Klaagster verwijt de jeugdprofessional, werkzaam bij het buurtteam, dat zij in strijd heeft gehandeld met gemaakte afspraken, dat zij onbevoegd en ondeskundig oordeelt en dat zij zich heeft laten gebruiken. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 19.075Ta
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van twee kinderen uit een eerder huwelijk. In 2016 is het gezag van klaagster over de kinderen beëindigd en heeft de GI de voogdij gekregen. In 2017 heeft klaagster een nieuwe relatie gekregen en is zij zwanger geraakt. Klaagster heeft zich zelf aangemeld bij het buurtteam voor ondersteuning tijdens de zwangerschap en vanaf juli 2018 is de jeugdprofessional als gezinscoach betrokken geraakt. Eind augustus 2018 is een zoon geboren, die in september 2018 onder toezicht is gesteld. De voogd van de kinderen is vanaf dat moment de tevens jeugdbeschermer van de zoon geworden. De jeugdprofessional heeft in het kader van de ambulante hulpverlening aan klaagster een eindverslag opgesteld, dat zij op 9 januari 2019 met haar besproken heeft. Een paar dagen later heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een spoedmachtiging uithuisplaatsing verleend voor vier weken. Klaagster heeft vijf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op relevante passages uit klachtonderdeel I.

Ten aanzien van het deel van de klacht van de moeder dat de jeugdprofessional niet alles bespreekbaar heeft gemaakt, overweegt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft verklaard, dat zij steeds heeft gemanoeuvreerd tussen het bewaken van de relatie met de moeder en het bespreekbaar maken van wat zij zag. Daardoor heeft zij klaagster niet op ieder moment verteld wat er in haar ogen niet goed ging. De jeugdprofessional heeft benadrukt dat zij hierover regelmatig afstemming heeft gezocht met haar collega’s, en ook met de jeugdbeschermer. Het College kan de jeugdprofessional volgen in haar afwegingen. Dat zij niet op ieder moment volledig transparant heeft gewerkt, betekent in deze context niet dat zij buiten de grenzen van haar beroepsmatig handelen is getreden.

lees verder

Klacht tegen een jeugdprofessional over hoe het hulpverleningstraject is vormgegeven en uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft de moeder op twee onderdelen onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 19.119Ta
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel II is deels gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Een moeder van drie kinderen dient een klacht met vijf onderdelen in tegen een jeugdprofessional van het wijkteam. Zij is in het vrijwillige kader bij het gezin betrokken is geweest. Tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional is de opvoedsituatie gewijzigd, in die zin dat de moeder na een rustperiode van twee weken niet is teruggekeerd in de gezinssituatie (bij de (stief)vader en de kinderen). Sindsdien is er weinig contact tussen de moeder en de kinderen. Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen II en V.

In klachtonderdeel II wordt de jeugdprofessional verweten dat de moeder, als gezaghebbende ouder van de kinderen, niet bij de opvoeding en besluitvorming is betrokken. De moeder heeft hiertoe een groot aantal voorbeelden opgesomd. Het College constateert dat de jeugdprofessional tegen het overgrote deel van de gegeven voorbeelden gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Het College gaat in het oordeel in op de voorbeelden waarbij het tot de taak van de jeugdprofessional moet worden gerekend om de moeder te informeren, te betrekken of haar toestemming te vragen. Het College stelt vast dat de moeder door de jeugdprofessional niet betrokken is bij het besluit om de dagbesteding van de jongste zoon te verruimen. Ook is de thuisbegeleiding ten behoeve van de (stief)vader en de kinderen ingezet, terwijl de moeder hiervoor geen toestemming had gegeven. De jeugdprofessional kon volgens het College niet volstaan met het verkrijgen van impliciete toestemming. Artikel 7.3.4 lid 1 en 2 van de Jeugdwet en artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode acht het College geschonden. Klachtonderdeel II wordt (deels) gegrond verklaard.

In klachtonderdeel V wordt de jeugdprofessional verweten dat zij met haar aanpak het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd heeft. Het College acht dit verwijt verstrekkend en oordeelt dat het op de weg van de moeder ligt om een dergelijk verwijt voldoende met relevante stukken te onderbouwen. Dat heeft de moeder nagelaten. Bovendien is bij het College de indruk ontstaan dat de jeugdprofessional zich heeft ingezet de moeder zo veel mogelijk te betrekken bij en te informeren over de hulpverlening.

