeskundige behandeling. Omdat de PCIT een geneeskundige behandeling is in de zin van de WGBO, had klaagster voor deze behandeling toestemming moeten geven. Beklaagde heeft nagelaten om toestemming te vragen. Het kennisnemen door klaagster van de inzet van PCIT via een hulpverleningsplan is daartoe onvoldoende. Dat de communicatie met klaagster in het kader van de ondertoezichtstelling via de medewerkers van de GI liep, doet aan de verantwoordelijkheid van beklaagde op zichzelf niet af. De uitvoering van de ondertoezichtstelling ontslaat beklaagde immers niet van de verplichting de ouders zoveel mogelijk te betrekken bij de begeleiding en behandeling van het kind. Ook voor het opstellen van de levenslijn van het kind als onderdeel van de behandeling ontbrak de ondubbelzinnige toestemming van klaagster ten onrechte. Tevens is niet duidelijk hoe beklaagde is omgegaan met het ontstane conflict van plichten. Met het niet vragen van toestemming tot slot heeft beklaagde de Richtlijn Samen met ouder en jeugdige beslissen over hulp heeft geschonden. De uitvoering van de ondertoezichtstelling ontslaat beklaagde immers niet van de verplichting de ouders zoveel mogelijk te betrekken bij de begeleiding en behandeling. Het College stelt vast dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met bepalingen uit de Beroepscode voor Psychologen.

Beklaagde heeft ter zitting onvoldoende blijk gegeven van inzicht in haar eigen verantwoordelijkheid als psycholoog. Wel heeft beklaagde blijk gegeven bereid en in staat te zijn tot reflectie op het eigen handelen. Het College komt tot de slotsom dat de maatregel van waarschuwing passend is.

lees verder

Klacht tegen raadsmedewerker dat in het raadsrapport zonder overleg oude, niet op waarheid getoetste, informatie is gebruikt, dat uitbreiding van het beschermingsonderzoek naar het derde kind van klaagster onrechtmatig is en dat zonder overleg, dan wel toestemming, informatie over het derde kind is verstrekt aan de GI. De artikelen D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’, artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel J (‘Vertrouwelijkheid’) zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.107Ta
Datum beslissing: 23 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en III ongegrond, klachtonderdeel II gegrond en klachtonderdeel IV deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klaagster verwijt beklaagde dat zij zonder overleg oude, niet op waarheid getoetste, informatie bij het onderzoek heeft betrokken. Het College ziet juist een zeer compleet en uitgebreid rapport waarin door beklaagde naar een balans is gezocht tussen het verleden en het heden. Het College wijst op hoofdstuk 4 van Het Kwaliteitskader van de RvdK, waar staat dat raadsrapporten een beperkte geldigheidsduur hebben, maar dat de feiten uit deze rapporten wel gebruikt mogen worden bij volgende raadsrapporten.

Klaagster is van mening dat het onderzoek naar de opvoeding van het derde kind van klaagster (dat kind woont bij klaagster, in tegenstelling tot haar andere twee kinderen, die in een pleeggezin wonen) een onrechtmatige overheidsinmenging is in haar gezinsleven. Door een willekeurige uitbreiding van het onderzoek heeft beklaagde in strijd gehandeld met de professionele standaard. De RvdK stelt een onderzoek in naar de opvoedsituatie van het derde kind terwijl er volgens beklaagde geen enkele concrete zorg is. Het College overweegt dat volgens het Kwaliteitskader (pagina 5) de RvdK ambtshalve een onderzoek in kan stellen als tijdens contacten in het kader van een ander onderzoek of een andere taak van de RvdK, blijkt dat de situatie van het kind ernstig bedreigend is voor zijn of haar ontwikkeling. Naar het oordeel van het College komt noch uit de stukken, noch uit de verklaringen hierover naar voren dat er sprake was van een concrete ‘ernstige bedreiging voor de ontwikkeling’ van het derde kind. Het verweer van beklaagde dat er in genoemd multidisciplinair overleg hiertoe besloten is, omdat de twee andere kinderen beschadigd zijn en er geen zicht was op het derde kind, is naar het oordeel van het College onvoldoende grond. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klaagster verwijt beklaagde tot slot dat zij informatie over het derde kind zonder overleg en instemming van klaagster met de GI heeft gedeeld. Dit deel van de klacht slaagt naar het oordeel van het College niet. De RvdK geeft uitvoering aan een publiekrechtelijke taak en het delen van informatie met ketenpartners kan noodzakelijk zijn. Onder andere in de Jeugdwet komt dit tot uitdrukking in artikel 7.3.11 lid 4. Ten aanzien van het delen van informatie zonder overleg oordeelt het College dat beklaagde klaagster vooraf zorgvuldig had moeten informeren dat zij informatie gaat delen, waarom en op welke manier zij dat gaat doen. Het klachtonderdeel is deels gegrond.

lees verder

Klacht tegen gedragsdeskundige dat in het raadsrapport zonder overleg oude, niet op waarheid getoetste informatie is gebruikt, dat uitbreiding van het beschermingsonderzoek naar het derde kind van klaagster onrechtmatig is en dat zonder overleg, dan wel toestemming, informatie over het derde kind is verstrekt aan de GI. Artikel 30 lid 1 (‘Verantwoordelijkheid nemen bij samenwerking en bij de inzet van anderen’) jo artikel 37 (‘Zorgvuldig rapporteren’), artikel 30 lid 1 jo artikel 24 (‘Respect voor de waardigheid en persoonlijke levenssfeer van de cliënt’) en artikel 10 lid 3 (‘Zorgvuldigheid jegens een ieder’) van de Beroepscode van de NVO zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.107Tb
Datum beslissing: 23 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en III ongegrond, klachtonderdeel II gegrond en klachtonderdeel IV deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klaagster verwijt beklaagde dat zij zonder overleg oude, niet op waarheid getoetste, informatie bij het onderzoek heeft betrokken. Het College ziet juist een zeer compleet en uitgebreid rapport waarin door beklaagde naar een balans is gezocht tussen het verleden en het heden. Het College wijst op hoofdstuk 4 van Het Kwaliteitskader van de RvdK, waar staat dat raadsrapporten een beperkte geldigheidsduur hebben, maar dat de feiten uit deze rapporten wel gebruikt mogen worden bij volgende raadsrapporten.

Klaagster is van mening dat het onderzoek naar de opvoeding van het derde kind van klaagster (dat kind woont bij klaagster, in tegenstelling tot haar andere twee kinderen, die in een pleeggezin wonen) een onrechtmatige overheidsinmenging is in haar gezinsleven. Door een willekeurige uitbreiding van het onderzoek heeft beklaagde in strijd gehandeld met de professionele standaard. De RvdK stelt een onderzoek in naar de opvoedsituatie van het derde kind terwijl er volgens beklaagde geen enkele concrete zorg is. Het College overweegt dat volgens het Kwaliteitskader (pagina 5) de RvdK ambtshalve een onderzoek in kan stellen als tijdens contacten in het kader van een ander onderzoek of een andere taak van de RvdK, blijkt dat de situatie van het kind ernstig bedreigend is voor zijn of haar ontwikkeling. Naar het oordeel van het College komt noch uit de stukken, noch uit de verklaringen hierover naar voren dat er sprake was van een concrete ‘ernstige bedreiging voor de ontwikkeling’ van het derde kind. Het verweer van beklaagde dat er in genoemd multidisciplinair overleg hiertoe besloten is, omdat de andere twee kinderen beschadigd zijn en er geen zicht was op het derde kind, is naar het oordeel van het College onvoldoende grond. Het klachtonderdeel is gegrond.

Klaagster verwijt beklaagde tot slot dat zij informatie over het derde kind zonder overleg en instemming van klaagster met de GI heeft gedeeld. Dit deel van de klacht slaagt naar het oordeel van het College niet. De RvdK geeft uitvoering aan een publiekrechtelijke taak en het delen van informatie met ketenpartners kan noodzakelijk zijn. Onder andere in de Jeugdwet komt dit tot uitdrukking in artikel 7.3.11 lid 4. Ten aanzien van het delen van informatie zonder overleg oordeelt het College dat beklaagde klaagster vooraf zorgvuldig had moeten informeren dat zij informatie gaat delen, waarom en op welke manier zij dat gaat doen. Het klachtonderdeel is deels gegrond.

lees verder

Het College van Toezicht verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht wegens grievend gedrag tegen een jeugdzorgwerker.

Zaaknummer: 17.121T
Datum beslissing: 18 mei 2018
Oordeel: niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Sinds 2017 is de zoon van klaagster uithuisgeplaatst en woont hij op een voor klaagster onbekend adres. Beklaagde is sinds de ondertoezichtstelling van de zoon belast met de uitvoering hiervan. Klaagster verwijt beklaagde in de kern dat hij niet doet aan waarheidsvinding en de rechtbank onjuist informeert. Beklaagde heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klachten, omdat klaagster zeer veel grievende teksten jegens beklaagde heeft geuit. Deze teksten waren zo ernstig dat hij en zijn werkgever op een gegeven moment aangifte hebben gedaan van smaad, laster en bedreiging. Beklaagde heeft hiertoe verschillende stukken aan e-mailcorrespondentie overgelegd. Klaagster heeft hiertegen ingebracht dat zij een klacht heeft ingediend over de handelswijze van beklaagde en dat het niet gebruikelijk is dat beklaagde de klacht probeert weg te vegen door naar klaagster te wijzen. Zij verzoekt dan ook de correspondentie die niet rechtstreeks aan de klacht is gerelateerd, terzijde te leggen.

Het College ziet geen aanleiding om de overgelegde e-mailberichten ter zijde te leggen. Deze dienen immers ter ondersteuning van het primaire verweer van beklaagde. Het College heeft de stellige overtuiging dat klaagster gedurende een lange periode structureel, en met een zeer groot verspreidingsgebied heeft geprobeerd beklaagde persoonlijk, maar ook in de door hem uitgeoefende functie, publiekelijk te beschadigen. Daardoor is beklaagde in een situatie gebracht waarin in redelijkheid van hem niet meer kan worden verwacht dat hij zijn functie nog naar behoren en enigermate onbevangen kan uitoefenen. Naar het oordeel van het College heeft klaagster door aldus te handelen haar recht verspeeld een tuchtklacht in te dienen tegen beklaagde.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling.

Zaaknummer: 17.094T
Datum beslissing: 14 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde kort samengevat dat beklaagde een gebrek aan inzicht heeft in de gemoedstoestand van de kinderen, dat zij gemaakte afspraken over de omgang tussen vader en de kinderen niet is nagekomen, zich onprofessioneel heeft opgesteld, rapportages niet heeft verstrekt en een diagnose heeft gesteld dat in een raadsrapport is terechtgekomen. Het College is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met gemaakte afspraken en dat zij onvoldoende inzicht heeft gehad in de gemoedstoestand van de kinderen. In het vrijwillig kader is het van belang dat zowel klaagster als vader overeenstemming bereiken over de vervolgstappen in de hulpverlening. Nadat klaagster aan beklaagde te kennen heeft gegeven dat zij niet akkoord was met een omgangsmoment tussen vader en de kinderen, heeft beklaagde geen verdere actie tot omgang ondernomen. Ten tijde van het gesprek was bovendien een beschikking van kracht waarin de omgang tussen vader en de kinderen is vastgesteld.

Het College overweegt dat beklaagde klaagster heeft geïnformeerd over het gesprek tussen vader en de kinderen en dat vader hiervan op de hoogte is gesteld. Ten aanzien van de niet verstrekte rapportages is het College van oordeel dat beklaagde het plan aan het einde van de diagnosefase aan klaagster heeft opgestuurd als afronding van de hulpverlening. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld door noch aan vader noch aan klaagster een foto van een flipover te verstrekken. Dat beklaagde een diagnose heeft gesteld of uitspraken heeft gedaan die zij niet heeft kunnen doen, is het College niet gebleken. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling.

Zaaknummer: 17.151T
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde kort samengevat dat zij nalatig is geweest in de uitvoering van haar werkzaamheden, dat zij valsheid in geschrifte heeft gepleegd, dat zij op de stoel van de psycholoog is gaan zitten en dat zij ten onrechte de aanmelding van het kind bij het CIZ voor de WLZ aan klager en moeder heeft overgelaten. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft gemotiveerd welke acties zij heeft ondernomen om de zorg voor het kind in kaart te brengen. Zij heeft alle partijen betrokken bij een ‘groot overleg’ waar een multidisciplinair besluit is genomen en waar klager zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken. Onweersproken heeft beklaagde uiteengezet dat zij in het vrijwillig kader heeft afgesproken met klager en moeder dat het initiatief voor de start en het in gang zetten van de hulpverlening bij hen ligt en dat zij hiermee akkoord zijn gegaan. Zij hebben minder hulp gebruikt dan is aangeboden. Beklaagde heeft in een actieplan de situatie van het kind beschreven en verwezen naar psychodiagnostisch onderzoek.

Ten aanzien van de valsheid in geschrifte overweegt het College dat klager heeft verwezen naar een document dat niet door hem in deze procedure is overgelegd, dat beklaagde het gestelde heeft betwist en dat het College geen aanknopingspunten in het dossier heeft aangetroffen die de stelling van klager ondersteunen. Dat de psycholoog een andere visie heeft over de benodigde hulpverlening dan de andere partijen in het ‘groot overleg’ valt beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten. Met betrekking tot de aanmelding van het kind bij het CIZ voor de WLZ overweegt het College dat beklaagde met klager en moeder heeft afgesproken dat zij zelf de aanmelding doen en dat zij bereid is te helpen wanneer dat nodig is. Beklaagde heeft zich op deze wijze voldoende actief ingezet voor het gezin van klager. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op het niet nemen van een regiefunctie, de onvoldoende bronvermelding in een rapportage en het niet transparant communiceren. Artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.132T
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en IV (deels) gegrond, klachtonderdelen I (deels), II (deels) en IV (deels) ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, vier klachtonderdelen ingediend. Het College heeft klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en IV (deels) gegrond verklaard. De kern van de gegronde klachtonderdelen ziet op het volgende. Ten aanzien van klachtonderdeel I is voor het College gebleken dat beklaagde ten tijde van zijn betrokkenheid als jeugdbeschermer onvoldoende een regiefunctie heeft genomen. Beklaagde heeft de nadruk op de inhoud gelegd en is daarbij de onderlinge betrekkingen gedeeltelijk uit het oog verloren. Zoals beklaagde ook heeft erkend, was het aan hem om als jeugdprofessional de regie te nemen. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft beklaagde erkend dat de bronvermelding beter had gemoeten en gereflecteerd op zijn handelen. Het College heeft geoordeeld dat de bronvermelding onvoldoende is geweest. Ook had beklaagde nadat hij op de hoogte was gebracht van dit gebrek de rapportage moeten aanpassen. Ten aanzien van klachtonderdelen drie en vier oordeelt het College dat er een gebrek aan transparante communicatie is geweest. Beklaagde had zijn aannames expliciet met klager moeten bespreken Beklaagde heeft volgens het College artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. Hij heeft in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling gereflecteerd op zijn handelen en toegelicht welke aanpassingen hij reeds heeft gemaakt. Voor het College ontbrak nog een adequate reflectie op het gebied van de communicatie en het oppakken van signalen en het daar naar handelen tijdens gesprekken met cliënten. Gelet op dit voorgaande acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.

lees verder

Klacht tegen jeugd- en gezinswerker over het geven van onjuiste informatie over de schoolovergang van de minderjarige en het ten onrechte sluiten van het dossier.

Zaaknummer: 17.137T
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klager bestaat uit vijf klachtonderdelen. Klachtonderdeel I ziet op de schoolovergang van de minderjarige, en de gesprekken die hierover zijn gevoerd met klager, beklaagde en de school. Tijdens de gesprekken was een tolk aanwezig. Klager stelt dat beklaagde hem heeft misleid. Het College overweegt dat klager en beklaagde een verschillende beleving hebben over het verloop van de gesprekken op school. Hoewel het College niet kan vaststellen of de tolk de inhoud van de gesprekken correct heeft overgebracht aan klager, ziet het College in het dossier geen aanknopingspunten die leiden tot de conclusie dat beklaagde klager tijdens de gesprekken op school heeft misleid. Het College neemt hierbij in de aanmerking dat beklaagde, zoals zij ook heeft gesteld, niet verantwoordelijk is geweest voor de beslissing om de minderjarige over te plaatsen naar een andere school. Ten aanzien van klachtonderdeel II en V oordeelt het College dat deze klachtonderdelen onvoldoende onderbouwd zijn. Klachtonderdeel III ziet op het sluiten van het dossier. Het College acht de beslissing van beklaagde om het dossier te sluiten navolgbaar. Voorts is het voor het College voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde een afsluitende brief aan klager heeft toegezonden c.q. persoonlijk heeft afgegeven. Ten overvloede merkt het College hierbij op dat het de aanbeveling verdient om brieven per aangetekende post of per e-mail te verzenden, zodat er geen onenigheid kan ontstaan omtrent de vraag of een brief is verzonden. Klachtonderdeel IV is tot slot ongegrond verklaard, omdat beklaagde ten tijde van het indienen van de melding bij Veilig Thuis niet meer betrokken was bij het gezin van klager.

lees verder

Vader gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep verklaart het beroepschrift ongegrond en volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de jeugdzorgwerker zorgvuldig heeft gehandeld, onder andere rondom haar vertrek bij de GI.

