Klacht tegen jeugdhulpverlener over een verkeerde beoordeling van het belang van de zoon, de opzet van het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel, de wijze van hulpverlening en de tegenstrijdigheden in het verzoek. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.185T
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de wijze waarop beklaagde het gedrag van de zoon heeft beschreven in het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel. Het College oordeelt dat beklaagde zich heeft mogen baseren op de informatie van Veilig Thuis en het telefoongesprek met moeder. Niet het gedrag van de zoon maar de houding van moeder is voor beklaagde aanleiding geweest voor het voornemen om een verzoek in te dienen. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld in het belang van de zoon.
Het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel is door beklaagde uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd.
De stellingen van klager over de wijze van hulpverlening zijn feitelijk onjuist. Het College constateert ook dat de voorbeelden die klager aanhaalt niet duiden op tegenstrijdigheden. De hulpverlening had betrekking op meerdere factoren. Het is begrijpelijk dat beklaagde meer dan één conclusie heeft getrokken.
Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen gezinsspecialist die heeft nagelaten om de identiteit van de zoon van klaagster te controleren bij de start van een gesprek. Artikel J van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerkers is geschonden. Beklaagde heeft vervolgens zorgvuldig en adequaat gehandeld. De klacht is deels gegrond. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.212T
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: de klacht is deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is benaderd door een vertrouwenspersoon van school om in gesprek te gaan met een leerling naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld. Zij is naar school gegaan en heeft van de conciërge een verkeerd lokaalnummer gekregen waar zich echter wel een leerling bevond die fonetisch dezelfde voornaam had. Beklaagde heeft de zoon van klaagster meegenomen in plaats van de leerling waar de melding betrekking op had. Zij had gelet op de vertrouwelijkheid van het gesprek bij de start van het gesprek moeten nagaan of zij de juiste persoon voor zich had. Zij heeft in strijd gehandeld met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Beklaagde heeft zorgvuldig en adequaat gehandeld door tijdig het gesprek met de zoon te stoppen en contact op te nemen met de vertrouwenspersoon en de melder. Beklaagde heeft direct nadat de fout was ontdekt, de situatie uitgelegd aan de zoon van klaagster en excuses aangeboden.
Het College houdt rekening met het feit dat het gaat om een eenmalige misslag. Ook heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen, heeft zij haar werkwijze aangepast en haar ervaring gedeeld met haar collega’s. Op grond van deze omstandigheden ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over uitlatingen over de omgang die hij als zittingsvertegenwoordiger heeft gedaan tijdens een zitting bij het gerechtshof. De voorzitter verklaart de klachten kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.018Ta
Datum beslissing: 29 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De voorzitter overweegt dat uit de klachtbeslissing van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat de raadsonderzoeker kenbaar heeft willen maken dat hij geen persoonlijk overleg met zijn collega’s heeft gehad. Hij is als zittingsvertegenwoordiger niet verplicht om vooraf te overleggen met de collega’s die het rapport hebben opgesteld.
Het is begrijpelijk dat de raadsonderzoeker op basis van de informatie die hij tijdens de zitting heeft verkregen, de adviezen heeft aangepast. Klaagster heeft tot slot geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde heeft beweerd dat hij niets heeft aangegeven over de omgang omdat de reactie van klaagster op het advies zou ontbreken.
De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

lees verder

Klacht tegen een voormalige betrokken gezinsvoogd over haar handelen ten tijde van haar betrokkenheid.

Zaaknummer: 18.150T
Datum beslissing: 28 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de voormalige gezinsvoogd vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde dat zij partijdig is en optreedt als belangenbehartiger van vader, in plaats van als gezinsvoogd voor de dochter. Hier heeft klaagster een drietal voorbeelden aangehaald. Ten tweede stelt klaagster dat beklaagde bij herhaling onjuiste informatie over haar aan de rechtbank en andere instanties heeft verstrekt waardoor er een negatief beeld over haar als moeder is ontstaan. Hier heeft klaagster twee voorbeelden benoemd. Het derde klachtonderdeel is een herhaling van waar in klachtonderdeel I over is geoordeeld. Tot slot verwijt klaagster in klachtonderdeel vier beklaagde dat zij onterecht opmerkingen en (klacht)gesprekken van haar gebruikt als gronden voor het beëindigen van de ondertoezichtstelling. Zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde gemotiveerd verweer gevoerd. Het College heeft alles overziend geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Beklaagde pedagoog heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als jeugdprofessional. Van een professionele relatie was geen sprake. Zij bood slechts een luisterend oor aan de zoon. Ook is de Beroepscode NVO niet van toepassing. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk op haar rol gewezen en zich op geen enkele wijze gemanifesteerd als pedagoog.

Zaaknummer: 18.136T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht richt zich tegen een beklaagde die werkzaam is als pedagoog. Zij kent de 14 jarige zoon van klager omdat deze sinds de kleuterschool bevriend is met haar zoon. Op initiatief van de zoon van klager heeft beklaagde een aantal keer met hem gesproken. Volgens klager zijn deze gesprekken zonder klagers toestemming gevoerd. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk aangegeven dat zij de zoon slechts een luisterend oor kon bieden maar dat zij dit niet als professional deed. Volgens het College is geen sprake geweest van een behandelrelatie of professionele relatie. Beklaagde heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als pedagoog/jeugdprofessional. Privé-handelen valt in principe niet onder het tuchtrecht. Dit zou anders zijn als dat privé-handelen niet los gezien kan worden van haar beroep als pedagoog en waarbij dit handelen voldoende weerslag kan hebben op professionele relaties. Gezien het handelen van beklaagde is die situatie volgens het College niet aan de orde. Ook ziet het College geen aanknopingspunten dat beklaagde zich op enigerlei wijze zou hebben gemanifesteerd als pedagoog zoals staat beschreven in artikel 1.4 van de Beroepscode NVO. Nu beklaagde heeft gehandeld in de privésfeer en niet als pedagoog concludeert het College dat haar handelen niet onder het tuchtrecht valt en dat zij daarmee niet onderworpen is aan de algemene tuchtnorm van artikel 3.1 van het Tuchtreglement. Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht waardoor het College aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht niet toekomt.

lees verder

Klacht tegen de ambulant spoedhulpverlener over onder andere het eindverslag, dat geschreven is zonder dat beklaagde klaagster en de zoon gesproken heeft en dat beklaagde zonder enige aanleiding de betrokken instelling in het drangkader heeft geïnformeerd over de zorgen over de zoon, waarna een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon is ingediend.

Zaaknummer: 18.130T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon en oefent het gezag uit over de zoon. De zoon is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft drie klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I en III.
Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij een eindverslag geschreven heeft over klaagster en de zoon, zonder dat zij in gesprek is gegaan met klaagster, of de zoon heeft gezien. Beklaagde heeft verklaard dat zij in de periode dat zij als ambulante spoedhulpverlener betrokken was, zowel telefonisch als via WhatsApp contact onderhield met klaagster. Het College kan klaagster dan ook niet volgen in haar klacht dat beklaagde een verslag heeft geschreven zonder dat zij klaagster heeft gezien. Dat beklaagde de zoon niet heeft ontmoet, kan volgens het College liggen aan de relatief korte tijd dat beklaagde bij het gezin van klaagster betrokken is geweest.
In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder enige aanleiding via een andere instelling een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon heeft ingediend zonder samenwerking of een gesprek met klaagster. Het College overweegt dat er zorgen waren over klaagster en de zoon en dat deze zorgen binnen een aantal dagen snel toenamen. Beklaagde heeft om die reden, na overleg met haar collega’s en in het belang van de zoon, besloten om de instelling te informeren. Daarbij heeft beklaagde, eveneens na afstemming met haar collega’s, in het belang van de veiligheid van de zoon besloten klaagster hier vooraf niet over te informeren. Het College kan zich goed voorstellen dat klaagster zich op die bewuste middag overvallen heeft gevoeld. Het College acht het echter wel navolgbaar dat beklaagde zo gehandeld heeft. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zeer zorgelijk was, dat mogelijk de veiligheid van de zoon in het geding was en voorts heeft zij vooraf afstemming gezocht met haar collega’s. Beklaagde heeft in haar verweer gereflecteerd op haar handelen in die zin dat zij zich nu nog bewuster is van de noodzaak van transparant communiceren. Mogelijk had het beter gekund maar het College is - alles overwegende - van oordeel dat beklaagde bij het beroepsmatig handelen gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Tot slot merkt het College nog op dat tussen de periode van het handelen in april 2016 en het indienen van de tuchtklacht in september 2018 een relatief lange periode ligt van meer dan twee jaar. Het College kan zich voorstellen dat dat voor een beklaagde, die zich immers dient te verweren, een complicerende factor is.

lees verder

Jeugdbeschermer heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van klager waardoor het voor klager tijdens de ondertoezichtstelling heeft ontbroken aan handvatten en structuur.