Het is het College duidelijk geworden dat door de gewijzigde opvoedsituatie de samenwerking tussen partijen is bemoeilijkt. Dit valt echter niet de jeugdprofessional te verwijten. Voorts heeft het verwijtbaar handelen gedeeltelijk betrekking gehad op één klachtonderdeel. Onder deze omstandigheden ziet het College geen aanleiding een maatregel op te leggen.

lees verder

Deels gegronde klacht tegen een jeugd- en gezinswerker die als tijdelijk waarnemer belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is haar onvoldoende gelukt een constructieve samenwerking aan te gaan met de betrokkenen. De moeder is onder meer niet in de gelegenheid gesteld te reageren op een rapportage die aan de kinderrechter is verzonden.

Zaaknummer: 17.028T
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: klachtonderdelen I (deels), II, III en IV (deels) gegrond; klachtonderdelen I (deels), IV (deels), V, VI en VII ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van twee kinderen dient zeven klachtonderdelen in tegen een jeugd- en gezinswerker die, als tijdelijk waarnemer, belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Deze samenvatting gaat in op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen.

In klachtonderdelen I en II wordt de jeugd- en gezinswerker onder meer verweten dat de moeder ten onrechte niet is betrokken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en dat er geen gelegenheid is geboden om inhoudelijk te reageren op de aan de kinderrechter toegestuurde rapportage. Het College oordeelt dat op grond van artikel G (overeenstemming/instemming) van de Beroepscode een jeugdprofessional de inspanningsverplichting heeft om met de ouder(s) te overleggen en hun mening te vragen rondom het verzoek aan de kinderrechter over het al dan niet verlengen van de ondertoezichtstelling. Tevens heeft een ouder op grond van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode het recht op inzage en correctie van rapportage. Nu de jeugd- en gezinswerker heeft nagelaten de moeder te betrekken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter, en zij de moeder ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de rapportage, heeft zij naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met voornoemde artikelen uit de Beroepscode.

Het College overweegt in klachtonderdeel III dat de jeugd- en gezinswerker door de aangekondigde aanwezigheid van de advocaat van de moeder (als zijnde haar vertrouwenspersoon) een gesprek met de moeder heeft afgezegd. Het College is van oordeel dat ten behoeve van de rechtsbescherming iedereen recht heeft op rechtsbijstand, al dan niet in de vorm van een advocaat. Nu de jeugdprofessional geen bereidheid heeft getoond in overleg met de moeder te treden in aanwezigheid van haar advocaat, acht het College artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode geschonden.
De moeder verwijt de jeugd- en gezinswerker in klachtonderdeel IV dat sprake was van geen tot slechte communicatie. Deze klacht bestaat uit drie onderdelen. Ten aanzien van het eerste onderdeel oordeelt het College als volgt. De jeugd- en gezinswerker had aan de ouders gecommuniceerd dat zij een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden zou verzoeken. Vervolgens is de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden te verzoeken. Een ondertoezichtstelling, als kinderbeschermingsmaatregel, kan voor ouders verstrekkende en/of ingrijpende gevolgen hebben. Het is daarom van belang dat de jeugdprofessional de daadwerkelijke duur die verzocht wordt aan de ouders kenbaar maakt. Dat de moeder niet juist is geïnformeerd over de verzochte termijn, acht het College in strijd met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. De andere twee onderdelen worden ongegrond verklaard.

Het College acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Klacht dat de jeugdprofessional onvoldoende rekening houdt met de voorgeschiedenis, de lopende omgangsregeling niet nakomt, de vader niet heeft geïnformeerd, onvoldoende investeert in de verbetering van de werkrelatie en beslissingen neemt zonder met de vader te overleggen.