Zaaknummer: 17.029Ba (16.137Ta)
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Appellant is vader van drie minderjarige kinderen. De kinderen wonen bij de ex-partner van appellant. Tussen appellant en de kinderen is een omgangsregeling vastgesteld.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 september 2011 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd doch per 23 maart 2018 beëindigd. Verweerster was jeugdzorgwerker bij de GI en was van maart 2016 tot oktober 2016 betrokken bij de ondertoezichtstelling van de kinderen.

Het beroepschrift ziet op de klachtonderdelen I, II en III. Deze zijn door het College van Toezicht ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel I ziet op het verwijt van appellant jegens verweerster dat zij aan de kinderen van appellant verteld zou hebben aangifte gedaan te hebben tegen appellant. Verweerster ontkent dit. Het College van Beroep kan niet vaststellen of verweerster de door appellant gestelde mededeling heeft gedaan omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van appellant niet gegrond kan worden bevonden nu het College van Beroep de feiten niet kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.  Het College van Beroep volgt daarom het College van Toezicht, dat het klachtonderdeel ongegrond heeft verklaard.  

Klachtonderdeel II ziet op het volgende. Appellant verwijt verweerster de omgang tussen hemzelf en de kinderen te hebben gefrustreerd door niet aan te geven dat zij uit dienst was getreden bij de GI. Het College van Beroep stelt vast dat verweerster appellant wel op de hoogte heeft gesteld van haar uitdiensttreding. Voor het College van Beroep is niet duidelijk op welke manier verweerster met haar handelswijze de omgang gefrustreerd zou hebben. Ook deze grief faalt.

Klachtonderdeel III gaat over het verwijt van appellant jegens verweerster betreffende uitspraken die zij gedaan zou hebben die haar organisatie niet wilde en kon nakomen, waardoor zij de omgang tussen appellant en zijn kinderen gefrustreerd zou hebben.

Wegens omstandigheden kon de omgang niet direct worden opgestart door de opvolger van verweerster. Dit kan naar het oordeel van het College van Beroep niet met zich meebrengen dat verweerster een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt betreffen het maken van de afspraak rondom de omgang zelf. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is, waardoor de grief faalt.

lees verder

Vader en gezinsvoogd gaan beide in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het beroep van de gezinsvoogd slaagt: gezinsvoogd hoeft niet te controleren of de ene ouder de andere ouder informatie heeft verstrekt.

Zaaknummer: 17.029Bb (16.137Tb)
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Appellant is vader van drie minderjarige kinderen. De kinderen wonen bij de ex-partner van appellant. Tussen appellant en de kinderen is een omgangsregeling vastgesteld.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 september 2011 de kinderen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd doch per 23 maart 2018 beëindigd. Verweerder was samen met een andere gezinsvoogd vanaf maart 2016 betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.
Het beroepschrift richt zich tegen klachtonderdelen I, II, III, IV, V en VII, welke door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard, en klachtonderdeel VII, welke gegrond is verklaard.

De grieven van appellant falen, het College van Beroep volgt het College van Toezicht in de beoordeling van die klachtonderdelen.

Klachtonderdeel VII ziet op het volgende. Verweerder zou de informatieplicht geschonden hebben. Volgens het College van Toezicht had verweerder moeten controleren of en op welke wijze de informatie van moeder bij appellant terecht is gekomen. Het College van Toezicht verklaarde om die reden de klacht gegrond maar zag af van het opleggen van een maatregel. Verweerder voert aan dat het klachtonderdeel ten onrechte gegrond is verklaard.

Het College van Beroep oordeelt dat niet valt in te zien dat de gezinsvoogd in het algemeen een verplichting heeft om te controleren of de gezaghebbende ouder aan diens verplichting tot informatieverschaffing heeft voldaan jegens de andere ouder. In tegenstelling tot het College van Toezicht verklaart het College van Beroep de klacht ongegrond.

Voor wat betreft klachtonderdeel VII wordt de beslissing van het College van Toezicht vernietigd, waardoor de klacht in al haar onderdelen ongegrond is verklaard.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over het aankondigen van uithuisplaatsing aan huisarts van klaagster, terwijl daar geen sprake van was.

Zaaknummer: 17.114Tc
Datum beslissing: 9 mei 2018
Oordeel: klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van een minderjarige zoon, heeft tegen de raadsonderzoeker die het derde raadsonderzoek heeft uitgevoerd een klacht ingediend. Beklaagde was bij dit raadsonderzoek samen met de beklaagden uit de zaaknummers 17.114Ta en 17.114Tb betrokken. De rol van beklaagde in het raadsonderzoek was beperkt. Zij heeft tot eind april/begin mei 2017 geparticipeerd in het onderzoek en is daarna, vanwege langdurige afwezigheid, vervangen door beklaagde in zaaknummer 17.114Tb.

Klaagster verwijt beklaagde dat zij, toen zij de huisarts van klaagster belde, een uithuisplaatsing heeft aangekondigd terwijl daar geen sprake van was. Beklaagde betwist dat zij de huisarts als informant heeft benaderd. Zij heeft enkel de peuterspeelzaal als informant benaderd.

Het College oordeelt dat beklaagde de stelling van klaagster gemotiveerd heeft betwist. Nu klaagster geen feiten heeft aangevoerd die haar stelling nader onderbouwen, is haar klacht dat beklaagde de huisarts van klaagster heeft gebeld en zonder aanleiding een uithuisplaatsing heeft aangekondigd, ongegrond.

lees verder

Klacht tegen een jeugdbeschermer die betrokken is bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, met name over haar handelswijze richting klaagster.

Zaaknummer: 17.131T
Datum beslissing: 4 mei 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen een jeugdbeschermer van de GI, de betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, zes klachtonderdelen ingediend. Klaagster stelt dat beklaagde haar niet heeft geïnformeerd over het welzijn van de kinderen, er opzettelijk onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt aan gerechtelijke instanties, er geen pogingen worden ondernomen om de verschillende omgangsregelingen weer tot stand te brengen, post van klaagster niet tijdig aan de kinderen is verstrekt en er onvoldoende invulling is gegeven aan het doel van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. In deze samenvatting wordt één klachtonderdeel kort toegelicht. Klachtonderdeel één, betreffende het niet informeren over het welzijn van de kinderen, oordeelt het College dat beklaagde in lijn met artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Zij heeft gemotiveerd toegelicht bij elk moment een afweging te hebben gemaakt tussen enerzijds het belang van de dochter en anderzijds het belang van klaagster om geïnformeerd te worden. Het College oordeelt dat beklaagde zeer zorgvuldig heeft gehandeld. Met betrekking tot de overige klachtonderdelen heeft het College geoordeeld dat beklaagde het door klaagster gestelde gemotiveerd heeft weerlegd in haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling.

lees verder

Klacht over maatschappelijk werkster Veilig Thuis, die een verzoek tot onderzoek aan de Raad vol onwaarheden en zonder bronvermelding zou hebben geschreven, over de te korte tijd om daarop te kunnen reageren en over onheuse bejegening in e-mails.

Zaaknummer: 17.123T
Datum beslissing: 4 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, III en IV deels gegrond klachtonderdeel II ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klaagster bestaat uit vier klachtonderdelen. I en IV gaan over het verzoek tot onderzoek dat beklaagde heeft geschreven ten behoeve van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Klaagster verwijt beklaagde dat er een veelheid aan fouten/verwijtbare onwaarheden in staat, de werkelijkheid is vertekend en er is geen bronvermelding. In klachtonderdeel II verwijt klaagster beklaagde dat het onmogelijk was om in twee dagen het concept verzoek tot onderzoek te becommentariëren. In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat de toonzetting in de e-mails respectloos is en dat zij op buitenproportionele wijze allerlei voor klaagster en de minderjarige diep ingrijpende maatregelen in gang heeft gezet.

lees verder

Klacht tegen casusregisseur over het niet tot stand brengen van omgang tussen klager en de minderjarige. Het College oordeelt dat beklaagde artikel D, I, M en N van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.

Zaaknummer: 17.126Tb
Datum beslissing: 2 mei 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klager bestaat uit vijf klachtonderdelen. Klachtonderdeel I, III en V zijn door het College gegrond verklaard. Het wordt beklaagde aangerekend dat zij bij het opstellen van de omgangsregeling de schijn heeft gewekt dat zij niet neutraal is geweest door meer gesprekken met de moeder te voeren dan met klager. Het College overweegt dat het van groot belang is dat de jeugdprofessional in de contacten met ouders een zekere balans houdt, mede om te voorkomen dat een ouder het gevoel kan krijgen dat de jeugdprofessional partijdig is. Voorts acht het College het verwijtbaar dat beklaagde na de procedure bij de klachtcommissie klager niet (tijdig) heeft geïnformeerd over de verdere stappen, en het Verzoek tot Onderzoek suggestief is doordat niet is vermeld om welke reden informatie in het Verzoek tot Onderzoek ontbreekt. Het College heeft in zijn overweging, welke maatregel passend is, meegenomen dat beklaagde zich in een lastige positie heeft bevonden, gelet op het feit dat klager geen gezaghebbend ouder is, er reeds verschillende hulpverleningstrajecten zijn doorlopen op het moment dat beklaagde als casusregisseur is aangesteld, en er sprake is van hulpverlening in het vrijwillig kader. Voorts heeft beklaagde met betrekking tot het opstellen van de omgangsregeling gereflecteerd op haar handelen. Het College acht de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klacht tegen de (gezins)voogd. Geschonden voor wat betreft het sterk verminderde contact tussen de twee minderjarige kinderen (artikel A ‘jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen’ geschonden) en de verstoorde familieverhoudingen (artikel G ‘overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening’, A ‘jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen’ en D ‘bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’ geschonden).

Zaaknummer: 17.125T
Datum beslissing: 2 mei 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en II ongegrond, klachtonderdelen III en IV gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers, tante en oom van twee minderjarige kinderen, hebben vier klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional, over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling en opvolgend de voogdijmaatregel. Klagers menen dat beklaagde door zijn handelen en nalaten de belangen van de kinderen schaadt. Een van de kinderen is woonachtig bij klagers, hiervan zijn klagers netwerkpleegouders, en een van de kinderen woont in een gezinshuis. Beklaagde wordt het volgende verweten. Beklaagde kiest consequent voor de belangen van de vader, niet voor de kinderen (I). Beklaagde staat veelvuldig en onbegeleid contact tussen de vader en een van de kinderen toe (II). Beklaagde staat toe en draagt eraan bij dat de vader het contact tussen de twee kinderen verhindert (III) en beklaagde verstoort de familieverhoudingen (IV).

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Klachtonderdelen III en IV verklaart het College gegrond. Voor wat betreft klachtonderdeel III acht het College het zeer kwalijk dat in de periode tussen september 2015 tot heden de contactmomenten tussen de kinderen zeer minimaal zijn geweest, ondanks de wensen hierover van de kinderen. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij mogelijke alternatieven onderzocht heeft dan wel dat hij zich voldoende ingespannen heeft om frequent contact tussen de kinderen op gang te laten komen, te waarborgen en te garanderen. Het College acht het sterk verminderde contact tussen de kinderen niet in het belang van hun ontwikkeling en welzijn (artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden). Ten aanzien van klachtonderdeel IV overweegt het College dat gebleken is dat in deze casus de familieverhouding complex liggen en dat de kinderen al geruime tijd in een andere opvoedsituatie verblijven en dat gebleken is dat zij beide belast zijn met individuele problematiek, hetgeen (mogelijk) een andere aanpak ten opzichte van de hulpverlening voor de kinderen met zich meebrengt. Beklaagde heeft zich naar het oordeel van het College echter onvoldoende ingespannen om tot een overleg te komen met klagers, als zijnde de opvoeders van een van de kinderen (artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden). Voorts heeft beklaagde onvoldoende erkenning gegeven voor wat betreft de (belangrijke) rol van klagers in het leven van het minderjarige kind dat niet woonachtig bij hen is en heeft hij klagers onvoldoende betrokken bij de hulpverlening voor dit kind, in tegenstelling tot hoe de vader betrokken is bij deze hulpverlening. Voornoemd handelen heeft naar het oordeel van het College eraan bijgedragen dat de onderlinge verhoudingen tussen klagers en de vader verder op scherp zijn gezet (artikel A en D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker ook geschonden). Het College acht het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Jeugdzorgwerker in beroep tegen beslissing College van Toezicht. Mede door een (opkomende) burn-out en een zware werkbelasting is het functioneren van de jeugdzorgwerker negatief beïnvloed. Onder intrekking van de maatregel van voorwaardelijke schorsing, legt het College van Beroep de maatregel van waarschuwing op. In deze beslissing geeft het College van Beroep ook een signaal af aan de beroepsgroep

Zaaknummer: 17.030B (16.170T)
Datum beslissing: 19 april 2018
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Tijdens de procedure bij het College van Toezicht heeft de jeugdzorgwerker ten onrechte ontkend als gezinsvoogd te zijn opgetreden in de onderhavige situatie. Dit heeft zijn uitwerking niet gemist bij de beslissing van dit college en bij de opgelegde maatregel (voorwaardelijke schorsing). Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdzorgwerker zijn fout toegegeven dat hij tijdens de eerdere procedure zijn rol als gezinsvoogd heeft ontkend. Volgens de jeugdzorgwerker speelde een aantal zaken tegelijk: meerdere klachtenprocedures, zowel intern als extern. Bovendien was de jeugdzorgwerker tijdens de procedure in eerste aanleg niet aan het werk in verband met een burn-out. De jeugdzorgwerker meent dat zijn opkomende burn-out in negatieve zin invloed heeft gehad op zijn functioneren en daarnaast was er sprake van een (te) zware werkbelasting.

Volgens het College van Beroep heeft het optreden van partijen tijdens de mondelinge behandeling van beroep een duidelijk beeld gegeven van de situatie. Het College van Beroep zag voor zich twee partijen die door de situatie, die zeer gepolariseerd is geraakt, ernstig gekwetst zijn. Het College van Beroep heeft enerzijds begrip voor het oordeel van het College van Toezicht, dat een voorwaardelijke schorsing aan de jeugdzorgwerker heeft opgelegd. Het College van Beroep stelt echter anderzijds vast dat er tijdens de mondelinge behandeling van het beroep feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de situatie. Zo heeft de jeugdzorgwerker blijk gegeven wel degelijk in staat te zijn te reflecteren op zijn toenmalige handelen. Het College van Beroep neemt in het oordeel mee dat de jeugdzorgwerker tegen een burn-out is opgelopen en ook zwaar is getroffen door zijn eigen handelen. Het College van Beroep ziet ook een professional die zich daarna hard heeft ingespannen om zijn werkzame leven weer op de rit te krijgen. Het College van Beroep acht het opleggen van de maatregel van waarschuwing in de gegeven situatie passend en geboden.

Tot slot vindt het College van Beroep het verontrustend dat de jeugdzorgwerker kennelijk niet tijdig aan zijn organisatie kenbaar heeft kunnen maken dat de werkdruk te hoog werd en dat dit een negatieve invloed had op zijn handelen. Het College van Beroep wil een signaal afgeven aan de werkzame professionals en instellingen in het jeugddomein. Zeker in tijden wanneer de werkdruk hoog is en de maatschappelijke aandacht voor het betreffende werkgebied groot is, dient er vanuit de organisatie voldoende rekening te worden gehouden met het welbevinden van collega’s en of werknemers. In het bijzonder wil het College van Beroep daarbij wijzen op het belang van intervisie en supervisie voor de beroepsgroep.

lees verder

Klacht tegen de jeugdprofessional die betrokken is in het vrijwillig kader vanuit het Sociaal Team waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op het zonder toestemming contact opnemen met de instelling en het opstellen van een brief voor vader zonder klaagster hierin te betrekken. Artikel J (Vertrouwelijkheid) en artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.134T
Datum beslissing: 18 april 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en II ongegrond, klachtonderdelen III en IV gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is in het vrijwillig kader vanuit het Sociaal Team, vier klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdeel drie en vier zijn door het College gegrond verklaard. De kern van de gegronde klachtonderdelen zien op het zonder toestemming van klaagster contact opnemen met de instelling en het opstellen van een brief gericht aan vader zonder klaagster hierin te betrekken. Het College is van oordeel dat van een professional in het vrijwillig kader mag worden verwacht dat zij geen informatie opvraagt zonder toestemming van klaagster. Uit het dossier is naar voren gekomen dat beklaagde heeft geworsteld met de vraag of zij de bevoegdheid had om bij de instelling informatie in te winnen. Het feit dat beklaagde haar vraag heeft voorgelegd en antwoord heeft gekregen van de afdeling Juridische Zaken doet niet af aan het feit dat beklaagde een professionele autonome bevoegdheid draagt. Beklaagde had zelf de afweging moeten maken om, ondanks het advies van Juridische Zaken, klaagster om toestemming te vragen en niet pas achteraf te informeren. Voorts heeft het College het vierde klachtonderdeel gegrond verklaard dat ziet op het opstellen van een brief aan vader zonder klaagster hierin te betrekken. Het College is van oordeel dat beklaagde bij het opstellen van deze brief transparanter had moeten handelen door hoor en wederhoor van alle betrokkenen te laten plaats vinden. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat de brief een feitelijke weergave is van de hulpverlening. Het College is echter van oordeel dat de brief grievende opmerkingen over klaagster bevat en zich had moeten realiseren dat vader deze brief in een juridische procedure kon inbrengen. Door deze handelswijze heeft zij de schijn van partijdigheid gewekt en is het vertrouwen in de jeugdzorg aangetast. Ondanks de reflectie van beklaagde op haar handelen en de excuses aan klaagster, weegt het handelen van beklaagde in deze casus zo zwaar dat het College zal overgaan tot het opleggen van een waarschuwing als maatregel.

lees verder

Psycholoog gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep oordeelt, anders dan het College van Toezicht, dat er niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld. De berisping wordt ingetrokken.