Zaaknummer: 18.147T
Datum beslissing: 15 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X gegrond; klachtonderdeel IV, V en IX ongegrond Klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen (deels)III en XI
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, elf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X. Het College heeft deze klachtonderdelen gegrond verklaard.

Allereerst heeft beklaagde nagelaten om klager te informeren over de Beroepscode en het Tuchtrecht waar hij onder valt. Ook heeft beklaagde, na verzoek, niet zijn registratienummer verstrekt. Hiermee heeft beklaagde volgens het College in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld.

Voorts heeft beklaagde zich onvoldoende ingespannen om een gesprek met klager en zijn vertrouwenspersoon over beklaagde zijn functioneren, op verzoek van klager, van de grond te krijgen. Doordat beklaagde dit gesprek heeft afgehouden is in strijd met artikel D van de Beroepscode gehandeld. Op grond van dit artikel had beklaagde door middel van een persoonlijk gesprek verantwoording aan klager kunnen afleggen over zijn handelen.

Ook heeft het College geoordeeld dat beklaagde heeft gehandeld vanuit willekeur. Als beklaagde signalen ontving van moeder heeft beklaagde daar naar gehandeld zonder hoor en wederhoor toe te passen. Hiermee heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Daarnaast heeft beklaagde nadat was gekozen voor de methodiek complexe echtscheiding waarbij individueel contact met de jeugdbeschermer was uitgesloten, individueel contact gehad met moeder. Uit het dossier is niet gebleken dat naar klager was gecommuniceerd dat de gekozen methodiek weer was losgelaten. Beklaagde heeft in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld nu er geen juiste informatievoorziening richting klager heeft plaatsgevonden.

Het volgende klachtonderdeel sluit aan bij een eerder klachtonderdeel. Over afgespeelde gebeurtenissen heeft beklaagde verhalen van moeder gehoord maar heeft hij nagelaten om te vragen naar de kant van klager. Doordat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Vervolgens is beklaagde verweten dat de begeleiding vanuit hem te wensen heeft overgelaten. Voor het College is dit gebleken uit het feit dat beklaagde heeft gewerkt met een korte termijn visie. Er is niet adequaat gewerkt met een gezinsplan wat voor klager maar ook voor beklaagde handvatten en structuur had kunnen bieden. Beklaagde heeft hiermee in strijd met artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Tot slot heeft beklaagde naar het oordeel van het College misbruik van zijn macht gemaakt. Door een gesprek met klager en moeder afhankelijk te stellen van omgang tussen klager en zijn kinderen. Klager heeft tijdig aangegeven dat hij niet kon en is met een alternatief gekomen. Beklaagde heeft vastgehouden aan het geprikte moment, maar de overwegingen hiertoe ontbreken. Beklaagde heeft met zijn handelen in strijd met artikel H van de Beroepscode gehandeld.

Beklaagde is met zijn handelen verwijtbaar tekortgeschoten en heeft een minimale blijk van reflectie gegeven. Het College heeft in overweging meegenomen dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de gevolgen van zijn handelen voor klager. Het College acht het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Een medewerker van het wijkteam dient een tuchtklacht in over een collega beroepsgenoot, onder andere wegens het gebrek aan samenwerking in een casus. Het College van Toezicht verklaart de klacht gegrond wegens schending van artikelen A, G, N en O van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Daarnaast betrekt het College van Toezicht ambtshalve in het oordeel dat de jeugdzorgwerker onvoldoende heeft meegewerkt aan de tuchtrechtelijke procedure en daarmee blijk heeft gegeven van minachting van het tuchtrecht.

Zaaknummer: 18.029T
Datum beslissing: 14 maart 2019
Oordeel: gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is werkzaam geweest als jeugdzorgwerker bij een instelling. Beklaagde is vanuit die rol betrokken geweest bij een moeder en haar twee minderjarige kinderen in een drangtraject dat werd uitgevoerd door de instelling. In verband met de hulpvraag van de moeder is het wijkteam betrokken. Vanuit het wijkteam een generalist toegewezen. De klager is later als SKJ geregistreerde jeugdprofessional bij de casus betrokken geraakt.

Nadat klager en de generalist tevergeefs meerdere malen contact hebben gezocht met beklaagde, heeft klager aan beklaagde laten weten ernstige zorgen te hebben over de casus en geen zicht te hebben op de situatie. Wegens gebrek aan (actieve) inzet vanuit beklaagde neemt klager uiteindelijk contact op met de manager van beklaagde. De instelling besluit de betrokkenheid van beklaagde bij de casus te beëindigen.

Klager besluit vervolgens een tuchtklacht in te dienen over zijn collega beroepsgenoot vanuit zijn persoonlijke opvatting dat het voor de beroepsgroep van belang is dat gesignaleerd wordt als een jeugdprofessional de normen overtreedt. De kern van de tuchtklacht is dat er geen sprake is geweest van samenwerking tussen klager/het wijkteam en beklaagde en dat beklaagde de regie niet heeft gepakt waardoor er in de periode waarin beklaagde betrokken is geweest er geen hulpverlening tot stand heeft kunnen komen. Het College is van oordeel dat er een schending is van de artikelen A, G, N en O van de Beroepscode. Hierbij heeft het College onder andere overwogen dat er ondanks herhaalde pogingen geen contact tot stand is gekomen tussen de generalist/klager en beklaagde, beklaagde niet de regie heeft gepakt en hij de afspraken met betrekking tot de hulpverlening aan de moeder niet/te laat is nagekomen. Beklaagde heeft zich niet of nauwelijks ingespannen om het hulpverleningsproces op gang te brengen. Dat de gevolgen in de onderhavige situatie uiteindelijk beperkt zijn gebleven, is doordat klager via de leidinggevende van beklaagde actie heeft ondernomen én omdat de moeder vanwege een aanvraag uit de Participatiewet bij het wijkteam in beeld is gebleven.