Zaaknummer: 19.055Ta
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: klachtonderdelen I en II deels gegrond; klachtonderdeel VII gegrond en klachtonderdelen III, IV, V en VI ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klager is de vader van een zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken. De vader en de moeder zijn in 2006 gescheiden en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Bij beschikking van 1 april 2011 is de zoon onder toezicht gesteld. Eind 2013 is de zoon uit huis geplaatst en per oktober 2017 teruggeplaatst bij de moeder. In juni 2017 is de jeugdprofessional (samen met de jeugdprofessional uit zaak 19.055Tb) betrokken geraakt. De vader heeft zeven klachtonderdelen ingediend over de wijze waarop de jeugdprofessional de ondertoezichtstelling heeft uitgevoerd. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I en II (samengevoegd) en VII.

Onder klachtonderdeel I en II wordt de jeugdprofessional verweten dat de vader op 30 oktober 2017 een brief heeft ontvangen, waarin zij excuses aanbiedt dat zij hem niet heeft geïnformeerd dat de zoon niet naar de vader toe wil. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional de zoon hierover op 4 oktober 2017 heeft gesproken. Tijdens dat gesprek bleek reeds dat de zoon niet meer naar de vader wilde. Dergelijke informatie was naar het oordeel van het College, ook omdat de zoon een paar dagen daarvoor volledig bij de moeder was geplaatst, voor de vader relevant. Op die informatie had hij, als gezaghebbend vader, ook recht. Ondanks de excuses die de jeugdprofessional in de brief heeft aangeboden, levert dit niet (tijdig) informeren van de vader een schending op van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel G (Overeenstemming /instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel VII dat hij een brief heeft ontvangen waarin staat dat de GI overweegt de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel en dat de vader twee dagen de tijd krijgt daarop te reageren, waarna hij gedurende twee maanden niets meer van de jeugdprofessional heeft gehoord. Het College overweegt dat de maatregel tot gezagsbeëindiging wordt ervaren als een (zeer) verstrekkende maatregel, en om die reden is het volgens het College noodzakelijk dat het voornemen hiertoe door de jeugdprofessional zorgvuldig gemotiveerd wordt. De jeugdprofessional heeft niet in lijn gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, in die zin dat zij onvoldoende oog heeft gehad voor de rol en de positie van de vader als gezaghebbend ouder. Voorts heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) geschonden, nu zij de vader onvoldoende heeft meegenomen in het traject de RvdK te verzoeken een onderzoek in te stellen naar gezagsbeëindiging. 

Terugkerend punt in de klachten van de vader is dat er niets met hem besproken wordt. Het College ziet een moeizame samenwerking, waar de vader een groot aandeel in heeft gehad. Wellicht had het handelen van de jeugdprofessional op bepaalde momenten beter gekund, maar dat wordt niet getoetst door de tuchtrechter. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.

lees verder

Klacht dat de jeugdprofessional op een onjuiste manier contact heeft opgenomen met de zoon, dat hij de vader onvoldoende heeft geïnformeerd en dat hij niet goed heeft gecommuniceerd.

Zaaknummer: 19.055Tb
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond; klachtonderdeel II deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van een zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken. De vader en de moeder zijn in 2006 gescheiden en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Bij beschikking van 1 april 2011 is de zoon onder toezicht gesteld. Eind 2013 is de zoon uit huis geplaatst en per oktober 2017 teruggeplaatst bij de moeder. In juni 2017 is de jeugdprofessional (samen met de jeugdprofessional uit zaak 19.055Ta) betrokken geraakt en in november 2017 is hij na een klacht van de vader door de GI van de casus afgehaald. De vader heeft twee klachtonderdelen ingediend.