Zaaknummer: 17.024B (16.136T)
Datum beslissing: 12 april 2018
Oordeel: beroep gegrond, klachtonderdeel IV alsnog deels gegrond
Maatregel: berisping ingetrokken, geen maatregel opgelegd door College van Beroep

Download de volledige beslissing in pdf

De psycholoog, beklaagde in eerste aanleg, heeft tegen twee gegrond verklaarde klachtonderdelen (klachtonderdelen I en III) beroep ingesteld. Het eerste klachtonderdeel had betrekking op het feit dat de psycholoog zonder toestemming van de gezaghebbende ouders een behandelrelatie is aangegaan met een kind, dat op dat moment 15 jaar oud was. Het College van Beroep overweegt dat artikel 7:450 lid 2 BW bepaalt dat bij het aangaan van een behandelingsovereenkomst van een 12- tot 16-jarige in beginsel toestemming van beide ouders met gezag nodig is. Hiervan kan worden afgeweken wanneer sprake is van ernstig nadeel voor het kind, of wanneer het kind na weigering van de toestemming de behandeling weloverwogen blijft wensen. In tegenstelling tot wat het College van Toezicht hierover concludeert, stelt het College van Beroep vast dat van deze uitzonderingsgrond in deze zaak sprake is, waardoor de psycholoog de behandelingsovereenkomst met het kind op gerechtvaardigde gronden aan mocht gaan. Het College van Beroep stelt voorts vast dat de door appellante gehanteerde handelwijze strijdig is met artikel 7 van de Beroepscode voor Psychologen, nu de Beroepscode niet de uitzonderingen kent zoals die in artikel 7:450 lid 2 BW zijn opgenomen. Bij het afwijken van de Beroepscode moet een psycholoog zoveel mogelijk de overige bepalingen van de Beroepscode volgen (artikel 5 van de Beroepscode), en dient de psycholoog op grond van artikel 4 van de Beroepscode ofwel de beroepsvereniging te raadplegen ofwel een vakgenoot die niet rechtstreeks bij de professionele relatie is betrokken. In tegenstelling tot wat het College van Toezicht hierover heeft opgemerkt, stelt het College van Beroep vast dat de psycholoog wel degelijk met collega’s overleg heeft gevoerd voordat zij de behandelrelatie aanging, waardoor zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

In het derde klachtonderdeel oordeelde het College van Toezicht dat de psycholoog ten onrechte niet zelf de moeder had geïnformeerd met betrekking tot de behandeling, maar dit over had gelaten aan de gezinsvoogd. De psycholoog heeft bevestigd dat dit zo is gegaan, maar voert hiervoor als reden aan dat het communiceren met verweerder dermate moeizaam ging, dat zij de gezinsvoogd, welke wel contact met de verweerder kreeg, heeft gevraagd de informatie door te geven. Het College van Beroep oordeelt, in navolging van het College van Toezicht, dat klachtonderdeel III gegrond is, maar acht andere artikelen geschonden dan door het College van Toezicht wordt vastgesteld. De grief slaagt dus in die zin, dat de motivering van het oordeel wordt aangepast.

Het College van Beroep ziet in deze zaak af van het opleggen van een maatregel, omdat de psycholoog blijk heeft gegeven van reflectief vermogen en ook tijdens de mondelinge behandeling van het beroep nogmaals de gemaakte fout heeft erkend. Het is het College van Beroep ook duidelijk geworden dat de psycholoog de motivering voor de wijze waarop zij heeft gehandeld niet goed over heeft weten te brengen bij het College van Toezicht, wat haar bij het College van Beroep wel is gelukt.

lees verder

Moeder in beroep tegen de beslissing van het College van Toezicht en verzoekt in beroep getuigen te horen wegens een vermeende gedane uitspraak door de jeugdprofessional. Daarnaast wordt er in deze beslissing door het College van Beroep een uitspraak gedaan over het destilleren en/of (her) formuleren van klachten door de tuchtcolleges

Zaaknummer: 17.028B (16.172T)
Datum beslissing: 12 april 2018
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De jeugdprofessional is als systeemtherapeut in het kader van een spoedtaxatie in het gezin betrokken geweest. De moeder stelt zich op het standpunt dat de jeugdprofessional in een gesprek heeft gezegd ‘moeder eruit of de kinderen eruit’ en verzoekt in beroep getuigen te horen die haar standpunt kunnen onderbouwen c.q. bevestigen nu dit klachtonderdeel door het College van Toezicht ongegrond is verklaard. Omdat het Tuchtreglement niet voorziet in de mogelijkheid om getuigen te horen is de moeder in de gelegenheid gesteld haar beroepschrift aan te vullen met schriftelijke getuigenverklaringen. De moeder heeft om haar moverende redenen van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Het College van Beroep is van oordeel, nu de moeder heeft nagelaten haar beroepschrift nader te onderbouwen, het College van Toezicht terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen en volgt dit.

Een andere grief van de moeder ziet op het gebrek aan informatievoorziening vanuit de jeugdprofessional, onder andere het ontbreken van een website en geen informatie geven over klachtmogelijkheden. Het College van Beroep is van oordeel dat deze ‘klacht’ niet op de daarvoor bestemde plek op het klachtenformulier is ingevuld. De omvang van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges van SKJ worden voorgelegd dienen voor alle betrokkenen, inclusief de colleges zelf, helder te zijn. Om de schijn van partijdigheid te voorkomen hebben de tuchtcolleges niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door klager aangeleverde toelichting of uit klachten die onder een van de andere kopjes op het klachtenformulier zijn opgenomen. Dat verweerster in haar verweerschrift wel aanleiding heeft gezien zich tegen deze ‘klacht’ te verweren maakt het oordeel van het College van Beroep niet anders. Het College van Beroep kan zich indenken dat een verweerster zich zo goed mogelijk wil verweren in een aanhangige procedure. Juist gelet hierop dient de reikwijdte van de ingediende klachten te allen tijde voor alle betrokkenen helder en transparant te zijn.

lees verder

Moeder dient beroep in (onder andere) vanwege het te laat opstellen van een Plan van Aanpak door de jeugdzorgwerker. Het College van Beroep acht dit deel van het beroep gegrond maar ziet mede gelet op de omstandigheden waaronder de jeugdzorgwerker heeft moeten werken, geen aanleiding een maatregel op te leggen

Zaaknummer: 17.027B (16.173T)
Datum beslissing: 11 april 2018
Oordeel: beroep deels gegrond, klachtonderdeel IV alsnog deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De beoordeling van de eerste drie klachtonderdelen waartegen door de moeder beroep is ingesteld, worden door het College van Beroep gehandhaafd. Daarnaast is moeder in beroep gegaan tegen klachtonderdeel IV (hulpverlening niet gericht op vechtscheiding) en zij meent dat het College van Toezicht zich in de bestreden beslissing ten onrechte niet heeft uitgelaten over het te laat opstellen van een Plan van Aanpak. Het College van Beroep is van oordeel dat dit deel van het beroep slaagt. Het College van Beroep merkt op dat in artikel 4.1.3 Jeugdwet is bepaald dat het Plan van Aanpak wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken, nadat is vast komen te staan dat afgezien wordt het van het opstellen van een familiegroepsplan. Het College van Beroep stelt vast dat er tussen het uitspreken van de ondertoezichtstelling en het vaststellen van het Plan van Aanpak een periode van zes maanden heeft gezeten en is van oordeel dat dit een te lange periode is. Hierbij neemt het College van Beroep in overweging dat een Plan van Aanpak alle betrokkenen – inclusief de jeugdzorgwerker – handvatten en structuur biedt met betrekking tot de hulpverlening. Hoewel het College van Beroep waardering heeft voor hoe de jeugdzorgwerker zich heeft ingespannen in deze casus, een complexe echtscheiding waarbij er voortdurend sprake is geweest van tegenstrijdige belangen, diende hij daarbij het opstellen van een Plan van Aanpak niet uit het oog te verliezen dan wel uit te stellen. De jeugdzorgwerker valt een tuchtrechtelijk verwijt te maken en er is sprake van schending van artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Het College van Beroep is er echter van overtuigd geraakt dat de jeugdzorgwerker zich in de onderhavige situatie naar behoren heeft ingespannen met het oog op het belang van de betrokken minderjarige voorop. Gelet hierop is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdzorgwerker slechts een beperkt tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en dit het opleggen van een maatregel niet rechtvaardigt. Ten overvloede overweegt het College van Beroep dat het (tijdig) opstellen van een Plan van Aanpak mede een verantwoordelijkheid is van de instelling waar de jeugdprofessional werkzaam is. De instelling dient hierbij vooral de jeugdprofessional te ondersteunen zoals door middel van supervisie, intervisie en praktijkbegeleiding.

lees verder

Beide partijen gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Nu de gezinsvoogd op basis van haar professionele autonomie de ondertoezichtstelling mocht blijven uitvoeren, verklaart het College van Beroep het beroep van de gezinsvoogd gegrond en trekt de maatregel van waarschuwing in.

Zaaknummer: 17.026B (17.013T)
Datum beslissing: 11 april 2018
Oordeel: principaal beroep ongegrond, incidenteel beroep gegrond, klachtonderdeel III wordt alsnog ongegrond verklaard
Maatregel: waarschuwing ingetrokken, geen maatregel opgelegd

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht heeft klaagster in het eerste klachtonderdeel deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige het klachtonderdeel ongegrond verklaard. Voorts heeft het College van Toezicht klachtonderdeel II ongegrond en klachtonderdeel III gegrond verklaard. Beide partijen gaan voor zover zij in het ongelijk zijn gesteld in beroep.

Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in de beoordeling van de eerste twee klachtonderdelen, die betrekking hebben op het in gevaar brengen van de kinderen en de communicatie met klaagster.

Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op het gebrek aan vertrouwen van klaagster in beklaagde. Het College van Toezicht heeft deze klacht gegrond verklaard. Bij de behandeling door het College van Toezicht is vastgesteld dat er geen onderling vertrouwen meer was tussen partijen. In beroep wordt hetzelfde geconstateerd. Onderdeel van het oordeel van het College van Toezicht is dat beklaagde zonder begeleiding en ondersteuning verder is gegaan in deze zaak. Nu beklaagde onweersproken heeft gesteld dat zij een supervisietraject heeft gevolgd en overleg heeft gevoerd met haar collega’s over de te volgen koers, volgt het College van Beroep het College van Toezicht niet in dit oordeel.

Waar het College van Toezicht van oordeel is dat beklaagde op basis van haar eigen autonomie een grens had moeten trekken, oordeelt het College van Beroep dat beklaagde in de onderhavige zaak voor dit dilemma voldoende oog heeft gehad. Immers, zij heeft de situatie besproken binnen haar organisatie waarna zij de opdracht kreeg toch verder te gaan met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Beroep vindt het te ver gaan om in een situatie als deze te concluderen, dat beklaagde tegenover haar werkgever had moeten weigeren om nog verder te gaan met haar rol als gezinsvoogd in de casus.

De grieven van klaagster falen, de grief van beklaagde (in incidenteel beroep) slaagt. Nu alle klachtonderdelen alsnog ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard ziet het College van Beroep aanleiding om de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.

lees verder

Beklaagde wordt verweten dat zij de professionele relatie niet naar behoren heeft afgesloten. De klacht wordt gegrond verklaard, maar het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 17.097T & 17.152T
Datum beslissing: 6 april 2018
Oordeel: klachtonderdelen I t/m VIII en X ongegrond; klachtonderdeel IX gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft twee klachten ingediend tegen dezelfde beklaagde. De zaken zijn gezamenlijk ter zitting behandeld. Beklaagde was voorheen werkzaam als gezinsmanager in het gezin van beklaagde. De klachten van klager komen er in de kern op neer dat beklaagde handelt in strijd met artikel 3.3. Jeugdwet. Het College gaat hier niet in mee en verklaart de klachtonderdelen I t/m VIII en X ongegrond.

In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel IX. Het College heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard. Klager verwijt beklaagde dat zij de professionele relatie niet naar behoren heeft afgesloten. Klager heeft via een voicemailbericht van de GI vernomen dat beklaagde niet langer werkzaam was bij de GI. Beklaagde erkent dit maar geeft aan dat het niet aan haar was om de professionele relatie te beëindigen. Omdat het contact tussen klager en beklaagde niet goed verliep was intern afgesproken dat beklaagde niet langer de contactpersoon voor klager was. Het College volgt beklaagde niet in haar verweer. Omdat het College het handelen van beklaagde niet zodanig verwijtbaar acht en het om een eenmalige misslag is gegaan, legt het College geen maatregel op.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling

Zaaknummer: 17.113T
Datum beslissing: 5 april 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De klachten van klager hebben betrekking op het gevoerde beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling.

Klager verwijt beklaagde dat hij het beleid van zijn voorganger heeft voortgezet waardoor klager zijn kind zeven maanden lang niet heeft gezien. De door klager ingediende klachten over de voorganger zijn door de klachtencommissie gegrond verklaard zodat klager heeft verwacht dat de omgang met zijn kind zou worden opgestart.
Het College is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is omdat niet is komen vast te staan dat beklaagde op de hoogte was van de klachtenprocedure tegen de voorganger en de uitkomst hiervan. De voorzieningenrechter heeft bovendien de vordering van klager tot omgang met zijn kind afgewezen.
Het is aan de gecertificeerde instelling om ervoor zorg te dragen dat de jeugdzorgwerker na de overdracht op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van klachten die relevant zijn voor zijn werk. Ook is het van belang dat klagers geïnformeerd worden over wat zij naar aanleiding van gegronde klachten van de gecertificeerde instelling kunnen verwachten.

Het klachtonderdeel over de wijze waarop klager is bejegend is ongegrond. Hoewel de woordkeuze van beklaagde ongelukkig is en door klager kan zijn opgevat als afkeuringswaardig, heeft beklaagde gemotiveerd toegelicht dat wat hij gezegd heeft in een breder verband moet worden gezien.

Het gedeelte van het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de partijdigheid van beklaagde is gegrond. Hoewel het College de indruk heeft dat beklaagde integer heeft willen handelen, is zijn handelswijze onzorgvuldig geweest. Hij heeft de schijn van partijdigheid gewekt door tot de laatste week van de vakantie te wachten op overeenstemming tussen ouders over de plaats waar het kind naar school zou gaan terwijl in februari 2017 de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft geadviseerd om het hoofdverblijf van het kind bij klager vast te stellen en het kind in augustus 2017 in het voortgezet onderwijs zou starten. Het kind heeft hierdoor te lang in onzekerheid verkeerd.
Beklaagde had het kind en moeder erop moeten wijzen dat er een reële kans bestond dat de rechter het advies van de RvdK zou volgen en dat het zeer wel mogelijk was dat het kind bij klager zou gaan wonen. Tot slot heeft een door beklaagde verstuurde e-mail bij klager de indruk kunnen wekken dat beklaagde uitsluitend heeft aangestuurd op de aanmelding van het kind op een school in de woonplaats van moeder.
Beklaagde heeft in deze complexe casus onvoldoende gehandeld in het belang van het kind, is tekortgeschoten in de informatievoorziening aan het kind en moeder en heeft zich ten opzichte van klager onvoldoende neutraal opgesteld.
Het College legt een maatregel van een waarschuwing op.

lees verder

Klacht tegen ambulant hulpverleenster over hoe zij is omgegaan met een geluidsopname en de wijze waarop het familiegroepsplan en het eindverslag door haar zijn opgesteld.