Het College heeft daarnaast ambtshalve in het oordeel betrokken dat het een parallel heeft geconstateerd in het handelen c.q. nalaten van beklaagde gedurende zijn betrokkenheid in de onderhavige zaak en het handelen c.q. nalaten in de tuchtrechtelijke procedure. Het College heeft moeten constateren dat beklaagde aan deze procedure niet afdoende heeft meegewerkt. Niet alleen heeft dit een voortvarende behandeling van de klacht belemmerd, maar tevens heeft beklaagde hiermee blijk gegeven van minachting van het tuchtrecht. Het College constateert dat beklaagde zich heeft beperkt tot excuses, maar geen enkele opening heeft geboden leidend tot een inhoudelijke verantwoording van zijn handelen.

lees verder

Klacht tegen een bemiddelaar van een traject over het ontbreken van een heldere agenda tijdens de gesprekken. Een klachtonderdeel is gegrond. Beklaagde heeft nagelaten om structuur aan te brengen in de gesprekken, bespreekpunten te clusteren en terug te komen op gemaakte afspraken. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.088T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdeel IV is gegrond, de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College overweegt dat van beklaagde in zijn rol van bemiddelaar mag worden verwacht dat hij in de gesprekken structuur aanbrengt, bespreekpunten clustert en terugkomt op gemaakte afspraken. Voor klager is onvoldoende duidelijk geweest waar hij aan toe was doordat beklaagde onvoldoende overeenstemming of instemming met klager heeft bereikt. Helderheid over de werkwijze van beklaagde had hieraan bij kunnen dragen. Het klachtonderdeel is gegrond. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.
Het College heeft begrip voor de complexe situatie waarin beklaagde verkeerde. Hij heeft als bemiddelaar opgetreden in een langdurig traject met hevige dynamiek tussen klager en beklaagde. Beklaagde heeft het belang van het contact tussen klager en de zoon voorop willen stellen en heeft zich hiervoor ingespannen. Hij heeft gereflecteerd op zijn handelen. Ook heeft hij over deze zaak meerdere malen met collega’s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog die werkzaam is als jeugd-en gezinswerker bij een lokaal team. Nu beklaagde is geregistreerd in de kamer voor orthopedagogen, wordt het handelen van beklaagde getoetst aan de beroepscode-NVO. Beklaagde heeft het gesprek met klaagster niet vastgelegd evenals een datum voor de evaluatie. Beklaagde heeft het ‘3 huizengesprek’ anders moeten vormgeven. Zij heeft verder nagelaten klaagster op de hoogte te stellen van de inhoud van het verslag. De hulpverlening aan klaagster is niet afgesloten. Tot slot rust op beklaagde een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of zij de hulpverlening kan uitvoeren. Artikelen 5 lid 2 (positie van de client en zijn wettelijk vertegenwoordigers), 9 lid 5 (deskundigheid en bekwaamheid), 18 (informatie aan de client verstrekken over aard en doel van de professionele relatie), 20 (in vrijheid beslissen over het aangaan van de professionele relatie), 27 (evaluatie bij de afsluiting van de professionele relatie), 31 (dossiervorming) en 35 (recht op inzage en afschrift) van de beroepscode-NVO zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.107T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, XIII en XIV zijn gegrond; klachtonderdelen IV en V zijn deels gegrond; de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets over de rechtspositie van klaagster heeft gemeld en dat nooit een evaluatie heeft plaatsgevonden. Het College overweegt dat beklaagde geen e-mails of andere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde het gesprek met klaagster heeft vastgelegd. Ook heeft beklaagde tijdens of na het eerste gesprek nagelaten een datum voor de evaluatie vast te leggen.

Klaagster meent voorts dat het ‘3 huizen gesprek’ tussen beklaagde en de zoon een aanfluiting was en meer weg had van een politie verhoor. Het College oordeelt dat beklaagde heeft erkend dat zij het gesprek anders had moeten vormgeven. Zij denkt achteraf bezien dat zij zich heeft laten opjagen door het proces en de vragen die er lagen.

Ook is het College van oordeel dat beklaagde klaagster formeel niet op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van het verslag van het ‘3 huizen gesprek’.

De klacht van klaagster over het niet afsluiten van de hulpverlening is gegrond. Beklaagde is verplicht om de hulpverlening af te sluiten. Uit het dossier blijkt niet dat beklaagde heeft geprobeerd om met beklaagde hierover in contact te komen. Tot slot oordeelt het College dat de samenwerking in het vrijwillig kader onder druk is komen te staan na een beschikking van de rechtbank en omdat beklaagde en haar collega’s het wenselijk vonden dat een GI het proces zou overnemen. Op beklaagde rust, gelet op haar deskundigheid en bekwaamheid, een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen en aan te geven of zij de hulpverlening kan uitvoeren.

Nu beklaagde in deze complexe casus heeft overlegd met collega’s, heeft gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar heeft opgesteld, acht het College gelet op deze omstandigheden de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog over slechte communicatie, het niet verstrekken van haar registratienummer en het door haar geschreven verzoek tot bespreking beschermingstafel. De voorzitter van het College verklaart de klachten op basis van de overgelegde onderbouwing kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.010Ta
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I t/m III kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient drie klachtonderdelen in tegen de orthopedagoog, die betrokken is geweest in het drangkader. De voorzitter van het College verklaart de klacht kennelijk ongegrond en overweegt per klachtonderdeel als volgt.

Klachtonderdeel I betreft het verwijt “slechte communicatie/niet aan beloftes houden”. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie valt echter te concluderen dat beklaagde initiatief heeft genomen om het gesprek met klager aan te gaan. Bovendien blijkt niet dat sprake is van slechte communicatie of van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

In klachtonderdeel II wordt beklaagde verweten dat zij weigert haar registratienummer te verstrekken. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat beklaagde naar aanleiding van het hiertoe verstrekkende verzoek aan klager de gebruikelijke procedure toelicht en een aanbod doet tot telefonisch contact met een collega. Hoewel het niet verstrekken van het registratienummer als tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht (beslissingen College van Toezicht d.d. 11 oktober 2018, zaaknummer 18.033T, en d.d. 12 november 2018, zaaknummer 18.044T), kan daar onder omstandigheden ook anders over worden geoordeeld (beslissing College van Toezicht d.d. 5 november 2018, zaaknummer 18.073T). Het had transparanter en zorgvuldiger geweest wanneer beklaagde direct haar registratienummer had verstrekt. Omdat het bij een tuchtrechtelijke toetsing er echter niet om gaat of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund, is de conclusie dat hier niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.

Tot slot is klachtonderdeel III dat het “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” niet voldoet aan de kwaliteitseisen. De voorzitter overweegt dat aan een zogenoemd “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel”, gericht aan de Beschermingstafel, geen juridische vormvoorschriften zijn verbonden. Het is gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van de verzoekende hulpverlener als grondslag voor een onderzoek gebruikt wordt. Uit het overgelegde “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” maakt de voorzitter niet op dat beklaagde met de inhoud of het opstellen daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De door klager overgelegde onderbouwing van dit klachtonderdeel, een beoordeling van dit verzoek door een derde, doet hier niet aan af.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog over slechte communicatie, het niet verstrekken van haar registratienummer en het door haar geschreven verzoek tot bespreking beschermingstafel. De voorzitter van het College verklaart de klachten op basis van de overgelegde onderbouwing kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.010Ta
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I t/m III kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient drie klachtonderdelen in tegen de orthopedagoog, die betrokken is geweest in het drangkader. De voorzitter van het College verklaart de klacht kennelijk ongegrond en overweegt per klachtonderdeel als volgt.

Klachtonderdeel I betreft het verwijt “slechte communicatie/niet aan beloftes houden”. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie valt echter te concluderen dat beklaagde initiatief heeft genomen om het gesprek met klager aan te gaan. Bovendien blijkt niet dat sprake is van slechte communicatie of van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

In klachtonderdeel II wordt beklaagde verweten dat zij weigert haar registratienummer te verstrekken. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat beklaagde naar aanleiding van het hiertoe verstrekkende verzoek aan klager de gebruikelijke procedure toelicht en een aanbod doet tot telefonisch contact met een collega. Hoewel het niet verstrekken van het registratienummer als tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht (beslissingen College van Toezicht d.d. 11 oktober 2018, zaaknummer 18.033T, en d.d. 12 november 2018, zaaknummer 18.044T), kan daar onder omstandigheden ook anders over worden geoordeeld (beslissing College van Toezicht d.d. 5 november 2018, zaaknummer 18.073T). Het had transparanter en zorgvuldiger geweest wanneer beklaagde direct haar registratienummer had verstrekt. Omdat het bij een tuchtrechtelijke toetsing er echter niet om gaat of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund, is de conclusie dat hier niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.  

Tot slot is klachtonderdeel III dat het “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” niet voldoet aan de kwaliteitseisen. De voorzitter overweegt dat aan een zogenoemd “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel”, gericht aan de Beschermingstafel, geen juridische vormvoorschriften zijn verbonden. Het is gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van de verzoekende hulpverlener als grondslag voor een onderzoek gebruikt wordt. Uit het overgelegde “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” maakt de voorzitter niet op dat beklaagde met de inhoud of het opstellen daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De door klager overgelegde onderbouwing van dit klachtonderdeel, een beoordeling van dit verzoek door een derde, doet hier niet aan af.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet verstrekken van het SKJ registratienummer, misbruik van macht, schending van de privacy en discriminatie. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.125T
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde dat hij heeft geweigerd zijn SKJ registratienummer aan klager door te geven. Het College overweegt dat beklaagde heeft toegelicht dat hij het aan klager heeft willen geven, dat hij het niet bij de hand had en dat hij het op een later moment zou verstrekken.

Klager verwijt beklaagde dat hij zijn macht heeft misbruikt nu hij beslissingen heeft genomen zonder als jeugdbeschermer te zijn aangewezen. Het College oordeelt dat beklaagde namens de GI beslissingen heeft mogen nemen die betrekking hebben op de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Ten aanzien van de schending van de privacy overweegt het College dat beklaagde terecht een beroep heeft gedaan op artikel 15 van het privacyreglement van Jeugdzorg Nederland zodat, gelet op de leeftijd van de zoon (twaalf jaar), geen toestemming van klager nodig is om informatie over de zoon te delen.

Klager is van mening dat hij niet gelijk aan moeder is behandeld. Het College oordeelt dat beklaagde een bewuste afweging heeft gemaakt om in het belang van de veiligheid van de zoon, het netwerkberaad zonder klager door te laten gaan. De uitwerking hiervan is niet goed gegaan. Hoewel het beter was geweest als beklaagde andere mogelijkheden had overwogen, heeft hij gehandeld in het belang van de zoon. Daarnaast heeft hij een gesprek gevoerd met klager. Hierdoor is hij met zijn handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Jeugdbeschermer heeft zich over klaagster onrespectvol uitgelaten en heeft zaken zwaarder aangezet. Ook heeft hij zich onvoldoende geïnformeerd over de zoon die op jonge leeftijd gesloten is geplaatst. Hij heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd. Het College verklaart vier klachtonderdelen gegrond en legt een maatregel van berisping op.

Zaaknummer: 18.127T
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II, V en VII zijn gegrond; de overige klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat beklaagde met zijn woordkeuze op een onrespectvolle wijze een beschrijving van klaagster gegeven. Ook heeft beklaagde de van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid aangevoerd. Voorts is beklaagde verantwoordelijk voor het welzijn van de zoon die op jonge leeftijd gesloten is geplaatst. Hij heeft mogen afgaan op de informatie van de medewerkers van de gesloten accommodatie maar heeft ook zelf met de zoon moeten praten en controleren of hij veilig was. Beklaagde is niet één keer bij de zoon op bezoek geweest tijdens de gesloten plaatsing en heeft niet met hem gecommuniceerd. Hij heeft evenmin met klaagster gecommuniceerd terwijl hij als regievoerder in deze zaak de spin in het web is. Door zijn handelen is beklaagde verwijtbaar tekort geschoten.

Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel D (vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp-en dienstverlening) en artikel N (samenwerking in de hulp-en dienstverlening) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Alhoewel beklaagde heft gereflecteerd op zijn handelen en excuses heeft aangeboden, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Klacht tegen een raadsonderzoeker die betrokken is geweest bij het onderzoek naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling. Hoewel het handelen van beklaagde beter had gekund, is zij gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Beklaagde heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Zaaknummer: 18.086T
Datum beslissing: 20 februari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen een raadsonderzoeker, die belast is geweest met het raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling, drie klachtonderdelen ingediend. De klacht heeft, kort samengevat, betrekking op de wijze waarop het raadsonderzoek is uitgevoerd. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het College is van oordeel dat het handelen van beklaagde in een aantal gevallen beter had gekund, maar dat zij is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Een tuchtrechtelijk verwijt valt haar echter niet te maken. . Beklaagde had zorgvuldiger kunnen handelen bij het opvragen van informatie bij informanten, maar niet is gebleken dat zij niet over de benodigde informatie beschikte tijdens haar onderzoek. Ook was het transparanter geweest als in het raadsrapport bij de relevante factoren de benaderde informanten vollediger waren beschreven. Tot slot had het begeleidend schrijven aan klaagster bij het definitieve raadsrapport zorgvuldiger en volledig gekund. Hierin had kunnen worden opgenomen dat de aanvulling van vader naar aanleiding van het concept raadsrapport niet van invloed is geweest op het gegeven advies in het definitieve raadsrapport.

lees verder

Het College van Beroep trekt de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing in nu het beroep van de gezinsvoogd deels slaagt en zij daarnaast gereflecteerd heeft op haar handelen en inzicht heeft gegeven in haar afwegingen.

Zaaknummer: 18.006Bb (17.049Tb)
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing ingetrokken

Download de volledige beslissing in pdf

De vader heeft bij het College van Toezicht acht klachtonderdelen ingediend over het handelen van een gezinsvoogd die in het kader van een uitgesproken ondertoezichtstelling bij de ouders en de kinderen, twee minderjarige dochters, betrokken is geweest. Vier van de acht klachtonderdelen zijn deels gegrond en vier klachtonderdelen ongegrond verklaard door het College van Toezicht. Aan de gezinsvoogd is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In beroep falen alle grieven die de vader tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Van de gezinsvoogd slagen twee grieven. Een grief die slaagt is gelijk aan de grief zoals opgenomen in de samenvatting van de beslissing in zaaknummer 18.006Ba. Daarnaast slaagt een grief die ziet op het verstrekken van een afschrift van het dossier aan de vader. De vader heeft op 10 januari 2017 gevraagd om een afschrift van het dossier. De gezinsvoogd is op 1 februari 2017 bij de GI uit dienst getreden. Op dat moment was de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11 lid van het Privacyreglement gecertificeerde instelling nog niet verstreken. Het was van de gezinsvoogd zorgvuldig geweest om indien reeds te voorzien was dat deze termijn niet gehaald zou worden, de vader hierover te informeren, maar het College van Beroep is van oordeel dat het hier handelen betreft dat (mogelijk) beter had gekund maar dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Er kan immers ook niet vastgesteld worden dat de gezinsvoogd reeds op het moment van haar uitdiensttreding kon voorzien dat de termijn niet gehaald zou worden. Na haar uitdiensttreding hadden haar collega’s nog zorg kunnen dragen voor een tijdige afgifte van het dossier of de vader tijdig kunnen informeren dat dit niet mogelijk was. Het College van Beroep is van oordeel dat als een werknemer uit dienst gaat deze erop mag vertrouwen, zeker als er zoals in deze casus nauw wordt samengewerkt met een andere collega, dat dit verzoek verder adequaat wordt behandeld.