Zaaknummer: 17.036Ta
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: beide klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager, de vader van twee minderjarige kinderen, heeft twee klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader als ambulant hulpverleenster. Beklaagde wordt verweten dat zij bewijsmateriaal (een geluidsopname) heeft genegeerd en geweigerd daarover een terugkoppeling te geven aan klager, terwijl hij wel aan de door beklaagde gestelde voorwaarden had voldaan. Ook wordt beklaagde verweten dat zij een rapportage extern verspreid heeft, zonder de ouders gelegenheid te geven hierop te reageren en voorts dat de twee door haar opgestelde rapportages niet aan de minimum kwaliteitseisen voldoen.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel constateert het College dat partijen hierover een verschillende beleving hebben. Het College kan daarom de feiten die ten grondslag liggen aan het verwijt niet vaststellen en verklaart het klachtonderdeel ongegrond. Ook in het tweede klachtonderdeel heeft beklaagde naar het oordeel van het College niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit geldt zowel voor wat betreft het handelen met betrekking tot het door haar opgestelde familiegroepsplan als met betrekking tot het eindverslag. Het College verklaart daarom het tweede klachtonderdeel in zijn geheel ook als ongegrond.

lees verder

Klachten tegen de gezinshulpverlener. In de kern wordt haar verweten dat zij de positie van klager als ouder met gezag onvoldoende heeft gerespecteerd.

Zaaknummer: 17.036Tb
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager, de vader van twee minderjarige kinderen, heeft elf klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader als gezinshulpverlener. Beklaagde wordt met name verweten dat zij de moeder met de kinderen ten onrechte een plaats heeft gegeven binnen de vrouwenopvang van de instelling waar zij werkzaam is en dat deze plaatsing ten onrechte is verlengd. In samenhang met deze plaatsing heeft beklaagde ten onrechte ‘Code Rood’ ingezet en geweigerd deze procedure aan klager toe te lichten. Voor het overige verwijt klager beklaagde onder meer dat zij hem onvoldoende en onjuist heeft geïnformeerd en dat zij aan onvoldoende en onjuiste verslaglegging heeft gedaan.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College overweegt allereerst dat beklaagde, als gezinshulpverlener, ambulante hulp heeft verleend aan de moeder. Vanwege de systeemgerichte werkwijze van beklaagde concludeert het College dat de verleende hulpverlening dus ook het jeugddomein omvat. Het College acht zich dan ook bevoegd om een oordeel te geven over de klachtonderdelen. Voor wat betreft de plaatsing van de moeder en de kinderen bij de vrouwenopvang heeft beklaagde naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op de dag van de plaatsing niet betrokken was bij de casus. Haar kan in dit kader dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Hetzelfde geldt voor de afgegeven ‘Code Rood’, omdat beklaagde nog niet betrokken was toen de code werd afgegeven. Voorts is volgens het College de plaatsing verlengd op basis van een zorgvuldige afweging. Ook ten aanzien van de overige klachtonderdelen valt beklaagde naar het oordeel van het College geenszins een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het College verklaart de elf klachtonderdelen ongegrond.

lees verder

Klager stelt dat beklaagde – een gedragswetenschapper – haar werk niet heeft kunnen doen doordat de algemeen manager bepaalde dat de communicatie van klager met beklaagde via hem diende te lopen en doordat hij – de algemeen manager – de leiding in een gesprek met klager en beklaagde overnam. Beklaagde heeft volgens klager ten onrechte geen weerstand geboden aan dit verloop, waardoor hulpverlening aan klager en de kinderen niet is geboden.

Zaaknummer: 17.036Tc
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

In de hoorzitting heeft klager verklaard dat de kern van zijn klacht er uit bestaat dat hij onvoldoende zicht heeft op de wijze en de mate waarin beklaagde zich voor klager en de kinderen heeft ingespannen in de aanloop naar en na een gesprek dat plaatsvond op 23 juni 2016. Na dat gesprek ontving klager een brief van de organisatie waar beklaagde werkzaam is, in c.c. naar beklaagde, waarin aan klager een verbod tot het hebben van contact met medewerkers van de organisatie wordt opgelegd. Klager vraagt zich af of beklaagde intern tegenspraak heeft geboden op dit contactverbod.

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij klager heeft uitgenodigd voor het gesprek om te inventariseren wat de organisatie nog voor klager zou kunnen betekenen. Beklaagde heeft het bezwaar dat klager maakte tegen de deelname van de algemeen manager aan het gesprek voorgelegd aan haar leidinggevende. Deze heeft echter bepaald dat aan het bezwaar niet tegemoet zou worden gekomen. Hoewel beklaagde om die reden voorzag dat het gesprek geen goed verloop zou kennen, heeft zij de prioriteit gelegd bij doorgang van het gesprek, in het belang van klager. Beklaagde heeft haar  zienswijze – die afweek van die van de algemeen manager - tijdens het gesprek bij de algemeen manager naar voren gebracht. Zij heeft hem tijdens het gesprek aangesproken op zijn gedrag. Beklaagde heeft ook nadien nog een keer gesproken met de algemeen manager en gezegd dat zij het niet eens was met de wijze waarop het gesprek was gevoerd. Beklaagde heeft zich voorts ingespannen dat een eindgesprek dat met klager door een collega van beklaagde zou worden gevoerd, alleen door deze collega met klager zou worden gevoerd, wat ook is gebeurd.

Klager heeft daarop verklaard dat hij zeer tevreden is over beklaagde en veel bewondering heeft voor de wijze waarop zij zich heeft ingezet voor hem en voor de kinderen en dat hij daarentegen zeer ontevreden is over het handelen van het management van de organisatie van beklaagde. Op voorstel van de voorzitter is de hoorzitting na de toelichting van klager en van beklaagde geschorst. Na hervatting heeft de voorzitter vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat klager zich verenigt met het door beklaagde gevoerde verweer; dat het College overtuigd is door het verweer waardoor de klacht ongegrond is, en dat het College ook overigens geen feiten of omstandigheden heeft kunnen vaststellen die tot het oordeel moeten leiden dat beklaagde, bij het handelen jegens klager en de kinderen, in strijd met de voor haar geldende professionele standaard heeft gehandeld.

lees verder

Klachten tegen de maatschappelijk werkster. In de kern wordt haar verweten dat zij de positie van klager als ouder met gezag onvoldoende heeft gerespecteerd.

Zaaknummer: 17.036Td
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klager, de vader van twee minderjarige kinderen, heeft acht klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader als maatschappelijk werkster. Beklaagde wordt met name verweten dat zij de moeder met de kinderen ten onrechte een plaats heeft gegeven binnen de vrouwenopvang van de instelling waar zij werkzaam is en dat deze plaatsing ten onrechte is verlengd. In samenhang met deze plaatsing heeft beklaagde ten onrechte ‘Code Rood’ ingezet en geweigerd deze procedure aan klager toe te lichten. Voorts heeft zij klager behandeld alsof hij de dader was van huiselijk geweld. Voor het overige verwijt klager beklaagde onder meer dat zij hem onvoldoende en onjuist heeft geïnformeerd en dat zij aan onvoldoende en onjuiste verslaglegging heeft gedaan.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College overweegt allereerst dat beklaagde, als maatschappelijk werkster, ambulante hulp heeft verleend aan de moeder. Vanwege de systeemgerichte werkwijze van beklaagde concludeert het College dat de verleende hulpverlening dus ook het jeugddomein omvat. Het College acht zich dan ook bevoegd om een oordeel te geven over de klachtonderdelen.

Voor wat betreft de plaatsing van de moeder en de kinderen bij de vrouwenopvang concludeert het College dat beklaagde met haar handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College komt tot deze conclusie gelet op de afweging die beklaagde heeft gemaakt dat sprake was van huiselijk geweld in brede zin en dat de beslissing tot opname multidisciplinair genomen is. Ook de verlenging van de plaatsing is volgens het College gebeurd op basis van een zorgvuldige afweging. Voor wat betreft de afgegeven ‘Code Rood’ heeft beklaagde naar het oordeel van het College voldoende gemotiveerd dat zij – in overleg met collega’s – op basis van de verkregen informatie van de moeder en tevens op basis van de geschatte kans op escalatie tussen de ouders (in het bijzijn van de kinderen) de code tijdelijk heeft ingezet. Het is het College niet gebleken dat beklaagde hierbij een onzorgvuldige afweging heeft gemaakt. Ten aanzien van de informatievoorziening aangaande de ‘Code Rood’ overweegt het College dat beklaagde getracht heeft klager telefonisch te informeren maar dat een gesprek met klager niet mogelijk bleek te zijn. Beklaagde heeft klager uiteindelijk op 30 december 2015 alsnog per e-mail geïnformeerd, hetgeen het College binnen de grenzen van een bekwame beroepsuitoefening acht. Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde klager zou hebben behandeld alsof hij dader van huiselijk geweld is geweest, komt het College op grond van de stukken niet tot die conclusie. Dat bij klager begrijpelijkerwijs dit gevoel is ontstaan, maakt niet dat beklaagde hierin een tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Ook ten aanzien van de overige klachtonderdelen valt beklaagde naar het oordeel van het College geenszins een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het College verklaart de acht klachtonderdelen ongegrond.

lees verder

Klacht tegen maatschappelijk werkster naar aanleiding van haar betrokkenheid bij een incident tussen klager en zijn ex-partner en de gestelde schending van de privacy van klager en zijn kinderen.

Zaaknummer: 17.036Te
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: beide klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klager, de vader van twee minderjarige kinderen, heeft twee klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader als maatschappelijk werkster. Beklaagde wordt verweten dat zij onterecht aan Bureau Jeugdzorg gerapporteerd heeft, als zijnde een feit, dat klager zijn ex-partner (de moeder van de kinderen) heeft mishandeld. Ook verwijt klager beklaagde dat zij zijn privacy en die van zijn kinderen heeft geschonden, omdat belmomenten tussen hem en zijn kinderen zijn gemonitord, zonder dat klager hierover geïnformeerd is.

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College overweegt allereerst dat beklaagde, als maatschappelijk werkster, ambulante hulp heeft verleend aan de moeder. Vanwege de systeemgerichte werkwijze van beklaagde concludeert het College dat de verleende hulpverlening dus ook het jeugddomein omvat. Het College acht zich dan ook bevoegd om een oordeel te geven over de klachtonderdelen.

Voor wat betreft het eerste klachtonderdeel heeft klager tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend dat het primaire klachtonderdeel een misverstand betreft. Voor de overige verwijten in het klachtonderdeel, is het College van oordeel dat beklaagde een zorgvuldige afweging gemaakt heeft om zich niet in de discussie tussen de ouders te mengen. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard. Voor wat betreft het tweede klachtonderdeel oordeelt het College dat klager op grond van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geïnformeerd had moeten worden over dat de belmomenten tussen hem en zijn kinderen gemonitord werden. Nu dit echter werd bijgehouden vanwege het daartoe strekkende verzoek van de betrokken gecertificeerde instelling, ligt die verantwoordelijkheid volgens het College bij die instelling. Beklaagde mocht er naar het oordeel van het College gerechtvaardigd op vertrouwen dat klager over het voornoemde was geïnformeerd. Het College verklaart het tweede klachtonderdeel daarom ook ongegrond.

lees verder

Klager maakt beklaagde een aantal verwijten, die beklaagde gemotiveerd weerlegt. Klager verenigt zich met het verweer en verklaart tevreden te zijn over beklaagde en bewondering te hebben voor de wijze waarop zij zich voor hem en voor de kinderen heeft ingezet.

Zaaknummer: 17.036Tf
Datum beslissing: 3 april 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager stelt dat:

beklaagde gesprekken met zijn dochter heeft gevoerd zonder dat daar een ouder bij was;
beklaagde, in het belang van de kinderen, tegen haar manager had moeten ingaan;
beklaagde verantwoordelijkheid had moeten nemen voor het verslag aan de RvdK;
beklaagde tekort is geschoten in informatievoorziening en verslaglegging;
beklaagde klager geen inzage heeft geboden in het dossier;
en het eindverslag niet heeft gecorrigeerd.
Klager heeft zijn klachten tijdens de hoorzitting toegelicht, heeft het verweer van beklaagde aanvaard en heeft verklaard dat hij tevreden is over beklaagde en bewondering heeft voor de wijze waarop zij zich heeft ingezet voor hem en voor de kinderen en dat hij daarentegen zeer ontevreden is over het handelen van het management van de organisatie van beklaagde. Op voorstel van de voorzitter is de hoorzitting na de toelichting van klager en van beklaagde geschorst. Na hervatting heeft de voorzitter vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat klager zich verenigt met het door beklaagde gevoerde verweer; dat het College overtuigd is door het verweer waardoor de klacht ongegrond is, en dat het College ook overigens geen feiten of omstandigheden heeft kunnen vaststellen die tot het oordeel moeten leiden dat beklaagde, bij het handelen jegens klager en de kinderen, in strijd met de voor haar geldende professionele standaard heeft gehandeld.

Het College heeft bovendien vastgesteld dat beklaagde zowel in het verweer als in de mondelinge toelichting blijk heeft gegeven vanuit meerzijdige partijdigheid ten aanzien van klager, de moeder en de kinderen te hebben gehandeld.

lees verder

Vader gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep verklaart het beroepschrift ongegrond: de gezinsvoogd heeft correct gehandeld rondom het overdragen van haar werkzaamheden.

Zaaknummer: 17.025B (16.126T)
Datum beslissing: 29 maart 2018
Oordeel: beroep ongegrond (klachten ongegrond/niet-ontvankelijk)
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Appellant is de biologische vader van een zoon. Beide ouders zijn ontheven uit het ouderlijk gezag. De zoon is onder toezicht gesteld en woont sinds 1 maart 2005 in een pleeggezin. Bij beschikking van de rechtbank is beslist dat appellant één keer per kwartaal door de GI schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van de ontwikkeling van de zoon. Verweerster heeft namens de GI de voogdij over de zoon van appellant.

Het beroepschrift richt zich tegen klachtonderdelen I, III en IV, welke door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard, en klachtonderdeel II, waarin appellant niet-ontvankelijk is verklaard.

Klachtonderdeel I ziet op het volgende. Verweerster zou appellant niet tijdig hebben geïnformeerd dat zij zou stoppen als gezinsvoogd. Verweerster heeft echter aangetoond dat zij appellant heeft geïnformeerd over het feit dat zij voor langere tijd met verlof zou gaan. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de klacht ongegrond is.

In klachtonderdeel II verwijt appellant verweerster dat zij niet voor vervanging gezorgd heeft tijdens haar verlof dan wel vanaf haar vertrek. Het College van Beroep overweegt dat er een contactpersoon was aangewezen bij de afwezigheid van verweerster. Verder was het de taak van de GI om vervanging voor verweerster te regelen, hetgeen volgt uit artikel 4.1.1 lid 2 van de Jeugdwet. Het College van Beroep handhaaft het oordeel van het College van Toezicht, dat appellant niet-ontvankelijk is in deze klacht nu dit het handelen van de GI betreft. De grief faalt.

Klachtonderdeel III ziet op het gegeven dat verweerster nagelaten zou hebben de kwartaalrapportages op te sturen. Op grond van de contactjournaals concludeert het College van Beroep dat in ieder geval op 29 maart 2016 een kwartaalrapportage is verzonden aan appellant. Voor het overige is niet duidelijk geworden dat er door verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld is. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in het oordeel dat de klacht ongegrond is.

Klachtonderdeel IV betreft de klacht dat verweerster geen nieuwe dossierinzage geregeld zou hebben. Volgens het College van Beroep kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden voor het niet regelen van de dossierinzage, omdat zij met verlof was, en later niet meer werkzaam bij de GI. Het College van Beroep volgt hierin het oordeel van het College van Toezicht, met dien verstande dat de conclusie van dit oordeel moet zijn dat appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard in de klacht, in plaats van dat de klacht ongegrond is. Nu deze klacht, net als klachtonderdeel II, gaat over het handelen, of het niet-handelen, van de GI, is appellant ook in deze klacht niet-ontvankelijk.

lees verder

Klacht over de jeugdbeschermer dat de toon van een gesprek door de minderjarige als berispend is ervaren, apps van de minderjarige zijn doorgestuurd aan de vader, met de minderjarige over een uithuisplaatsing is gesproken en dat er schriftelijke aanwijzingen zijn gedaan zonder voorafgaand overleg. Artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) is geschonden, maar er is geen maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 17.095T
Datum beslissing: 23 maart 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV en V ongegrond klachtonderdeel VI gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft zes klachtonderdelen ingediend. De minderjarige heeft de toon van het kennismakingsgesprek met beklaagde als berispend ervaren, en daarna is er geen vervolggesprek meer geweest. Klaagster heeft hierover e-mails geschreven en geen antwoord gekregen. Ten tweede heeft de minderjarige klaagster apps gestuurd over voorvallen bij haar vader. Klaagster heeft deze gedeeld met beklaagde, die deze apps heeft doorgestuurd naar de vader. De derde klacht gaat erover dat beklaagde met de minderjarige over een uithuisplaatsing heeft gesproken. De minderjarige is daar weken van overstuur geweest. Ten vierde heeft er een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank in de zaak van klaagster jegens de vader om onder andere de vakanties te laten bepalen. Tijdens deze zitting heeft klaagster zich geconformeerd aan de door de vader opgegeven vakantieplanning. Dat hield in dat de minderjarige tijdens de carnavalsvakantie bij klaagster zou zijn. Een paar dagen voor deze vakantie eiste de vader haar ineens op. Beklaagde heeft toen, zonder te overleggen, in een schriftelijke aanwijzing bepaald dat de minderjarige de helft van de vakantie bij haar vader moest zijn. De minderjarige was niet meer te bewegen om tijdens de reguliere omgangsregeling om de 14 dagen naar haar vader te gaan. Beklaagde heeft aangegeven dat dat wel moest gebeuren en heeft zonder overleg een schriftelijke aanwijzing gegeven aan klaagster en de minderjarige. Tot slot heeft beklaagde klaagster een e-mail gestuurd, met daarin de mededeling dat klaagster persoonlijk moet zorgdragen voor het halen en brengen van de minderjarige naar vader. Klaagster dient dit te beschouwen als een vooraankondiging van een aanwijzing. De e-mail is gestuurd zonder enig overleg. Door intimidaties en bedreigingen was al eerder met de GI afgesproken dat de minderjarige door de partners van klaagster en vader gehaald en gebracht zou worden.

1) Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat de minderjarige goed contact had met haar behandelaar, en dat gesprekken bij de GI onrust zouden veroorzaken. Beklaagde heeft zich daarom op de achtergrond gehouden. Het College is van oordeel dat beklaagde de e-mail waarin zij aangeeft zich wat op de achtergrond te houden, eerder had kunnen versturen, maar acht deze handelswijze niet verwijtbaar.
2) Het College stelt vast dat er een afspraak lag dat alle communicatie van klaagster en vader gedeeld zou worden. Beklaagde heeft ten aanzien van het doorsturen van de appjes een professionele afweging gemaakt. Zij heeft het vooraf in haar team besproken. Niet valt in te zien op welke grond beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld, nu zij de bestaande afspraak heeft gevolgd.
3) Het College is van oordeel dat beklaagde de beslissing om met de minderjarige te spreken over een uithuisplaatsing voldoende heeft afgewogen. Beklaagde heeft verklaard dat transparantie binnen complexe echtscheidingen van groot belang is, en heeft haar beslissing vooraf besproken binnen haar team.
4) Het College overweegt dat de afspraak over de carnavalsvakantie uit de oude beschikking van 11 februari 2016 leidend was, nu de nieuwe beschikking er nog niet lag.
5) Het College heeft twee schriftelijke aanwijzingen aangetroffen, één aan de minderjarige en één aan klaagster. Hierin staan de meningen van de minderjarige en klaagster opgenomen. Dat maakt dat de stelling van klaagster dat er geen overleg is geweest onjuist is.
6) Tot slot is het College van oordeel dat beklaagde, nu zij de vooraankondiging over het halen en brengen heeft gedaan zonder overleg met klaagster, terwijl er een andere afspraak lag, niet zorgvuldig heeft gehandeld. De vooraankondiging is na een klachtgesprek hierover ingetrokken.

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) heeft geschonden. Zij heeft klaagster zonder overleg een vooraankondiging verstrekt. Beklaagde heeft echter haar excuses aangeboden en de vooraankondiging is binnen één week vernietigd. Hiermee heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar opgesteld. Tot slot is het College ervan overtuigd dat beklaagde steeds het belang van de minderjarige voor ogen heeft gehad. Het College ziet dan ook af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen gezinsmanager over het onvoldoende tijd en aandacht besteden aan het gezin van klaagster, geen regie voeren en geen empathie tonen.

Zaaknummer: 17.031T
Datum beslissing: 23 maart 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klaagster bestaat uit zes klachtonderdelen. De belangrijkste overwegingen van het College zijn als volgt. Het College heeft vastgesteld dat er sprake is geweest van veelvuldig contact tussen beklaagde, klaagster, de vader en andere hulpverleners teneinde de situatie te verbeteren. Het College kan beklaagde volgen in haar weloverwogen besluit om geen individuele gesprekken te voeren met de kinderen, omdat de kinderen reeds in gesprek waren met andere hulpverleners en zelf hebben aangegeven geen behoefte te hebben aan individuele gesprekken met beklaagde. Voorts heeft het College overwogen dat ook na een situatie van huiselijk geweld moet worden geprobeerd om met het gehele gezin een gezamenlijk gesprek te voeren, waarbij, indien nodig, veiligheidsmaatregelen kunnen worden getroffen. In de onderhavige zaak is het College niet gebleken dat een gezamenlijk gesprek in zijn geheel niet mogelijk was en meent het College dat beklaagde terecht de mogelijkheden daartoe heeft onderzocht. Naar het oordeel van het College is voorts een periode van zes weken voor het actualiseren van een gezinsplan relatief kort, gelet op het feit dat beklaagde overeenstemming moest proberen te verkrijgen over de inhoud van het gezinsplan. Het was derhalve beter geweest indien beklaagde een dergelijke toezegging niet had gedaan. Beklaagde heeft dit ter zitting ook erkend en aangegeven dit in de toekomst anders te zullen doen. Alles overwegende heeft het College geoordeeld dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd met name over het te laat opstellen van het Plan van Aanpak.

Zaaknummer: 17.096Ta
Datum beslissing: 19 maart 2018
Oordeel: klachtonderdeel I deels gegrond; klachtonderdelen I (deels), II, III, IV, V, VI en VII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional, die samen met een collega belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zeven klachtonderdelen ingediend. De kern van het deels gegronde klacht onderdeel ziet op het te laat opstellen van het Plan van Aanpak. Het College oordeelt dat beklaagde geen Plan van Aanpak binnen de wettelijk gestelde termijn heeft opgesteld. De ondertoezichtstelling is op 4 maart 2016 uitgesproken en het eerste Plan van Aanpak is vastgesteld op 30 september 2016, ruim zes maanden na het uitspreken van de ondertoezichtstelling. Het is het College niet onopgemerkt gebleven dat beklaagde zich heeft ingespannen voor klaagster en vader naar aanleiding van de ontstane had hoc situaties, maar het heeft ontbroken aan voldoende handvatten en structuur. Wanneer beklaagde met haar collega namelijk aan de start van de ondertoezichtstelling een Plan van Aanpak had opgesteld en niet had voortgeborduurd op een liggende rapportage, had dit als raamwerk voor de hulpverlening kunnen dienen. Het College acht op grond van het bovenstaande een maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd met name over het te laat opstellen van het Plan van Aanpak.

Zaaknummer: 17.096Tb
Datum beslissing: 19 maart 2018
Oordeel: klachtonderdeel I deels gegrond, klachtonderdelen I (deels), II, III, IV, V, VI en VII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional, die samen met een collega belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zeven klachtonderdelen ingediend. De kern van het deels gegronde klacht onderdeel ziet op het te laat opstellen van het Plan van Aanpak. Het College oordeelt dat beklaagde geen Plan van Aanpak binnen de wettelijk gestelde termijn heeft opgesteld. De ondertoezichtstelling is op 4 maart 2016 uitgesproken en het eerste Plan van Aanpak is vastgesteld op 30 september 2016, ruim zes maanden na het uitspreken van de ondertoezichtstelling. Het is het College niet onopgemerkt gebleven dat beklaagde zich heeft ingespannen voor klaagster en vader naar aanleiding van de ontstane had hoc situaties, maar het heeft ontbroken aan voldoende handvatten en structuur. Wanneer beklaagde met haar collega namelijk aan de start van de ondertoezichtstelling een Plan van Aanpak had opgesteld en niet had voortgeborduurd op een liggende rapportage, had dit als raamwerk voor de hulpverlening kunnen dienen. Het College acht op grond van het bovenstaande een maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

lees verder

De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd aan de betrokken gezinsvoogd, waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op de dossierverstrekking aan klager, een gedane verklaring aan de rechtbank, toetsing van de verdeling in de zorg- en opvoedingstaken en de wijze waarop klager is geïnformeerd over belmomenten die zijn gemonitord. Er zijn meerdere artikelen van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.049Ta
Datum beslissing: 19 maart 2018
Oordeel: klachtonderdelen III, V, VI en VIII ongegrond, klachtonderdeel I deels, II deels, IV deels en VII gegrond; klager wordt deels niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel IV
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (samen met een collega), acht klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdeel I, over de dossierverstrekking en de informatieverschaffing hierover richting klager, wordt deels gegrond verklaard. Het wordt beklaagde aangerekend dat het een buitengewoon lange periode (13 weken) heeft geduurd voordat aan klager een afschrift van zijn dossier verstrekt is en dat klager niet geïnformeerd is over deze langere duur (artikel M, verslaglegging / dossiervorming, en artikel D, bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg, van de Beroepscode geschonden). Ook klachtonderdeel twee wordt deels gegrond verklaard, omdat beklaagde een verklaring aan de rechtbank gedaan heeft, die gelet op de stukken, niet anders dan op een misverstand kan berusten. Van een professional mag als regiehouder over de hulpverlening verwacht worden dat deze transparant, en slechts feitelijke juistheden, tegenover de rechtbank verklaart (artikelen A, jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen, en N, samenwerking in de hulp- en dienstverlening, van de Beroepscode geschonden). Voorts wordt klachtonderdeel IV deels gegrond verklaard, omdat beklaagde nagelaten heeft de door de GI vastgestelde verdeling in de zorg- en opvoedingstaken – en de nadien gewijzigde verdeling – door de kinderrechter te laten toetsen conform artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (artikel H, macht en afhankelijkheid in de professionele relatie, van de Beroepscode geschonden). Tot slot wordt klachtonderdeel VII gegrond verklaard, omdat het op de weg van beklaagde lag om klager te informeren over het gegeven dat – op verzoek van de GI – de belmomenten tussen klager en zijn kinderen zouden worden bijgehouden door een andere betrokken instelling (artikel F, informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening, en J, vertrouwelijkheid, van de Beroepscode).

Bij het opleggen van een maatregel heeft het College rekening gehouden met de omstandigheden waaronder beklaagde heeft gehandeld. Het College constateert dat klager zeer veelvuldig het contact met beklaagde heeft gezocht om zijn belangen onder de aandacht te brengen, en dat hij daarbij, naar alle waarschijnlijkheid, verkeerde verwachtingen heeft gehad van hetgeen in redelijkheid van beklaagde uit hoofde van zijn functie verwacht zou mogen worden. Voor het College is voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde, in deze complexe casus met tegenstrijdige belangen, zich ingezet heeft om zorgvuldig – naar eer en geweten – en in het belang van de kinderen te handelen. Het College concludeert dat kan worden volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde.

lees verder

De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd aan de betrokken gezinsvoogd, waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op de dossierverstrekking aan klager, een gedane verklaring aan de rechtbank, toetsing van de verdeling in de zorg- en opvoedingstaken en de wijze waarop klager is geïnformeerd over belmomenten die zijn gemonitord. Er zijn meerdere artikelen van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.049Tb
Datum beslissing: 19 maart 2018
Oordeel: klachtonderdelen III, V, VI en VIII ongegrond, klachtonderdeel I deels, II deels, IV deels en VII gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling (samen met een collega), acht klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdeel I, over de dossierverstrekking en de informatieverschaffing hierover richting klager, wordt deels gegrond verklaard. Het wordt beklaagde aangerekend dat zij na 10 januari 2017 – na het uitdrukkelijke verzoek van klager om een afschrift van zijn dossier – niet begonnen is met het doornemen van het dossier van klager en dat zij klager niet geïnformeerd heeft over de langere duur die naar alle waarschijnlijk gemoeid zou zijn met het verstrekken van een afschrift van zijn dossier, haar uitdiensttreding per 1 februari 2017 doet hier niet aan af (artikel M, verslaglegging / dossiervorming, en artikel D, bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg, van de Beroepscode geschonden). Ook klachtonderdeel twee wordt deels gegrond verklaard, omdat beklaagde een verklaring aan de rechtbank gedaan heeft, die gelet op de stukken, niet anders dan op een misverstand kan berusten. Van een professional mag als regiehouder over de hulpverlening verwacht worden dat deze transparant, en slechts feitelijke juistheden, tegenover de rechtbank verklaart (artikelen A, jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen, en N, samenwerking in de hulp- en dienstverlening, van de Beroepscode geschonden). Voorts wordt klachtonderdeel IV deels gegrond verklaard, omdat beklaagde nagelaten heeft de door de GI vastgestelde verdeling in de zorg- en opvoedingstaken – en de nadien gewijzigde verdeling – door de kinderrechter te laten toetsen conform artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (artikel H, macht en afhankelijkheid in de professionele relatie, van de Beroepscode geschonden). Tot slot wordt klachtonderdeel VII gegrond verklaard, omdat het op de weg van beklaagde lag om klager te informeren over het gegeven dat – op verzoek van de GI – de belmomenten tussen klager en zijn kinderen zouden worden bijgehouden door een andere betrokken instelling (artikel F, informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening, en J, vertrouwelijkheid, van de Beroepscode).
Bij het opleggen van een maatregel heeft het College rekening gehouden met de omstandigheden waaronder beklaagde heeft gehandeld. Het College constateert dat klager zeer veelvuldig het contact met beklaagde heeft gezocht om zijn belangen onder de aandacht te brengen, en dat hij daarbij, naar alle waarschijnlijkheid, verkeerde verwachtingen heeft gehad van hetgeen in redelijkheid van beklaagde uit hoofde van zijn functie verwacht zou mogen worden. Voor het College is voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde, in deze complexe casus met tegenstrijdige belangen, zich ingezet heeft om zorgvuldig – naar eer en geweten – en in het belang van de kinderen te handelen. Het College concludeert dat kan worden volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde.

lees verder

Klacht over een jeugdbeschermer, dat zij niet heeft verzocht de machtiging gesloten jeugdhulp te verlengen, omdat de minderjarige bijna 18 jaar zou worden, dat zij geen machtiging uithuisplaatsing heeft aangevraagd, dat zij de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige niet heeft gewaarborgd, de minderjarige niet heeft laten onderzoeken en dat zij geen gehoor heeft gegeven aan de zorgen van klaagster.

Zaaknummer: 17.101T
Datum beslissing: 14 maart 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft dertien klachtonderdelen ingediend, die hier zijn samengevoegd en samengevat. Beklaagde heeft ervoor gekozen om de machtiging gesloten jeugdhulp van drie maanden niet te verlengen, omdat de minderjarige bijna 18 jaar zou worden. De minderjarige had voor een langere periode uit haar situatie gehaald moeten worden. Klaagster verwijt beklaagde dat zij heeft nagelaten direct een machtiging uithuisplaatsing aan te vragen, omdat de minderjarige met een ondertoezichtstelling elders was geplaatst. Beklaagde heeft vervolgens een spoedverzoek machtiging uithuisplaatsing ingediend, maar daar klaagster niet over geïnformeerd. Beklaagde heeft de minderjarige toestemming gegeven bij een gezin te verblijven, terwijl klaagster dit niet wilde. Beklaagde heeft de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige niet gewaarborgd; de minderjarige keerde vaak niet terug naar de groep en ondanks dit heeft beklaagde geen actie ondernomen. Klaagster stelt dat de minderjarige in de gesloten inrichting ten onrechte niet is onderzocht. Er is niet toegewerkt naar zelfstandigheid. Beklaagde is meegegaan in het manipulerende gedrag van de minderjarige. Beklaagde heeft geen gehoor gegeven aan de zorgen van klaagster. Ondanks dat de minderjarige meerdere malen de wet heeft overtreden, niet naar school ging en een ambtenaar in functie heeft beledigd, is er niet opgetreden.

Het College overweegt dat beklaagde voldoende heeft aangetoond dat er geen grond was voor verlenging van de gesloten jeugdhulp. Dat is een kernbeslissing geweest die zij, in overleg met haar team, genomen heeft. Op grond van de Jeugdwet is in het kader van een ondertoezichtstelling een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk om de jeugdige uit huis te kunnen plaatsen. Het College stelt vast dat toen beklaagde erachter kwam dat zij verzuimd had deze machtiging te verzoeken, zij deze alsnog met spoed heeft aangevraagd. Het College meent dan ook dat beklaagde deze omissie zo spoedig mogelijk naar vermogen heeft hersteld en dat dit noch voor klaagster, noch voor de minderjarige schadelijke gevolgen heeft gehad. Vast staat dat beklaagde klaagster niet heeft geïnformeerd over het door haar gedane spoedverzoek machtiging uithuisplaatsing. Het College had het zorgvuldiger gevonden als beklaagde klaagster hierover had geïnformeerd. Ten aanzien van de klacht dat de minderjarige niet is onderzocht, overweegt het College dat beklaagde er binnen de context weinig aan kon doen om het diagnostisch onderzoek te bespoedigen. Ten aanzien van de wetsovertredingen heeft beklaagde de afweging gemaakt de minderjarige aan te spreken op het gedrag maar daar verder geen sancties aan te verbinden, omdat de politie hier al mee bezig was.