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat er, ondanks dat er ten aanzien van twee klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, aanleiding bestaat om de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken. Het College van Beroep heeft daarbij oog voor de complexe casus met tegenstrijdige belangen waarin de gezinsvoogd heeft moeten handelen. De gezinsvoogd heeft gereflecteerd op haar handelen en erkend dat haar handelen ten aanzien van enkele klachtonderdelen mogelijk beter had gekund. Zij heeft het College van Beroep, zoals van een geregistreerde jeugdprofessional mag worden verwacht, tijdens de mondelinge behandeling van het beroep inzicht gegeven in de door haar gemaakte afwegingen. Dit alles in overweging nemende ziet het College van Beroep aanleiding de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.

lees verder

Klacht tegen de gezinsvoogd over onder andere het niet opstellen van een Plan van Aanpak en dat de zoon zonder toestemming van klaagster of via vervangende toestemming van de rechtbank op een zorgboerderij is geplaatst. Het College verklaart klaagster in twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk en verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.115T
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond; klaagster niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen II en VII
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon. Zij heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag. De zoon is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft zeven klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I, II en VII.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat er na de uitspraak van de rechtbank over de verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds geen nieuw Plan van Aanpak ligt. Beklaagde heeft volgens het College onweersproken gesteld dat het bestaande Gezinsplan tussentijds steeds is geactualiseerd en dat alle geactualiseerde versies aan klaagster zijn toegestuurd. Hoewel een Gezinsplan samen met de ouder wordt opgesteld, heeft beklaagde verklaard dat het niet eenvoudig was om met klaagster in gesprek te gaan. Gelet op de taak die op beklaagde rust en in het belang van de zoon, heeft zij er daarom voor gekozen om het Gezinsplan zonder klaagster te actualiseren. Het College kan de handelswijze van beklaagde hierin goed volgen.
In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij herhaaldelijk buiten spel wordt gezet. Zo heeft beklaagde de zoon zonder toestemming van klaagster, dan wel via vervangende toestemming van de rechtbank op de zorgboerderij geplaatst. Het College overweegt dat nu er een machtiging uithuisplaatsing ligt beklaagde, namens de GI als de uitvoerder van deze kinderbeschermingsmaatregel, mocht bepalen dat de zoon geplaatst wordt op de zorgboerderij. Hiervoor is de toestemming van klaagster niet noodzakelijk ook al is zij een ouder met gezag. Wel moet een ouder met gezag geïnformeerd worden. Beklaagde heeft klaagster per e-mailbericht medegedeeld dat er een goede plek voor de zoon is gevonden en daarmee heeft zij aan haar informatieplicht voldaan.

In klachtonderdeel II richt klaagster zich tot de GI en niet tot beklaagde. In klachtonderdeel VII klaagt klaagster over collega’s van beklaagde. Het College is alleen bevoegd het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional/beklaagde aan de algemene tuchtnorm te toetsen. Het College is niet bevoegd om klachten te toetsen die zich richten tegen een instelling. Ook is het College in deze procedure niet bevoegd om klachten te toetsen die gaan over het handelen en nalaten van andere personen. Het College verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk in deze klachtonderdelen.

lees verder

Klachtonderdelen tegen de jeugdbeschermer over meerdere aspecten rondom de ondertoezichtstelling gegrond. De maatregel van voorwaardelijke schorsing wordt opgelegd. Het College neemt naast het verwijtbare handelen het gebrek aan reflectie en de geruime ervaring binnen de jeugdhulpverlening in overweging.

Zaaknummer: 18.123T
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel I deels gegrond; klachtonderdelen II t/m VII gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster dient zeven klachtonderdelen in tegen de jeugdbeschermer die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klachtonderdelen gaan samengevat over het volgende: het ontbreken van zowel een kennismakingsgesprek als gesprekken met de ouders, het niet innemen van een regulerende rol, het onterecht afgeven van een schriftelijke aanwijzing en het contact dat na het beëindigen van de ondertoezichtstelling met de ex-partner van klaagster is geweest.

Het College oordeelt dat beklaagde met betrekking tot alle klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde heeft nagelaten de ouders te stimuleren tot het voeren van een gezamenlijk (kennismakings)gesprek (klachtonderdeel I). Gelet echter op het advies uit het NIFP rapport lag het op de weg van beklaagde om zich hiervoor in te spannen. Voorts heeft beklaagde onvoldoende een regulerende rol ingenomen in de e-mailcorrespondentie, waarin essentiële onderwerpen naar voren kwamen (klachtonderdelen II, V en VI). Aan klaagster is een schriftelijke aanwijzing afgegeven, terwijl onder de gegeven omstandigheden op de weg van beklaagde had gelegen om aan de kinderrechter te verzoeken om de vastgestelde (opbouw in de) zorgregeling te wijzigen (klachtonderdeel III). Tot slot is in bepaalde e-mailberichten de schijn van partijdigheid gewekt (klachtonderdeel IV) en heeft beklaagde, nadat haar formele betrokkenheid was geëindigd, meermaals met de vader per e-mail gecommuniceerd waarin zij zich positief uitliet over de opvoedsituatie bij de vader en zich (indirect) negatief uitliet over die bij klaagster (klachtonderdeel VII). Meerdere artikelen uit de Beroepscode zijn volgens het College geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van een van de uitgangspunten van de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’.

Het College legt aan beklaagde de maatregel van voorwaardelijke schorsing op en overweegt daartoe als volgt. Waarde wordt gehecht aan de wijze waarop een beklaagde reflecteert op haar handelen. Zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde onvoldoende blijk gegeven in te zien dat zij met haar handelen in deze casus op meerdere punten ernstig tekortgeschoten is. Voorts neemt het College in overweging dat beklaagde geruime ervaring heeft binnen de jeugdhulpverlening, hetgeen maakt dat het verwijtbaar handelen haar zwaarder wordt aangerekend. Onder deze omstandigheden en gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen acht het College het passend en geboden dat beklaagde een supervisietraject volgt. Het College acht het aangewezen dat beklaagde middels gerichte sturing en intensieve begeleiding kan werken aan de bewustwording en het toepassen van haar beroepsnormen die behulpzaam worden geacht in de verdere uitoefening van haar werkzaamheden. Het College acht de volgende onderwerpen van belang voor het supervisietraject: ‘positie en positioneren als jeugdprofessional in het gedwongen kader’, ‘samenwerking met en tussen cliënten bestendigen’ en ‘meerzijdige partijdigheid’.

lees verder

Klaagster is door het College van Toezicht vanwege grievend gedrag niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Anders dan het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht en verwijst de zaak terug naar het College van Toezicht voor een inhoudelijke behandeling van de klacht.

Zaaknummer: 18.008B (17.121T)
Datum beslissing: 23 januari 2019
Oordeel: beroep gegrond
Maatregel: niet van toepassing

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht heeft appellante, klaagster in eerste aanleg, wegens grievend gedrag niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Appellante heeft tegen deze beslissing beroep ingediend. Aan het College van Beroep ligt de vraag voor of appellante ontvankelijk is in haar klacht.

Appellante stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat een handelswijze van een klager nooit mag leiden tot het ondermijnen van een tuchtrechtelijke plicht van een bij SKJ geregistreerde professional om zich voor zijn professioneel handelen te verantwoorden. Verweerder doet in zijn verweer een beroep op een beslissing van het College van Beroep waarin is overwogen dat de tuchtcolleges van SKJ uit het oogpunt van eenheid in rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de overheidsrechtspraak, bijvoorbeeld de civiele rechtspraak over bewijsregels. Verweerder stelt dat er sprake is van rechtsverwerking; appellante heeft zich op dusdanige wijze gedragen dat dit gedrag in alle redelijkheid niet verenigbaar is met het beoogde recht wat zij wenst te behalen. Het College van Beroep stelt vast dat het tuchtrecht een zelfstandig rechtsgebied is. In voorkomende gevallen kan er aansluiting worden gezocht bij het civiele recht. De hier geldende rechtsopvattingen zijn echter niet zonder meer van toepassing in het tuchtrecht. In deze specifieke casus ziet het College van Beroep geen aanleiding om rechtsverwerking toe te passen. Een klager niet-ontvankelijk verklaren in de klacht kan in beginsel niet bijdragen aan het doel van het tuchtrecht en dient daarom zoveel mogelijk te worden vermeden. Het niet-ontvankelijk verklaren, al dan niet wegens grievend gedrag, kan enkel indien het tuchtreglement daar een formele mogelijkheid voor biedt en dit overeenkomstig het doel van het tuchtrecht zou zijn. Het College van Beroep ziet geen juridische gronden om tot niet-ontvankelijkheid te kunnen concluderen.