Het College kan zich voorstellen dat het voor klaagster zwaar is geweest dat beklaagde in bepaalde gevallen de stem van de minderjarige zwaarder heeft laten wegen. Hier heeft het conflict van plichten een rol gespeeld. Beklaagde heeft steeds getracht de minderjarige tot haar recht te laten komen. Zij heeft klaagster zoveel als mogelijk betrokken. Voorts was beklaagde beperkt in haar mogelijkheden de minderjarige een plek te bieden in de weekenden, omdat zij thuis niet welkom was en heeft zij steeds moeten schipperen tussen de verschillende belangen, waarbij het belang van de minderjarige gezien haar leeftijd wettelijk zwaarder woog. Het is het College voldoende gebleken dat het doel zoveel mogelijk toe te werken naar zelfstandigheid wel is nagestreefd, maar dat het niet, dan wel onvoldoende is behaald. Beklaagde heeft dat ter zitting ook erkend en aangegeven dat spijtig te vinden. In deze omstandigheden heeft het College geen maatregel opgelegd.

lees verder

Klacht tegen jeugdprofessional die betrokken is als casushouder over de afhandeling van het telefonisch contact met de mentor van de jeugdige. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en artikel K (Vermoedden kindermishandeling) zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.102T
Datum beslissing: 8 maart 2018
Oordeel: klacht gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest als casushouder vanuit Veilig Thuis, een klacht ingediend. Beklaagde heeft niet neutraal gehandeld na het telefoongesprek met de mentor van de jeugdige. Door het handelen van beklaagde is er bijgedragen aan de eenzijdige beeldvorming van de school. Zij heeft nagelaten verdere informatie in te winnen waardoor het beeld van school is bevestigd in plaats van genuanceerd. Het College oordeelt dat de klacht gegrond is en heeft vastgesteld dat bij deze casus de meldcode ‘basismodel huiselijk geweld en kindermishandeling’ van toepassing is. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional om tijdens het telefonisch contact dat heeft plaats gevonden helder te krijgen waar het om gaat en de stappen van de meldcode te doorlopen. Het College heeft overwogen dat beklaagde dit heeft nagelaten. Zonder nader onderzoek te verrichten heeft beklaagde een vervolg traject in gang gezet. Het had naar het oordeel van het College gelet op de wijze waarop de melding is gedaan voor beklaagde volstrekt duidelijk moeten zijn dat nader onderzoek vereist was. Het College heeft het noodzakelijk geacht om een maatregel op te leggen, maar vanwege de persoonlijke omstandigheden van beklaagde en het reflecteren door beklaagde op haar handelen de maatregel van een waarschuwing passend gevonden.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd over het gezinsplan, het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’ en het schenden van de privacy van klaagster en haar dochter.

Zaaknummer: 17.065Ta
Datum beslissing: 8 maart 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional, die samen met haar collega betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van haar zoon, een klacht ingediend. Klaagster is van mening dat zij niet door de jeugdprofessional in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het vastgestelde gezinsplan en het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’, dat in deze rapportages de privacy van klaagster en haar dochter is geschonden en dat klaagster niet geïnformeerd is over de contactmomenten van beklaagde met betrokken instanties.

Het College is van oordeel dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.
Ten aanzien van de klachtonderdelen over het niet kunnen reageren op het vastgestelde gezinsplan merkt het College op dat klaagster door beklaagde in de gelegenheid gesteld is om te reageren op een deel van het conceptplan. Hierover heeft een gesprek plaatsgevonden. Klaagster heeft ook per brief gereageerd. Met betrekking tot het niet kunnen reageren op het rapport merkt het College op dat beklaagde aan de Raad voor de Kinderbescherming inlichtingen over klaagster en haar gezin kan verstrekken zonder de toestemming of reactie van klaagster. Daarbij wijst het College erop dat beklaagde klaagster telefonisch heeft geïnformeerd over het rapport. Klaagster heeft toen niet gevraagd om inzage. Met betrekking tot de vermeende schending van de privacy overweegt het College dat in het gezinsplan algemene verwijzingen opgenomen zijn. Beklaagde heeft gemotiveerd toegelicht waarom het rapport de naam van de dochter heeft vermeld. Met betrekking tot het klachtonderdeel dat toeziet op de contactmomenten met betrokken instanties merkt het College op dat klaagster door beklaagde op de hoogte is gebracht over het opvragen van informatie aan derden.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd en haar collega over het gezinsplan, het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’ en het schenden van de privacy van klaagster en haar dochter.

Zaaknummer: 17.065Tb
Datum beslissing: 8 maart 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional, die samen met haar collega betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van haar zoon, een klacht ingediend. Klaagster is van mening dat zij niet door de jeugdprofessional in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het vastgestelde gezinsplan en het rapport ‘verloop ondertoezichtstelling’, dat in deze rapportages de privacy van klaagster en haar dochter is geschonden en dat klaagster niet geïnformeerd is over de contactmomenten van beklaagde met betrokken instanties.

lees verder

Klacht tegen een medewerkster van Veilig Thuis omdat zij een toezegging niet is nagekomen, die zij gedaan heeft aan de dochter van klaagster. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 17.105Ta
Datum beslissing: 7 maart 2018
Oordeel: klachtonderdeel ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de medewerkster van Veilig Thuis, die tijdens een huisbezoek bij klaagster aanwezig is geweest is in de rol van notulist, één klachtonderdeel ingediend. Klaagster meent dat beklaagde aan het einde van het huisbezoek haar dochter heeft aangezet tot het opschrijven van haar verhaal. Beklaagde heeft volgens klaagster vervolgens de toezegging aan haar dochter gedaan dat zij terug zou komen dit te bespreken. Beklaagde is echter de afspraak niet nagekomen, zij is namelijk niet meer teruggekomen om het verhaal te bespreken. Beklaagde heeft gemotiveerd betwist dat zij een dergelijke toezegging aan de dochter gedaan zou hebben.
Het College overweegt dat onder deze omstandigheden, waarbij het College de feiten niet kan vaststellen die ten grondslag liggen aan het verwijt, het klachtonderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Aan het woord van de één wordt immers niet meer geloof gehecht dan aan het woord van de ander. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

lees verder

De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd aan een medewerkster van Veilig Thuis omdat onder andere het verzoek tot onderzoek onvoldoende volgens de beroepsnormen is opgesteld en beklaagde te laat heeft ingezien welke verantwoordelijkheden zij ten opzichte van de casus behoorde te dragen. Meerdere artikelen van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.105Tb
Datum beslissing: 7 maart 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, III, IV, V, VII, IX en X ongegrond, klachtonderdeel II, VI en VIII gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de medewerkster van Veilig Thuis, die lopende het onderzoek van Veilig Thuis aan het onderzoek is toegevoegd, tien klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde onder meer dat zij het gestarte onderzoek van Veilig Thuis onzorgvuldig en onvolledig heeft uitgevoerd. Klaagster meent dat beklaagde op grond van onjuistheden en veronderstellingen een subjectieve conclusie heeft getrokken en een stellig advies geformuleerd heeft.
Het College oordeelt klachtonderdelen II, VI en VIII gegrond. Het verzoek tot onderzoek (geschreven door een collega van beklaagde, maar mede ondertekend door beklaagde) is naar het oordeel van het College onvoldoende volgens de beroepsnormen opgesteld. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid en deskundigheid van beklaagde, had het op haar weg gelegen dat zij het verzoek tot onderzoek van correcties had voorzien, dan wel dat zij haar collega had gewezen op de onzorgvuldige formuleringen in het verzoek tot onderzoek. Het College acht dit een schending van artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), M (verslaglegging / dossiervorming) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega).
Daarnaast heeft beklaagde artikel J (vertrouwelijkheid) en F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) geschonden, omdat zij de vader van de twee oudste dochters niet heeft geïnformeerd over de beschermtafel noch hem daarvoor heeft uitgenodigd, terwijl beide dochters op meerdere plekken in het verzoek tot onderzoek genoemd zijn.
Tot slot strookt de ter zitting gegeven toelichting van beklaagde over het begrip “kinderen belasten met volwassenenproblematiek” niet met de gangbare definitie daarvan. Dit levert een schending op van artikel B (bevordering deskundigheid). Ook zijn de formuleringen in het verzoek tot onderzoek, betreffende dat klaagster haar kinderen zou belasten met volwassenproblematiek, niet door beklaagde aangepast. Dit terwijl niet is gebleken dat klaagster haar kinderen op die wijze belast. Door na te laten deze formuleringen aan te passen, heeft beklaagde in strijd gehandeld met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging / dossiervorming).
Bij het opleggen van de maatregel aan beklaagde heeft het College er rekening mee gehouden dat het verwijtbare handelen slechts betrekking heeft gehad op een zeer beperkte periode van betrokkenheid van beklaagde (ongeveer drie weken). Het College heeft daarom aanleiding gezien om te volstaan met het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan beklaagde.

lees verder

Zowel de moeder als de gezinsvoogd gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep oordeelt anders dan het College van Toezicht dat de professional door de zaak aan te nemen, niet is getreden buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Zaaknummer: 17.003B (16.082T)
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: beroep deels gegrond: klachtonderdeel IV wordt alsnog ongegrond verklaard.
Maatregel: waarschuwing ingetrokken

Download de volledige beslissing in pdf

De eerste drie klachtonderdelen zijn door het College van Toezicht ongegrond verklaard, welk oordeel in beroep wordt bevestigd.
Het vierde klachtonderdeel houdt in dat de gezinsvoogd tijdens haar vakantieperiode en aansluitend tot aan haar vertrek onvoldoende bereikbaar was en niet heeft gezorgd voor vervanging. Het College van Toezicht verklaarde dit klachtonderdeel gegrond en legde een waarschuwing op. De gezinsvoogd voerde aan dat zij niet de mogelijkheid had om een zaak te weigeren, die zij van haar leiding kreeg opgedragen. Het College van Toezicht kon zich voorstellen dat het voor de jeugdbeschermer als werknemer moeilijk is om zo’n zaak te weigeren, maar de jeugdbeschermer heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid. Het betrof immers een complexe zaak, waardoor de gezinsvoogd de continuïteit van de hulpverlening aan moeder en kinderen niet kon waarborgen. De jeugdbeschermer heeft hierdoor volgens het College van Toezicht niet gehandeld binnen de grenzen van een adequate beroepsuitoefening. Zij had bij het uitdelen van de zaak direct met klem moeten aangeven, dat zij deze zaak niet kon oppakken, gelet op haar resterende korte dienstverband.

Anders dan het College van Toezicht acht het College van Beroep het aannemelijk dat de jeugdbeschermer nog niet had besloten per 1 juli 2016 uit dienst te treden, toen zij de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling op zich nam. Ook is het College van Beroep aannemelijk geworden, dat het niet vanaf het begin duidelijk was dat het om een moeilijke zaak ging. Weliswaar betrof het een voorlopige ondertoezichtstelling, waaruit blijkt dat er met het optreden van de gezinsvoogd niet gewacht kan worden, maar volgens de inschatting van de jeugdbeschermer kwam dit omdat er al langer geen contact was geweest tussen de vader en de kinderen. Op het eerste gezicht vond zij dit dan ook geen moeilijke zaak voor een ervaren jeugdbeschermer als zij was. De jeugdbeschermer heeft verklaard dat haar pas duidelijk werd dat het om een moeilijk dossier ging, na de gesprekken met de moeder en de vader en nadat zij het bericht kreeg dat de moeder geen toestemming gaf om het voorafgaande dossier aan de gecertificeerde instelling te sturen. Het College van Beroep oordeelt dat de jeugdbeschermer door de zaak aan te nemen niet getreden is buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening. Het College acht het incidenteel beroep dan ook gegrond, waardoor van het opleggen van een maatregel geen sprake kan zijn.

lees verder

Klager en gezinsvoogd beide in beroep tegen beslissing College van Toezicht. College van Beroep oordeelt dat het beroep van de gezinsvoogd slaagt en trekt de opgelegde maatregel van waarschuwing in.

Zaaknummer: 17.012B (16.088T)
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: beroep klager faalt, beroep gezinsvoogd slaagt
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is in beroep gegaan tegen de klachtonderdelen die ongegrond zijn verklaard door het College van Toezicht. Hierbij staan (het gebrek aan) ‘sociale waarheidsvinding’ en hoor- en wederhoor centraal alsmede de communicatie tussen partijen. Het College van Beroep stelt vast dat om aan ‘sociale waarheidsvinding’ te kunnen doen, hoor- en wederhoor in ieder geval van essentieel belang is. Tussen partijen is niet in geschil dat er onvoldoende sprake is geweest van hoor- en wederhoor. Naar het oordeel van het College van Beroep komt dit gebrek aan hoor- en wederhoor voor rekening en verantwoording van klager. Uit de stukken en de mondelinge behandeling van het beroep is gebleken dat klager en de gezinsvoogd keer op keer zijn verzand in vragen over procedures en protocollen, terwijl het bij klager bekend was dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling hier niet de plek voor was. Hierdoor kon niet toegekomen worden aan het inhoudelijke spreken over (de ontwikkelingsbedreigingen van) de minderjarige.

Het beroepschrift van de gezinsvoogd ziet primair op de klachtonderdelen met betrekking tot de afgifte van het dossier en het al dan niet (aangetekend) versturen van een schriftelijke aanwijzing. Voor het College van Beroep is vast komen te staan dat klager drie maanden heeft gewacht met het voldoen van de kosten die noodzakelijk waren voor het versturen van het dossier. De gezinsvoogd valt derhalve geen tuchtrechtelijk verwijt te maken voor zover het versturen van het dossier (te) lang heeft geduurd. Tot slot is tijdens de mondelinge behandeling van het beroep gebleken dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de schriftelijke aanwijzing daadwerkelijk is verzonden. Het beroep van de gezinsvoogd slaagt. Het College van Beroep verklaart alle klachtonderdelen (alsnog) ongegrond en ziet derhalve aanleiding de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.

lees verder

Klaagster stelt beroep in tegen ongegrond verklaarde klachtonderdelen. Klaagster meent dat beklaagde onprofessioneel gehandeld heeft. College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht.

Zaaknummer: 17.019B (16.063T & 16.135T)
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: Beroep ongegrond, beslissing CvT blijft gehandhaafd
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van de kinderen, klaagster in eerste aanleg, stelt beroep in tegen de beslissing van het College van Toezicht. Beklaagde, de betrokken gezinsvoogd, wordt verweten dat zij op onprofessionele wijze gehandeld heeft. In eerste aanleg is een klacht in tien onderdelen ingediend. Het College van Toezicht heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Tegen het oordeel van het College van Toezicht onder klachtonderdeel II voert appellante aan dat door het gestelde van het College vele onzuiverheden in rapportages onterecht weggestreept kunnen worden. Hoewel de gezinsvoogd erkend heeft dat het controleren van formuleringen in het raadsrapport beter had gekund, is het College van Beroep van oordeel dat dit niet met zich brengt dat haar een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Betreffende klachtonderdeel V voert appellante aan dat haar klacht ziet op het gegeven dat de gezinsvoogd weigerde de schriftelijke aanwijzing in te trekken, nadat gebleken was dat het afgeven daarvan niet nodig was geweest. Het College van Beroep oordeelt dat nu het in stand laten van de schriftelijke aanwijzing geen verdere gevolgen heeft gehad voor appellante, de gezinsvoogd deze niet hoefde in te trekken. Tot slot heeft appellante tegen klachtonderdeel IX aangevoerd dat ondanks dat de schriftelijke aanwijzing onterecht was afgegeven, de gezinsvoogd tijdens een zitting bij de kinderrechter dit als argument gebruikt heeft om een negatief beeld over appellante neer te zetten. Het College van Beroep volgt het oordeel van het College van Toezicht in zoverre dat het verweerster vrijstond om tijdens de zitting melding te maken van het feit dat zij het noodzakelijk achtte een schriftelijke aanwijzing te geven. Zij heeft immers ervaren dat de samenwerking met appellante ambivalent is verlopen. Van benadeling van de procespositie van appellante is niet gebleken, daar zij ongetwijfeld door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld is om een en ander nader toe te lichten.
Het College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht.

lees verder

Klacht over gezinsvoogd betreffende het zich niet gehoord voelen als moeder. Verwijten zien onder meer op het te snel grijpen naar juridische instrumenten en geen voorafgaand overleg plegen met klaagster, het niet informeren van klaagster en het niet werken aan omgang.

Zaaknummer: 16.159T
Datum beslissing: 26 januari 2018
Oordeel: klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klacht over gezinsvoogd betreffende het zich niet gehoord voelen als moeder. Verwijten zien onder meer op het te snel grijpen naar juridische instrumenten en geen voorafgaand overleg plegen met klaagster, het niet informeren van klaagster en het niet werken aan omgang.

lees verder

Klacht tegen een casushouder met name over de beslissing om de kinderen op het vliegtuig terug naar […] te zetten en de afhandeling daarna van het dossier.