Het College van Beroep merkt wel nog op dat het geenszins begrip kan opbrengen voor de uitlatingen van appellante en vindt deze onacceptabel. Het College van Beroep heeft daarnaast oog voor de impact die dergelijke gedragingen hebben op de jeugdprofessional en het (mogelijke) onbegrip om zich in een dergelijk geval tuchtrechtelijk te moeten verantwoorden, maar komt in deze casus toch tot een terug verwijzing naar het College van Toezicht om alsnog deze zaak inhoudelijk te behandelen.

lees verder

Moeder voelt zich onvoldoende serieus genomen door een medewerker van Veilig Thuis en trekt diens vakbekwaamheid in twijfel. Het College van Beroep verklaart het beroep in alle onderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.015B (17.117T)
Datum beslissing: 21 januari 2019
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder heeft bij het College van Toezicht vier klachtonderdelen ingediend over het handelen van een medewerker van Veilig Thuis, hierna te noemen: verweerster, die in het kader van het onderzoek betrokken is geweest. Er heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Veilig Thuis en vader waarbij de moeder, om redenen waarover de visies van partijen verschillen, niet aanwezig is geweest. De moeder stelt in de klachtonderdelen onder meer dat verweerster informatie over de vader heeft genegeerd en onterechte conclusies over haar psychische gesteldheid heeft getrokken. De moeder twijfelt daarnaast aan de deskundigheid van de verweerster om een goed onderzoek te kunnen uitvoeren. Drie van de vier klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard en een klachtonderdeel is deels gegrond verklaard door het College van Toezicht.

In beroep falen alle grieven die de moeder tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Het College van Beroep stelt vast dat ten aanzien van het tweede klachtonderdeel, dat er op ziet dat verweerster appellante niet serieus heeft genomen en geen interesse toonde in haar mening over de vader, de moeder de klacht in beroep heeft proberen uit te breiden. Het College van Beroep verklaart de moeder ten aanzien hiervan deels niet-ontvankelijk in de grief en verwerpt voor het overige de grief.

Een ander klachtonderdeel van de moeder, klachtonderdeel IV, richt zich erop dat de moeder vindt dat medewerker van Veilig thuis zich onvoldoende deskundig heeft getoond op het gebied van narcisme. Het College van Beroep heeft vastgesteld dat verweerster is geregistreerd bij SKJ. Gelet op het feit dat de registratieaanvraag van verweerster is goedgekeurd, maakt dat zij heeft aangetoond aan een bepaalde mate van vakbekwaamheid te voldoen en in beginsel beschikt over kennis en vaardigheden om in complexe situaties passende hulp te bieden. Nu nagenoeg alle klachten van de moeder ongegrond zijn verklaard, is daaruit niet gebleken dat verweerster onvoldoende deskundig is om haar werkzaamheden bij Veilig Thuis uit te voeren. Het College van Beroep overweegt daarnaast dat van een jeugdprofessional mag worden dat deze op grond van artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker de grenzen van de eigen expertise kent. Het College van Beroep is van oordeel dat verweerster, door de deskundigheid van de GZ-psycholoog in te schakelen, in overeenstemming heeft gehandeld met artikel O van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Het College van Beroep verklaart de moeder deels niet-ontvankelijk in de grief gericht tegen klachtonderdeel II en handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht, hetzij onder aanvulling van de motivering.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over onder andere het niet bespreken van het ongenoegen van beklaagde met klager, het verstrekken van misleidende informatie en het aantasten van de eer en goede naam van klager. Twee klachtonderdelen blijven buiten behandeling. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.095Tb
Datum beslissing: 15 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I en IV, II en III, V, VI en VII ongegrond; klachtonderdelen VIII en IX zijn buiten behandeling gelaten.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft samen met haar collega, tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, tijdens een gesprek met klager geprobeerd zijn houding te benoemen door hem te wijzen op het onprettige verloop van het gesprek en hem aan te spreken op zijn gedrag. Bij de Raad voor de Kinderbescherming is het doorgaans gebruikelijk om in het geval een gesprek onprettig verloopt, via de afdeling PCMO (Prettig Contact met de Overheid) een bemiddelingsgesprek aan te gaan. Beklaagde heeft een bemiddelaar van PCMO ingeschakeld die telefonisch contact met klager heeft opgenomen met het aanbod om tot een gesprek te komen dat door klager is afgewezen. Dat beklaagde vervolgens niet is ingegaan op het voorstel van klager om met hem in gesprek te gaan en haar leidinggevende dit aan klager heeft gecommuniceerd, is begrijpelijk.

Beklaagde heeft gemotiveerd dat de beschrijving over klager heeft aangesloten bij haar beleving. Zij heeft niet de bedoeling gehad om een negatief beeld van klager neer te zetten, maar heeft uitsluitend willen weergeven dat door de interventies van klager het gesprek met vader is belemmerd.

Het College volgt beklaagde in het verweer dat voor een aantasting van de eer en goede naam van klager nodig is dat het raadsrapport is verspreid. Dat is in deze casus niet aangetoond.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over onder andere het niet bespreken van het ongenoegen van beklaagde met klager, het verstrekken van misleidende informatie en het aantasten van de eer en goede naam van klager. Het College neemt twee klachtonderdelen niet in behandeling. Twee klachtonderdelen blijven buiten behandeling.

Zaaknummer: 18.095Ta
Datum beslissing: 15 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I en IV, II en III, V, VI en VII ongegrond; klachtonderdelen VIII en IX zijn buiten behandeling gelaten.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De collega van beklaagde, tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, heeft tijdens een gesprek met klager geprobeerd zijn houding te benoemen door hem te wijzen op het onprettige verloop van het gesprek en hem aan te spreken op zijn gedrag. Bij de Raad voor de Kinderbescherming is het doorgaans gebruikelijk om in het geval een gesprek onprettig verloopt, via de afdeling PCMO (Prettig Contact met de Overheid) een bemiddelingsgesprek aan te gaan. Beklaagde heeft een bemiddelaar van PCMO ingeschakeld die telefonisch contact met klager heeft opgenomen met het aanbod om tot een gesprek te komen dat door klager is afgewezen. Dat beklaagde vervolgens niet is ingegaan op het voorstel van klager om met hem in gesprek te gaan en haar leidinggevende dit aan klager heeft gecommuniceerd, is begrijpelijk.

Beklaagde heeft gemotiveerd dat de beschrijving over klager in het raadsrapport heeft aangesloten bij haar beleving. Zij heeft niet de bedoeling gehad om een negatief beeld van klager neer te zetten, maar heeft uitsluitend willen weergeven dat door de interventies van klager het gesprek met vader is belemmerd.

Het College volgt beklaagde in het verweer dat voor een aantasting van de eer en goede naam van klager nodig is dat het raadsrapport is verspreid. Dat is in deze casus niet aangetoond.

lees verder

Gegronde klacht tegen een zorgboerin over onder meer dat zij met klaagster, als ouder met eenhoofdig gezag, niet heeft afgestemd over de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij. Een berisping wordt opgelegd, meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.110T
Datum beslissing: 14 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel VI in overleg niet verder behandeld; klachtonderdelen I, II, IV en IX ongegrond; klachtonderdeel VII deels gegrond; klachtonderdelen III, V en VIII gegrond.
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een minderjarige zoon. De zoon is voor dagbesteding op de zorgboerderij van beklaagde geplaatst. Tegen de zorgboerin zijn negen klachtonderdelen ingediend. De verwijten in klachtonderdelen I, II, IV en IX hebben betrekking op het moment van de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij. Klachtonderdeel III betreft het verwijt dat klaagster niet is geïnformeerd over of uitgenodigd voor een overleg over de zorgbehoeften van de zoon. In klachtonderdeel V wordt beklaagde verweten dat zij het dossier niet aan klaagster verstrekt heeft. Klachtonderdeel VI gaat over het onjuist vermelden van de SKJ-registratie op de website. Het verwijt in klachtonderdeel VII is dat informatie met derden is gedeeld zonder de toestemming van klaagster. Tot slot wordt beklaagde in klachtonderdeel VIII verweten dat het vertrouwen in de zorg en een goede samenwerking is geschaad.

In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdelen III en VIII. In klachtonderdeel III wordt beklaagde verweten dat zij sinds de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij klaagster niet heeft geïnformeerd en haar evenmin heeft uitgenodigd voor overleg. Het College overweegt dat alhoewel er in het begin sprake was van een “geheime plaatsing”, klaagster in mei 2018 in kennis is gesteld van de plaatsing van de zoon bij de zorgboerderij. Daarnaast is beklaagde op enig moment bekend geworden met het gegeven dat klaagster het eenhoofdig gezag uitoefent over de zoon. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij desondanks geen contact met klaagster heeft opgenomen, ook niet na de verzoeken van klaagster hiertoe. Een jeugdprofessional heeft immers de plicht om te overleggen over de hulpverlening met de jeugdige cliënt en/of diens ouder(s).

In klachtonderdeel VIII wordt beklaagde verweten met haar handelen het vertrouwen van klaagster in de zorg ernstig heeft geschaad. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat zij, na mondelinge afstemming met de jeugdbeschermer van de GI, akkoord is gegaan met de plaatsing. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij gestart is met het bieden van jeugdhulp aan de zoon op basis van een te beperkte overdracht van de GI. Het College verwacht van een jeugdprofessional dat hij voorafgaand aan een plaatsing, al dan niet een geheime, een en ander schriftelijk verifieert bij de aanmeldende persoon of instelling. Ook acht het College het handelen van beklaagde gedurende het hele traject onvoldoende, in die zin dat zij een passieve houding heeft aangenomen en onvoldoende initiatief genomen heeft.

Het College neemt het beklaagde ernstig kwalijk dat zij op geen enkele wijze met klaagster, als zijnde gezaghebbende ouder van de zoon, heeft afgestemd en acht meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden. Voor de op te leggen maatregel houdt het College rekening met het gegeven dat beklaagde haar verantwoordelijkheid heeft willen nemen en dat zij haar excuses aangeboden heeft. Ook is beklaagde ten tijde van haar handelen pas een korte tijd geregistreerd. Beklaagde heeft tot slot tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gereflecteerd op haar handelen. Alles in overweging nemende acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Klacht tegen jeugdhulpverlener van een wijkteam over het onvoldoende waarborgen van de privacy is deels gegrond. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.008T
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel II deels gegrond en deels ongegrond; klachtonderdelen I, III en IV ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft toestemming gegeven aan beklaagde om contact op te nemen met school en een instelling over de ontwikkeling van de zoon. Ter voorbereiding op een schakeloverleg (een adviesorgaan dat wordt ingeschakeld door de gemeente om de veiligheid en zorgen over de ontwikkeling en opvoeding te bespreken) heeft beklaagde hen met het oog op dat overleg om informatie gevraagd. Het College acht de informatie-uitwisseling in het kader van het schakeloverleg wezenlijk anders dan het inwinnen en uitwisselen van informatie over de ontwikkeling van de zoon. Het schakeloverleg is er immers op gericht om te beoordelen of de ontstane zorgen zo groot zijn dat een raadsonderzoek nodig is. Het contact met de school en de instelling had op dat moment een ander doel dan het doel waarvoor klaagster haar toestemming heeft gegeven. Beklaagde had klaagster opnieuw toestemming moeten vragen. Door dit na te laten heeft beklaagde artikel J (vertrouwelijkheid) van de beroepscode voor de jeugdzorgwerker geschonden. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

Beklaagde heeft het belang van de zoon in deze zaak voorop gesteld. Zij heeft zijn ontwikkeling laten prevaleren boven de randvoorwaarden van de hulpverlening. Hierdoor heeft zij in een spagaat gezeten maar zij heeft onder moeilijke omstandigheden de ontwikkeling van de zoon leidraad laten zijn voor haar handelen. Ook heeft zij over deze zaak meerdere malen met collega’s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen jeugd-en gezinscoach van een Centrum Jeugd en Gezin (CJG) over het niet naleven van de meldcode, schending van de privacy en valsheid in geschrifte. De klachtonderdelen zijn ongegrond. Het College verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek de CJG te gelasten de zorgmelding in te trekken.

Zaaknummer: 18.058Ta
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond, verzoek klaagster is niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College overweegt dat gelet op een verslag van een huisbezoek van de wijkagent aan klaagster, de zorgen die beklaagde al had over de situatie die zij heeft beschreven in een conceptgezinsplan en die waren besproken met klaagster en de noodkreten die klaagster zelf in e-mails heeft geuit, het begrijpelijk is dat werd besloten om een melding te doen bij Veilig Thuis. Het is eveneens begrijpelijk dat werd gevreesd voor de veiligheid van met name de zoon indien het voornemen een melding te doen, zou worden besproken met klaagster. De beslissing om op dit punt af te wijken van de meldcode is na afstemming met de gedragswetenschapper genomen. Beklaagde is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld door persoonlijke informatie over klaagster met Veilig Thuis te delen.

Klaagster is door beklaagde in de gelegenheid gesteld om wijzigingen op het conceptverslag door te geven. Klaagster is hier niet op ingegaan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat beklaagde bewust onjuistheden in het conceptplan heeft opgenomen.

Op basis van de overgelegde stukken kan het College niet vaststellen dat het toestemmingsformulier achteraf door beklaagde is gewijzigd of dat beklaagde afspraken heeft verzonnen. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klaagster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgmelding in te trekken. Een klacht kan ingevolge artikel 3.2. van het Tuchtreglement slechts betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en niet op de vraag of een zorgmelding al dan niet terecht is gedaan. Als een klacht gegrond is, kan het College alleen de tuchtmaatregelen opleggen die staan vermeld in artikel 5.1 van het Tuchtreglement.

lees verder

Klacht tegen jeugd-en gezinscoach van een Centrum Jeugd en Gezin (CJG) over het niet naleven van de meldcode, schending van de privacy en valsheid in geschrifte. De klachtonderdelen zijn ongegrond. Het College verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek de CJG te gelasten de zorgmelding in te trekken.

Zaaknummer: 18.058Tb
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond, verzoek klaagster is niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat beklaagde en beklaagde in zaaknummer 18.058Tc hebben mogen vertrouwen op de juistheid van het verslag van de wijkagent, zijnde een ambtenaar in functie. Hij is bij klaagster op huisbezoek geweest. Gelet op dit verslag en gelet op de zorgen die beklaagde in zaaknummer 18.058Ta al had over de situatie die stonden beschreven in een conceptgezinsplan en die waren besproken met klaagster en de noodkreten die klaagster zelf in e-mails heeft geuit, is het begrijpelijk dat werd besloten om een melding te doen bij Veilig Thuis. Het College acht het gelet op deze omstandigheden eveneens begrijpelijk dat er gevreesd werd voor de veiligheid van met name de zoon indien het voornemen een melding te doen, zou worden besproken met klaagster. De beslissing om op dit punt af te wijken van de meldcode is na afstemming met de gedragswetenschapper genomen. Beklaagde is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Klaagster is door beklaagde in zaaknummer 18.058Ta in de gelegenheid gesteld om wijzigingen op het conceptverslag door te geven. Klaagster is hier niet op ingegaan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat beklaagde bewust onjuistheden in het conceptplan heeft opgenomen.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klaagster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgmelding in te trekken. Een klacht kan ingevolge artikel 3.2. van het Tuchtreglement slechts betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en niet op de vraag of een zorgmelding al dan niet terecht is gedaan. Als een klacht gegrond is, kan het College alleen de tuchtmaatregelen opleggen die staan vermeld in artikel 5.1 van het Tuchtreglement.

lees verder

Klacht tegen jeugd-en gezinscoach van een Centrum Jeugd en Gezin (CJG) over het niet naleven van de meldcode, schending van de privacy en valsheid in geschrifte. De klachtonderdelen zijn ongegrond. Het College verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek de CJG te gelasten de zorgmelding in te trekken.