Zaaknummer: 17.047Tb
Datum beslissing: 26 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een casushouder zes klachtonderdelen ingediend. Het College neemt als vaststaand aan dat beklaagde pas is betrokken geraakt nadat de kinderen van klager reeds met het vliegtuig naar hun moeder in [...] vertrokken waren. Klachtonderdelen één, twee, drie en vier zijn door het College ongegrond verklaard nu deze zien op de periode voordat beklaagde betrokken is geraakt. Klachtonderdeel vijf, betreffende haar dossierplicht, blijkt noch uit hetgeen wat ter zitting is besproken of uit feiten en omstandigheden dat zij deze plicht geschonden zou hebben. Tot slot oordeelt het College dat klachtonderdeel zeven ongegrond is. Het verstrekken van informatie over wie waarvoor verantwoordelijk is binnen de instelling en daar voldoende transparant in zijn acht het College een klacht tegen de instelling en raakt beklaagde niet.

lees verder

Klacht over een jeugdbeschermer, die zich respectloos heeft opgesteld door aan te dringen op een huisbezoek bij klager om op die wijze zicht te krijgen op de thuissituatie van de minderjarige, terwijl de partner van klager ziek was. Voorts is een email met privéomstandigheden door toedoen van de jeugdbeschermer bij de ex partner van klager terecht gekomen. Tot slot klaagt klager erover dat beklaagde partijdig is doordat hij een concept gezinsplan samen met de moeder (ex-partner) heeft opgesteld.

Zaaknummer: 17.008T
Datum beslissing: 18 januari 2018
Oordeel: Alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft over de jeugdbeschermer vijf klachtonderdelen ingediend. Beklaagde heeft respectloos gedrag vertoond door binnen drie weken een huisbezoek te willen plannen, terwijl dat de dag is waarop de partner van klager geopereerd wordt, en klager had doorgegeven geen afspraak te willen voordat alle uitslagen en het behandelplan voor de ziekte van zijn partner bekend zijn. Beklaagde heeft zich provocerend gedragen; hij heeft een brief geschreven waarin hij zegt dat de partner van klager weigerde hem binnen te laten, terwijl klager twee weken eerder al had aangegeven dat de afspraak niet door kon gaan. In een brief van beklaagde staan veel onwaarheden over de ziekte en de behandeling van de partner van klager. Beklaagde heeft dus onvoldoende oog gehad voor de moeilijke situatie waarin het gezin zich bevond. Voorts worden in een e-mail de privéomstandigheden genoemd waardoor een omgangsafspraak niet was doorgegaan. Deze e-mail is door toedoen van beklaagde ook bij de moeder terechtgekomen, waarmee de privacy is geschonden. Tot slot verwijt klager beklaagde dat hij zich partijdig heeft opgesteld bij (onder meer) het schrijven van het gezinsplan en bij het geven van een schriftelijke aanwijzing.

Vaststaat dat beklaagde een duidelijke opdracht van de rechtbank heeft gekregen om zicht te krijgen op de thuissituatie van de minderjarige. Om hier uitvoering aan te kunnen geven, heeft beklaagde verschillende pogingen ondernomen om op huisbezoek te komen. Het is het College gebleken dat klager geen enkele bemoeienis wenste in zijn privésfeer. Gelet op de opdracht die er lag, kon beklaagde zich terecht niet bij die wens neerleggen. Bij de pogingen om toch zicht te krijgen op de thuissituatie heeft beklaagde naar het oordeel van het College niet provocerend of respectloos gehandeld. Klager heeft zich eraan gestoord dat zijn e-mail waarin hij melding maakt van de ziekte van zijn partner is doorgestuurd aan de moeder. Nu moeder hiervan echter reeds op de hoogte was doordat de informatie al was gedeeld tijdens de gerechtelijke procedure, is beklaagde met het doorsturen van de betreffende e-mail niet buiten zijn professionele grenzen getreden. Ten aanzien van de vermeende partijdigheid van beklaagde overweegt het College dat het concept gezinsplan niet door beklaagde en moeder gezamenlijk is opgesteld, maar alleen door beklaagde. Het concept gezinsplan is vervolgens aan beide ouders gestuurd met het verzoek daarop te reageren. Nu alleen moeder aan dat verzoek heeft voldaan, heeft beklaagde ook alleen haar reactie in de definitieve versie kunnen verwerken.

lees verder

Klacht tegen jeugdprofessional die betrokken is bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, met name over de handelswijze en de ingezette koerswijziging.

Zaaknummer: 17.080T
Datum beslissing: 18 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zeven klachtonderdelen ingediend. Het College oordeelt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Klachtonderdeel één, betreffende de zorgmelding, acht het College niet de taak van de jeugdprofessional om klager hierover te informeren. Het handelen van de jeugdprofessional is volgens het College juist extra zorgvuldig geweest naar klager. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel over de onmogelijkheid van de werkrelatie tussen betrokken partijen oordeelt het College dat er sinds de betrokkenheid van deze jeugdprofessional sprake is van een koerswijziging. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional klager hierin voldoende meegenomen heeft en haar hierin geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Ten derde oordeelt het College dat beklaagde geen misbruik heeft gemaakt van de positie van de jeugdige. De jeugdige is verwikkeld in een strijd tussen haar ouders en voorts is er geen begin van aannemelijkheid voor het standpunt van klager dat er sprake zou zijn van misbruik. Ten aanzien van klachtonderdeel vier, betreffende de contactjournaals, heeft klager zelf tijdens de mondelinge behandeling aangegeven deze ontvangen te hebben, waardoor het College deze klacht niet inhoudelijk behandeld heeft. Voorts is voor het College bij het vijfde klachtonderdeel onvoldoende gebleken dat feiten in een officieel document zijn verdraaid. Tot slot heeft het College de laatste twee klachtonderdelen gezamenlijk beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de jeugdprofessional niet incompetent is en evenmin is gebleken dat zij in strijd zou hebben gehandeld met de Jeugdwet.

lees verder

Klacht tegen jeugdzorgwerker over de wijze van communicatie, het handelen van beklaagde ten opzichte van de jeugdige en de dossiervorming/privacy.

Zaaknummer: 17.085T
Datum beslissing: 18 januari 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klachten van klagers zijn geclusterd rond drie onderwerpen, te weten de wijze van communicatie, het handelen van beklaagde ten opzichte van de jeugdige en de dossiervorming/privacy. Ten aanzien van de wijze van communicatie heeft het College niet kunnen afleiden dat beklaagde buiten de grenzen is getreden van wat binnen een redelijk bekwame beroepsuitoefening van een jeugdprofessional mag worden verwacht. Voor zover de klacht ziet op het handelen ten opzichte van de jeugdige heeft het College overwogen dat jeugdigen van 16 en 17 jaar een speciale positie binnen de jeugdzorg innemen. Door te handelen zoals beklaagde heeft gedaan, heeft hij laten zien oog te hebben voor deze speciale positie van die categorie jeugdigen. Dat dit eraan heeft bijgedragen dat klagers zich niet steeds volledig geïnformeerd hebben gevoeld, valt niet aan beklaagde te verwijten. Tot slot is het College niet gebleken dat beklaagde geen volledig dossier zou hebben bijgehouden. Het is echter wel mogelijk dat klagers niet alle stukken hebben ontvangen in verband met het ontbreken van de daarvoor benodigde toestemming van de jeugdige. Dit kan beklaagde niet worden tegengeworpen. Voor zover in enkele e-mailberichten persoonlijke omstandigheden van klagers aan de orde zijn gekomen, is de inhoud daarvan volgens het College niet van dien aard dat door het noemen daarvan beklaagde buiten de kaders van een behoorlijke beroepsuitoefening is getreden.

lees verder

(Pleeg)moeder dient beroep in (onder andere) omdat zij van mening is dat het College van Toezicht oordelen niet heeft onderbouwd en te kort door de bocht is gegaan in het eindoordeel. Het College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht, waarin alle klachtonderdelen ongegrond waren verklaard.

Zaaknummer: 17.021B (16.133T)
Datum beslissing: 17 januari 2018
Oordeel: beroep ongegrond, beslissing College van Toezicht blijft in stand
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Pleegmoeder, klaagster in eerste aanleg, heeft tegen vier ongegrond verklaarde klachtonderdelen beroep ingesteld. De jeugdprofessional was bij het pleeggezin betrokken als gezinsvoogd. In beroep stelt pleegmoeder zich met betrekking tot de klachtonderdelen I, II en IV op het standpunt dat het College van Toezicht de oordelen niet heeft onderbouwd en te kort door de bocht was in het eindoordeel. Het College van Beroep heeft deze klachtonderdelen opnieuw beoordeeld en heeft deze, in navolging van het oordeel van het College van Toezicht, ongegrond verklaard.

Met betrekking tot klachtonderdeel III, waarin pleegmoeder stelt dat de gezinsvoogd niet heeft gehandeld in het belang van de kinderen, is er in beroep een transcriptie toegevoegd van een gesprek tussen de gezinsvoogd en één van de pleegkinderen waaruit het gestelde zou blijken. Bij de mondelinge behandeling van het beroep wilde pleegmoeder de bijbehorende geluidsopname afspelen. Het College van Beroep heeft dit niet toegestaan, om reden dat voor het indienen van geluidsopnames een procedure bestaat die met waarborgen is omkleed, namelijk art. 8.11 van het Tuchtreglement. Nu deze procedure niet is gevolgd heeft het College van Beroep geoordeeld dat er te weinig waarborgen zijn om toe te staan de geluidsopnames alsnog ter zitting af te luisteren.

Het College van Beroep heeft daarnaast het transcript van het gesprek wat tussen verweerster en het pleegkind heeft plaatsgevonden niet meegenomen in de oordeelsvorming, nu dat gesprek later heeft plaatsgevonden dan de periode waarover het College van Beroep moest oordelen. Concluderend overweegt het College van Beroep met betrekking tot klachtonderdeel III dat een gezinsvoogd wel het belang van de kinderen in het oog moet houden, maar dat niet onder alle omstandigheden verwacht mag worden dat een gezinsvoogd naast de pleegzorgwerker een vertrouwensband opbouwt met de onder toezicht staande (pleeg)kinderen. In zoverre volgt het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht. Verder oordeelt het College van Beroep, dat niet althans onvoldoende is gebleken, dat verweerster als gezinsvoogd de belangen van de (pleeg)kinderen niet zou hebben behartigd.

Het College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht, waarbij de klacht in al haar onderdelen ongegrond werd verklaard, zij het met aanvulling en verbetering van de gronden.

lees verder

Klacht over een jeugdprofessional die werkzaam is als trajectbegeleider in een gesloten jeugdzorginstelling. Het gaat om de handelswijze ten aanzien van klaagster en de minderjarige, en de ingezette koers.

Zaaknummer: 17.023Ta
Datum beslissing: 15 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de trajectbegeleider van de gesloten jeugdzorginstelling, waar de minderjarige zes weken is verbleven, een aantal klachtonderdelen ingediend. Drie klachtonderdelen gaan over een timeout die de minderjarige moest ondergaan, nadat het daags na het proefverlof thuis niet goed ging. Klaagster meent dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de timeout, dat er ten onrechte een contactverbod was tussen haar en de minderjarige en dat de minderjarige geen goede zorg heeft ontvangen. Voorts vindt klaagster dat beklaagde zich gedurende het gehele traject nalatig heeft getoond, ten aanzien van gemaakte fouten de verwijtbaarheid heeft verlegd naar klaagster en de verantwoordelijkheid die hij droeg ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn persoonlijke belangen, en aan die van de instelling.

De timeout is niet van minuut tot minuut besproken is, maar dat komt door de bijzondere omstandigheden; de minderjarige kwam na één dag proefverlof al weer terug in de instelling. Ook meent het College dat de beslissing dat klaagster en de minderjarige niet direct op dezelfde dag dat de minderjarige terug kwam, contact met elkaar mochten hebben, gedragen kan worden door de overweging dat er rust moest komen voor de minderjarige. Dat er onvoldoende oog was voor het welzijn van de minderjarige is het College niet gebleken. Voorts heeft klaagster niet met voorbeelden onderbouwd dat beklaagde gedurende het hele traject nalatig is geweest. Ook de laatste klacht van klaagster, dat toen er eenmaal fouten bleken beklaagde de verwijtbaarheid heeft verlegd naar klaagster, acht het College niet bewezen. Er was inderdaad sprake van een omissie over de plaatsing van de minderjarige op de dagbesteding; er bleek geen onderwijs geboden te worden, terwijl de minderjarige wel leerplichtig was. Echter toen dit bleek, heeft beklaagde dit onderkend en direct een groot overleg georganiseerd om te reflecteren op het handelen. In het laatste klachtonderdeel meldt klaagster dat beklaagde het belang van de minderjarige ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn eigen belang en dat van zijn instelling. Ook dat is het College niet gebleken.

Het College heeft in haar beslissing overwogen dat er door de vele betrokkenen in deze casus hard is gewerkt aan het welzijn van de minderjarige. Er is langs elkaar heen gewerkt en er zijn zaken misgelopen en dat heeft de minderjarige zeker niet geholpen. Dat is echter niet toe te schrijven aan één specifieke jeugdprofessional.

lees verder

Klacht over een jeugdprofessional die werkzaam is als afdelingshoofd in een gesloten jeugdzorginstelling. Het gaat om de handelswijze ten aanzien van klaagster en de minderjarige, en de ingezette koers.

Zaaknummer: 17.023Tb
Datum beslissing: 15 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over het afdelingshoofd van de gesloten jeugdzorginstelling, waar de minderjarige zes weken is verbleven, een aantal klachtonderdelen ingediend. Drie klachtonderdelen gaan over een timeout die de minderjarige moest ondergaan, nadat het daags na het proefverlof thuis niet goed ging. Klaagster meent dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de timeout, dat er ten onrechte een contactverbod was tussen haar en de minderjarige en dat de minderjarige geen goede zorg heeft ontvangen. Voorts vindt klaagster dat beklaagde zich gedurende het gehele traject nalatig heeft getoond, ten aanzien van gemaakte fouten de verwijtbaarheid heeft verlegd naar klaagster en de verantwoordelijkheid die hij droeg ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn persoonlijke belangen, en aan die van de instelling. Tot slot heeft beklaagde ondanks vele verzoeken geweigerd om het eindrapport/de verslaglegging naar onder andere de rechtbank inzichtelijk te maken.

De timeout is niet van minuut tot minuut besproken is, maar dat komt door de bijzondere omstandigheden; de minderjarige kwam na één dag proefverlof al weer terug in de instelling. Ook meent het College dat de beslissing dat klaagster en de minderjarige niet direct op dezelfde dag dat de minderjarige terug kwam voor de timeout, contact met elkaar mochten hebben, gedragen kan worden door de overweging dat er rust moest komen voor de minderjarige. Dat er onvoldoende oog was voor het welzijn van de minderjarige is het College niet gebleken. Voorts heeft klaagster niet met voorbeelden onderbouwd dat beklaagde gedurende het hele traject nalatig is geweest. Ook de laatste klacht van klaagster, dat toen er eenmaal fouten bleken beklaagde de verwijtbaarheid heeft verlegd naar klaagster, acht het College niet bewezen. Er was inderdaad sprake van een omissie over de plaatsing van de minderjarige op de dagbesteding; er bleek geen onderwijs geboden te worden, terwijl de minderjarige wel leerplichtig was. Echter toen dit bleek, heeft de trajectbegeleider van de instelling dit onderkend en direct een groot overleg georganiseerd om te reflecteren op het handelen. In het laatste klachtonderdeel meldt klaagster dat beklaagde het belang van de minderjarige ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn eigen belang en dat van zijn instelling. Ook dat is het College niet gebleken. Ten aanzien van de klacht over het eindrapport oordeelt het College dat, de omstandigheden van dit geval in aanmerking nemende, het aan beklaagde als afdelingshoofd, niet individueel verweten kan worden dat het eindverslag niet is uitgebracht. Beklaagde heeft hierop gereflecteerd en verklaard erop te zullen toezien dat in het vervolg in vergelijkbare gevallen een eindverslag wordt opgemaakt en overgelegd.

Het College heeft in haar beslissing overwogen dat er door de vele betrokkenen in deze casus hard is gewerkt aan het welzijn van de minderjarige. Er is langs elkaar heen gewerkt en er zijn zaken misgelopen en dat heeft de minderjarige zeker niet geholpen. Dat is echter niet toe te schrijven aan één specifieke jeugdprofessional.

lees verder

Klacht over een jeugdprofessional die werkzaam is bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, en klaagster en de minderjarige heeft begeleid in het zoeken naar de juiste hulp. Beklaagde heeft onvoldoende de regie genomen en zonder toestemming privacygevoelige informatie gedeeld. De artikelen D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’), G (‘Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening’), J (‘Vertrouwelijkheid’) en artikel N (‘Samenwerking in de hulp- en dienstverlening’) zijn geschonden. In overweging nemende de complexiteit van de casus, de goede intenties van beklaagde en het gegeven dat beklaagde duidelijk blijk heeft gegeven van inzicht en reflecterend vermogen, acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Zaaknummer: 17.023Tc
Datum beslissing: 15 januari 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II en IV gegrond, III deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de jeugdprofessional een aantal klachtonderdelen ingediend. Beklaagde heeft zich gedurende het gehele traject nalatig getoond, waardoor er een verkeerde indicatie is afgegeven voor de dagbesteding van de minderjarige. Ten aanzien van gemaakte fouten heeft beklaagde de verwijtbaarheid verlegd naar klaagster en de verantwoordelijkheid die zij droeg ondergeschikt gemaakt aan haar persoonlijke belangen. Zo zijn klaagster en de minderjarige uitgesloten van een vergadering en heeft beklaagde de Wet bescherming persoonsgegevens overtreden. Tijdens genoemde vergadering is privacygevoelige informatie over de minderjarige gedeeld met de school, en is een medewerker van het Samenwerkingsverband zonder voorafgaande toestemming van klaagster bij diverse e-mailwisselingen betrokken.