Zaaknummer: 18.058Tc
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond, verzoek klaagster is niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat beklaagde en beklaagde in zaaknummer 18.058Tb hebben mogen vertrouwen op de juistheid van het verslag van de wijkagent, zijnde een ambtenaar in functie. Hij is bij klaagster op huisbezoek geweest. Gelet op dit verslag en gelet op de zorgen die beklaagde in zaaknummer 18.058Ta al had over de situatie die stonden beschreven in een conceptgezinsplan en die waren besproken met klaagster en de noodkreten die klaagster zelf in e-mails heeft geuit, is het begrijpelijk dat werd besloten om een melding te doen bij Veilig Thuis. Het College acht het gelet op deze omstandigheden eveneens begrijpelijk dat er gevreesd werd voor de veiligheid van met name de zoon indien het voornemen een melding te doen, zou worden besproken met klaagster. De beslissing om op dit punt af te wijken van de meldcode is na afstemming met de gedragswetenschapper genomen. Beklaagde is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Klaagster is door beklaagde in zaaknummer 18.058Ta in de gelegenheid gesteld om wijzigingen op het conceptverslag door te geven. Klaagster is hier niet op ingegaan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat beklaagde bewust onjuistheden in het conceptplan heeft opgenomen.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klaagster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgmelding in te trekken. Een klacht kan ingevolge artikel 3.2. van het Tuchtreglement slechts betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en niet op de vraag of een zorgmelding al dan niet terecht is gedaan. Als een klacht gegrond is, kan het College alleen de tuchtmaatregelen opleggen die staan vermeld in artikel 5.1 van het Tuchtreglement.

lees verder

Beklaagde is in vrijwillig kader betrokken in een hulpverleningstraject dat is gestart na aanmelding bij de instelling door de moeder van de kinderen. Klager is daar niet bij betrokken. Ook heeft beklaagde nagelaten om op een neutrale en objectieve wijze derden te informeren over klager en heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. De klacht is eerder behandeld door de klachtencommissie van de instelling. Klager vraagt een oordeel van het College van Toezicht.

Zaaknummer: 18.104T
Datum beslissing: 10 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen IV(deels), VI en VII ongegrond; klachtonderdelen I, II, III, IV (deels) en V gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een Jeugd- en Gezinswerker die betrokken is in het vrijwillig kader zeven klachtonderdelen ingediend. Ingegaan wordt op klachtonderdeel I, II, III, IV(deels) en V, de klachtonderdelen die het College gegrond heeft verklaard. Beklaagde is betrokken geraakt nadat moeder de kinderen heeft aangemeld bij de instelling. Bij de start van de hulpverlening heeft beklaagde alleen met moeder en niet met klager een intakegesprek gehad. Hierdoor heeft zij geen volledig beeld van de situatie kunnen krijgen. Het College oordeelt dat dit handelen geen recht doet aan de positie van vader die op dat moment ouder met gezag was. Zij had klager moeten betrekken bij de start van de hulpverlening. Door het presenteren van vermoedens als feiten in een door beklaagde voor de RvdK geschreven advies geeft beklaagde blijk van een tunnelvisie. Beklaagde heeft de beschuldigingen richting klager niet geverifieerd of onderzocht. Het advies van beklaagde had volgens het College op een neutrale en objectieve wijze geschreven moeten worden. Een volgend klachtonderdeel ziet op een overleg dat beklaagde buiten klager om heeft georganiseerd. Klager en moeder hadden op dat moment nog gezamenlijk gezag. Beklaagde lijkt het overleg te hebben  georganiseerd ter bevestiging van haar visie over klager. Dit acht het College ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gegrond acht het College ook de klacht die ziet op het aanpassen van een tekst van een andere instelling en het doorsturen daarvan naar de RvdK. Deze zin had niet weggelaten mogen worden. Mogelijk ook had deze in positieve zin kunnen bijdragen aan het beeld op dat moment over klager. Ten aanzien van het niet informeren van klager over tegen hem bestaande vermoedens van seksueel misbruik concludeert het College dat zonder nader onderzoek een vermoeden als feit is gepresenteerd. Klager is hier eerst via de raadsonderzoeker mee geconfronteerd. Het College concludeert dat te weinig alternatieven zijn overwogen om klager hierover te horen, als gevolg waarvan er geen hoor en wederhoor is geweest.

Beklaagde heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de professionele standaard en hiermee artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), artikel K (vermoeden kindermishandeling) en artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Het College heeft geen beeld van na de uitspraak van de klachtencommissie mogelijk ondernomen acties ter verbetering van het beroepsmatig en vakinhoudelijk handelen, in de zin van zin supervisie of scholing. Hoewel beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen zag het College een jeugdprofessional die onmachtig was om haar reflectie te vertalen naar haar houding en handelen. Hierbij neemt het College in overweging dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de impact en de gevolgen van haar handelen voor klager. Het College heeft beklaagde dan ook de maatregel van een voorwaardelijke schorsing opgelegd.

lees verder

Klager verwijt de gezinsvoogd in haar casus niet de juiste professional te zijn omdat zij voormalig collega’s zijn. Ook klaagt zij over de wijze waarop zij hulp verleende in het kader van de ondertoezichtstelling. Artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en de richtlijnen ‘Samen beslissen over passende hulp’ en ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’ zijn geschonden. Het College heeft daarom een waarschuwing opgelegd.

Zaaknummer: 18.100T
Datum beslissing: 10 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I (deels) en VI gegrond; klachtonderdelen II, III, IV, V, VII en VIII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van twee zonen. Klaagster en de vader van de kinderen zijn uit elkaar en hebben gezamenlijk het gezag. De kinderen zijn onder toezicht gesteld. Klaagster heeft acht klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen I en VI.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij had moeten inzien dat zij niet de juiste professional was in deze ondertoezichtstelling, omdat zij en beklaagde collega’s zijn geweest. Beklaagde stelt in haar verweer aan het begin van het traject met haar collega’s te hebben afgesproken te melden als zij zich door deze eerdere collegiale relatie in haar werkzaamheden belemmerd zou gaan voelen. Het College kan daarom niet volgen dat beklaagde dit heeft nagelaten toen zich dit voordeed (“Ik heb op mijn tenen gelopen/op eieren gelopen”). Op beklaagde rust een professionele verantwoordelijkheid om hierop alert te zijn. Het College vindt dat beklaagde door de samenwerking met klaagster toch voort te laten duren niet professioneel heeft gehandeld en kan zich niet voorstellen dat beklaagde zich naar klaagster neutraal en onafhankelijk kon opstellen. Daarmee heeft zij artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode geschonden.

In klachtonderdeel VI verwijt klaagster beklaagde dat zij niet transparant is geweest over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de jongste zoon. Het College stelt vast dat klaagster tijdens een gesprek met beklaagde heeft aangegeven het niet eens te zijn met het aldaar geuite voornemen de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Twee weken later heeft beklaagde klaagster gemaild dat, gezien de gewijzigde omstandigheden, de GI alsnog een verzoek indient ter verlenging van de ondertoezichtstelling en tevens een machtiging uithuisplaatsing zal vragen. Het College kan niet volgen waarom beklaagde klaagster hierover in het ongewisse heeft gelaten. Het verweer van beklaagde dat de periode hectisch was, doet niet aan af aan de plicht van beklaagde klaagster mee te nemen in een dergelijke beslissing. Het College oordeelt dat beklaagde onvoldoende overeenstemming dan wel instemming heeft gezocht met klaagster. Daarmee heeft zij artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

Nu klachtonderdelen I (deels) en VI gegrond zijn verklaard, beklaagde op meerdere punten verwijtbaar is tekortgeschoten en zich weinig reflectief heeft getoond, maar het handelen van beklaagde aan de andere kant beperkte gevolgen heeft, legt het College de maatregel van waarschuwing op.

lees verder