Het College stelt vast dat bij de besluitvorming omtrent de dagbesteding voor de minderjarige meerdere partijen betrokken zijn geweest, die elk op hun beurt zijn uitgegaan van aannames en veronderstellingen. Zoals beklaagde heeft erkend, was het aan haar hierin de regie te nemen. Voor zover zij dat heeft nagelaten, had beklaagde hier zorgvuldiger te werk moeten gaan. Uit het overhaaste organiseren van de vergadering, spreekt volgens het College de wil om in het belang van de minderjarige de zaak snel weer in goede banen te leiden, maar het was zorgvuldig geweest om klaagster vooraf over het geplande overleg te informeren en/of daarvoor uit te nodigen. Dat zij dit heeft nagelaten, acht het College evenwel niet van die orde dat haar ter zake een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Te meer nu beklaagde het zichzelf kwalijk neemt dat zij daarbij de stap van overleg met klaagster heeft overgeslagen. Ten aanzien van het laatste klachtonderdeel acht het College de privacyregels van de Jeugdwet op deze situatie van toepassing. Het College oordeelt dat voor zover beklaagde niet vooraf met klaagster heeft afgestemd welke informatie zij met wie zou gaan delen, zij in strijd heeft gehandeld met artikel 7.3.11 van de Jeugdwet. Volgens het College is school niet aan te merken als rechtstreeks betrokkene bij de jeugdhulpverlening. Beklaagde had derhalve de verplichting eerst toestemming aan minderjarige en klaagster te vragen.

lees verder

Klacht tegen een jeugdprofessional over het onzorgvuldig handelen bij het nemen van een beslissing om een zorgmelding te doen bij de GI. Artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en het algemene uitgangspunt van gedeelde besluitvorming uit de richtlijnen Jeugdhulp zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.078T
Datum beslissing: 12 januari 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV ongegrond; klachtonderdeel V gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de jeugdprofessional die betrokken is geweest in het drangkader één kernklacht ingediend, waaruit vijf concrete klachtonderdelen voortvloeien. De kern van de klacht is dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld bij haar beslissing om een zorgmelding te doen bij de GI. Ten aanzien van klachtonderdeel één, betreffende het niet of te weinig zijn geïnformeerd over de zorgsignalen die beklaagde van derden ontving, vindt het College geen aanknopingspunten die deze stelling kunnen onderbouwen. Ook in het tweede klachtonderdeel volgt het College de stelling van klaagster niet. Beklaagde heeft niet teveel nadruk gelegd op de psychische problemen van klaagster, nu klaagster dit zelf tijdens één van de eerste gesprekken heeft gedeeld met beklaagde. Bij het derde klachtonderdeel oordeelt het College met klaagster dat in het dossier wel alle mogelijke risicofactoren in kaart zijn gebracht, maar dat deze niet zijn vertaald in concrete risico’s en afgezet tegen de beschermende factoren. Het ontbreken van documenten was echter het gevolg van werkafspraken tussen verschillende betrokken instanties en valt beklaagde onder deze omstandigheden niet te verwijten. Ten aanzien van het vierde klachtonderdeel oordeelt het College dat er sprake is geweest van een visieverschil tussen betrokken partijen. Het niet altijd meewerken van klaagster heeft ervoor gezorgd dat het beklaagde niet verweten kan worden dat er geen passend hulpaanbod is geweest. Tot slot het laatste klachtonderdeel acht het College gegrond. Het College stelt vast dat beklaagde klaagster niet vooraf heeft geïnformeerd over het besluit om het gezin van klaagster aan te melden bij een GI. Hoewel het College de zorgen van beklaagde over de mogelijke reactie van klaagster kan begrijpen, had dit beklaagde er niet van mogen weerhouden klaagster tijdig te informeren en mee te nemen in de besluitvorming. Het College acht het passend en geboden nu artikel G van de Beroepscode en het uitgangspunt gedeelde besluitvorming van de richtlijn Jeugdhulp zijn geschonden om een maatregel van een waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klacht tegen gedragswetenschapper over het op onzorgvuldige wijze nemen van beslissingen en het niet in het belang van de minderjarige handelen.

Zaaknummer: 17.064T
Datum beslissing: 12 januari 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klaagster bestaat uit vijf klachtonderdelen. Beklaagde is, als gedragswetenschapper, vijf keer geraadpleegd door de bij het dossier betrokken medewerkers van het lokaal team. Ten aanzien van klachtonderdelen I, III en IV heeft het College overwogen dat beklaagde in haar functie als gedragswetenschapper geen rechtstreeks contact met cliënten heeft, maar onderdeel uitmaakt van de expertiseschil waarop medewerkers, van het lokaal team in de eerste lijn, een beroep kunnen doen voor advies en informatie. Binnen deze context dient te worden geconcludeerd dat - anders dan klager heeft verondersteld - beklaagde geen beslissingen heeft genomen over de minderjarige. Ten aanzien van klachtonderdelen II en V overweegt het College dat beklaagde haar adviezen zorgvuldig heeft onderbouwd en het belang van minderjarige bij een veilige opvoedsituatie voorop heeft gesteld. Tevens heeft beklaagde zich op basis van de haar aangereikte informatie een zelfstandig oordeel over de casus gevormd en de medewerkers nader geadviseerd. Ook hier oordeelt het College dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

lees verder

Gezinsvoogd gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en trekt de maatregel van berisping in, zonder een andere maatregel op te leggen.

Zaaknummer: 17.023B (16.143T)
Datum beslissing: 9 januari 2018
Oordeel: beroep deels gegrond, CvB bevestigt voor het overige de uitspraak van het College van Toezicht (CvT)
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

In klachtonderdeel I stelt klaagster dat beklaagde heeft gedreigd met een uithuisplaatsing, en, terwijl deze machtiging al afgegeven was, beklaagde een afspraak om het kind te zien heeft misbruikt om de machtiging uithuisplaatsing te effectueren. Het CvT oordeelt dat beklaagde daardoor het aanzien van de jeugdzorg in zijn algemeenheid alsook de vertrouwensband met klaagster heeft geschaad en heeft de klacht, in samenhang met de klachten II t/m VI, gegrond verklaard. Het CvB heeft vastgesteld dat door het CvT de klachtonderdelen I t/m VI ten onrechte zijn samengenomen en daardoor niet afzonderlijk zijn beoordeeld. Het CvB heeft om die reden deze klachtonderdelen opnieuw beoordeeld.

lees verder

Klager en jeugdzorgwerker in beroep tegen beslissing College van Toezicht. College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht buiten zijn bevoegdheid is getreden door zelf klachten te (her)formuleren. Maatregel van waarschuwing ingetrokken.

Zaaknummer: 17.004B (16.052T)
Datum beslissing: 9 januari 2018
Oordeel: principaal beroep gegrond, incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Naar het oordeel van het College van Beroep heeft het College van Toezicht tijdens de procedure in eerste aanleg twee klachtonderdelen gedestilleerd uit de toelichting die klaagster had ingediend, welke niet correspondeerden met de zelf door klager geformuleerde klachten. Op grond van artikel 7.5 van het Tuchtreglement ligt de verantwoordelijkheid om een klacht helder te formuleren bij de klager, eventueel bijgestaan door een vertrouwenspersoon of gemachtigde. Het College van Toezicht heeft door het herformuleren de jeugdzorgwerker de mogelijkheid ontnomen om zich ten aanzien van de klachtonderdelen op adequate wijze te verweren. Het College van Beroep stelt om die reden de bestreden klachtonderdelen buiten behandeling en komt aan een inhoudelijke beoordeling ervan niet toe. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Klager is – onder andere – in beroep gegaan tegen het klachtonderdeel dat er op ziet dat de jeugdzorgwerker heeft nagelaten na de uithuisplaatsing adequate schoolvoorzieningen te treffen. Het College van Beroep is – anders dan het College van Toezicht – van oordeel dat de jeugdzorgwerker hieromtrent slechts een beperkt tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De jeugdzorgwerker had de gedane (school)aanmelding moeten blijven monitoren. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep is naar voren gekomen dat de jeugdzorgwerker – en collega’s – pas actie ondernamen nadat de leerplichtambtenaar was ingeschakeld door klager. Het College van Beroep acht het tuchtrechtelijk verwijtbare handelen echter beperkt nu de jeugdzorgwerker tijdens de aanmeldprocedure een periode afwezig is geweest en samen met collega’s verantwoordelijk is geweest voor de aanmelding. Het College van Beroep verklaart het klachtonderdeel gegrond wegens schending van artikel N (samenwerking in hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerkers, maar ziet gelet op de beperkte verwijtbaarheid geen aanleiding een maatregel op te leggen.

lees verder

Klacht tegen gezinsvoogd met name betreffende het niet werken aan contactherstel tussen klager en de kinderen

Zaaknummer: 16.075T-TV
Datum beslissing: 5 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager (vader, zonder gezag, van drie kinderen) heeft tegen de jeugdprofessional, die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, vijf klachtonderdelen ingediend. De kinderen wonen bij de moeder. Naar aanleiding van een omgangsweekend tussen klager en de kinderen (in 2014) heeft de voor de kinderen benoemde bijzondere curator het standpunt ingenomen dat zij het in het belang van de kinderen achtte dat de omgang (tijdelijk) gestopt zou worden. Sindsdien heeft tussen klager en zijn kinderen geen omgang plaatsgevonden. Klager verwijt de gezinsvoogd dat zij sindsdien niet gewerkt heeft aan contactherstel tussen hem en de kinderen. Beklaagde zou klager structureel en bewust hebben buitengesloten. Voorts meent klager dat beklaagde zich partijdig getoond heeft en dat zij onvoldoende deskundig is. Volgens klager is beklaagde beschikkingen en wetgeving niet nagekomen en heeft zij tot slot geweigerd de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven.
Naar het oordeel van het College heeft beklaagde voldoende aangetoond dat in de samenwerking met klager onvoldoende openingen zijn geweest om de omgang tussen klager en de kinderen, in welke vorm dan ook, te bewerkstelligen. Het College concludeert dat beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, mede gelet op de complexe verhoudingen binnen het gezinssysteem alsmede tussen klager en beklaagde. Inzake de andere klachtonderdelen oordeelt het College dat het gestelde onvoldoende door klager onderbouwd is. Alle klachtonderdelen worden door het College ongegrond verklaard.

lees verder

Klacht tegen jeugdconsulent over het niet handelen in het belang van de kinderen, het tekortschieten in de informatievoorziening en het op onzorgvuldige wijze afsluiten van de hulpverlening in het drangkader.

Zaaknummer: 17.058Ta
Datum beslissing: 5 januari 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klager bestaat uit vijf klachtonderdelen. Beklaagde is werkzaam als jeugdconsulent en heeft vanaf 24 augustus 2015 de regie gehad over de hulp in het vrijwillig kader. Vanaf 14 juni 2016 is een drangtraject ingezet, welke is uitgevoerd door een instelling. Het College is van oordeel dat beklaagde in haar functie als jeugdconsulent maar een beperkte rol had gedurende het door de instelling uitgevoerde drangtraject. Het is het College uit het dossier niet gebleken dat beklaagde een rol zou hebben gespeeld in het stopzetten van de zorgregeling tussen klager en de kinderen in december 2015, en evenmin dat beklaagde niet in het belang van de kinderen heeft gehandeld. Wat betreft de bij aanvang van een hulpverleningstraject te verschaffen informatie heeft het College overwogen dat beklaagde een lopend dossier heeft overgenomen van een collega. Beklaagde is er daarbij vanuit gegaan dat haar collega de betreffende schriftelijke informatie reeds aan klager had verstrekt. Zoals beklaagde ook zelf heeft erkend, had zij er beter aan gedaan als zij dit expliciet had geverifieerd. Desondanks is het College van oordeel dat beklaagde niet buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Ten aanzien van de beëindiging van het drangtraject geldt dat beklaagde geen verantwoordelijkheid draagt voor de beslissingen die door de instelling binnen dat traject zijn genomen en de communicatie daarover richting klager.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet handelen in het belang van de kinderen, het niet respecteren van de gezaghebbende ouder en het tekortschieten in de informatievoorziening over het beëindigen van het drangtraject.

Zaaknummer: 17.058Tb
Datum beslissing: 5 januari 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klager bestaat uit drie klachtonderdelen. Wat betreft de beëindiging van het drangtraject is het College van oordeel dat het - zoals beklaagde ook zelf heeft erkend - beter was geweest als met klager nog een afzonderlijk eindgesprek was gevoerd alvorens tot sluiting van het dossier over te gaan. Nu beklaagde en haar collega kort na het sluiten van het dossier klager alsnog hebben uitgenodigd voor een afrondend gesprek, is er echter naar het oordeel van het College geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Ten aanzien van de beëindiging van het drangtraject hecht het College er aan om op te merken dat het haar heeft verbaasd dat de verdere begeleiding van minderjarige 2 in zijn wens om wel contact te hebben met klager op geen enkele wijze is geborgd in het concept gezinsplan. Beklaagde en haar collega hebben in dit verband tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij minderjarige 2, gelet op zijn leeftijd, vooral ondersteuning hebben willen bieden, maar dat minderjarige 2 hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Desondanks heeft het College aan beklaagde als aandachtspunt mee gegeven om in de toekomst in soortgelijke gevallen nadrukkelijker af te wegen of een vorm van monitoring of verwijzing niet op zijn plaats is. Het College heeft geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet handelen in het belang van de kinderen, het niet respecteren van de gezaghebbende ouder en het tekortschieten in de informatievoorziening over het beëindigen van het drangtraject.

Zaaknummer: 17.058Tc
Datum beslissing: 5 januari 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klager bestaat uit drie klachtonderdelen. Wat betreft de beëindiging van het drangtraject is het College van oordeel dat het - zoals beklaagde ook zelf heeft erkend - beter was geweest als met klager nog een afzonderlijk eindgesprek was gevoerd alvorens tot sluiting van het dossier over te gaan. Nu beklaagde en haar collega kort na het sluiten van het dossier klager alsnog hebben uitgenodigd voor een afrondend gesprek, is er echter naar het oordeel van het College geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Ten aanzien van de beëindiging van het drangtraject hecht het College er aan om op te merken dat het haar heeft verbaasd dat de verdere begeleiding van minderjarige 2 in zijn wens om wel contact te hebben met klager op geen enkele wijze is geborgd in het concept gezinsplan. Beklaagde en haar collega hebben in dit verband tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij minderjarige 2, gelet op zijn leeftijd, vooral ondersteuning hebben willen bieden, maar dat minderjarige 2 hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Desondanks heeft het College aan beklaagde als aandachtspunt mee gegeven om in de toekomst in soortgelijke gevallen nadrukkelijker af te wegen of een vorm van monitoring of verwijzing niet op zijn plaats is. Het College heeft geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Klacht tegen jeugd- en gezinswerker met name over dat zij te snel een spoedmelding heeft gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming

Zaaknummer: 17.046T
Datum beslissing: 4 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster (de moeder van de minderjarige) heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader, zes klachtonderdelen ingediend. Beklaagde raakt betrokken bij het gezin nadat door de politie een zorgmelding is gedaan bij Veilig Thuis. Vlak na de betrokkenheid van beklaagde wordt geconstateerd dat de minderjarige bij de grootouders verblijft, die weigeren de minderjarige terug te brengen bij klaagster. Nadat klaagster aangifte tegen de grootouders doet vanwege onttrekking van de minderjarige aan het ouderlijk gezag, wordt door beklaagde een spoedmelding bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) gedaan. Hetgeen tot gevolg heeft dat de minderjarige voorlopig onder toezicht wordt gesteld en met spoed bij de grootouders uit huis geplaatst wordt. Klaagster vindt onder meer dat beklaagde onvoldoende de mogelijkheden in het vrijwillige kader heeft onderzocht en dat de in de spoedmelding aantoonbare onjuistheden staan. Het College oordeelt dat hoewel beklaagde aanvankelijk had ingezet op het stabiliseren van de thuissituatie, zij vanwege de aangifte en op aanraden van de Officier van Justitie, geen andere mogelijkheid zag dan advies inwinnen bij de RvdK. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College juist gehandeld door het gegeven advies van de RvdK op te volgen. Betreffende de raadsmelding concludeert het College dat van een onjuiste kern van de inhoud niet is gebleken. Inzake de andere klachtonderdelen oordeelt het College dat het gestelde ofwel onvoldoende aannemelijk door klaagster is gemaakt ofwel dat deze onvoldoende onderbouwd zijn.

lees verder