Bij klachtonderdeel I verwijt de vader de jeugdprofessional dat hij de zoon op 22 augustus 2017 heeft verteld dat hij met een aantal dagen het kinderhuis zou kunnen verlaten en kon starten op de school in de woonplaats van de moeder. Omdat de jeugdprofessional kennelijk kort daarop tot de ontdekking kwam dat het voornemen tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet was getoetst door de RvdK, is de jeugdprofessional een dag later opnieuw langs gegaan bij de zoon om hem te vertellen dat hij nog enige tijd in het kinderhuis moest blijven. De jeugdprofessional heeft dit ook erkend en meerdere keren zijn excuses aangeboden. Desondanks is het College van oordeel dat deze handelswijze jegens de zoon uiterst onzorgvuldig en onhandig is geweest. De jeugdprofessional had van te voren volledige zekerheid moeten hebben over het te volgen traject. De jeugdprofessional heeft artikel B (Bevorderen deskundigheid) van de Beroepscode geschonden. Het College acht het handelen ook in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg). Hij heeft het vertrouwen van de zoon in de jeugdzorg geschaad.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel II onder andere dat, nadat de jeugdprofessional in november 2017 van de casus is afgehaald, hij niets meer van de hem vernomen heeft. Het College overweegt dat op grond van artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) de jeugdprofessional zelf verantwoordelijk is voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening. Volgens het College is voldoende gebleken dat de vader tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie vernomen heeft dat de jeugdprofessional van de casus zou worden gehaald. Dat de jeugdprofessional daarna geen contact meer heeft gehad met de vader, kan niet gezien worden als een zorgvuldige beëindiging van de professionele relatie. Daaraan doet niet af dat de GI daar volgens de jeugdprofessional op heeft aangestuurd.

Het College ziet een jeugdprofessional die geprobeerd heeft het belang van de zoon voorop te stellen, maar daarbij een onjuist inschatting heeft gemaakt. Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt ook rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional gehandeld heeft. Zo is hij slechts een korte periode betrokken geweest en is het duidelijk geworden dat er sprake is geweest van een moeizame samenwerking tussen de vader en de jeugdprofessional, waar de vader een aandeel in heeft gehad. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.

lees verder

Een klacht tegen een jeugdprofessional over seksueel grensoverschrijdend gedrag richting een minderjarige. Meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden. Het College legt een maatregel van doorhaling op met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven.

Zaaknummer: 19.097Ta
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: gegrond
Maatregel: doorhaling met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven

Download de volledige beslissing in pdf

Een stichting heeft een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional die werkzaam was als gezinshuisouder en als mede franchisenemer aan de stichting was verbonden. De stichting verwijt de jeugdprofessional seksueel grensoverschrijdend gedrag naar een in het gezinshuis woonachtige minderjarige.

Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met het belang van de minderjarige. Zij heeft seksueel grensoverschrijdend gedrag richting de minderjarige vertoond, juist nog nadat dit thema in de supervisie expliciet bij haar aan de orde is gesteld. Door haar handelen heeft zij de minderjarige schade toegebracht.

Artikelen A (jeugdige cliënten tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode zijn geschonden.

Gelet op de ernst van het grensoverschrijdend handelen van de jeugdprofessional zal het College de zwaarste maatregel opleggen. Een doorhaling in het SKJ register met ontzegging van het recht van inschrijving acht het College noodzakelijk om te voorkomen dat andere minderjarigen iets vergelijkbaars overkomt. Daarbij weegt het zwaar mee dat de jeugdprofessional zich niet toetsbaar heeft opgesteld waardoor het College het risico op herhaling niet kan inschatten.

lees verder

Een klacht tegen een jeugdprofessional over seksueel grensoverschrijdend gedrag richting een minderjarige. Meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden. Het College legt een maatregel van doorhaling op met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven.

Zaaknummer: 19.097Ta
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: gegrond
Maatregel: doorhaling met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven

Download de volledige beslissing in pdf

Een stichting heeft een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional die werkzaam was als gezinshuisouder en als mede franchisenemer aan de stichting was verbonden. De stichting verwijt de jeugdprofessional seksueel grensoverschrijdend gedrag naar een in het gezinshuis woonachtige minderjarige.
Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met het belang van de minderjarige. Zij heeft seksueel grensoverschrijdend gedrag richting de minderjarige vertoond, juist nog nadat dit thema in de supervisie expliciet bij haar aan de orde is gesteld. Door haar handelen heeft zij de minderjarige schade toegebracht.
Artikelen A (jeugdige cliënten tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode zijn geschonden.

Gelet op de ernst van het grensoverschrijdend handelen van de jeugdprofessional zal het College de zwaarste maatregel opleggen. Een doorhaling in het SKJ register met ontzegging van het recht van inschrijving acht het College noodzakelijk om te voorkomen dat andere minderjarigen iets vergelijkbaars overkomt. Daarbij weegt het zwaar mee dat de jeugdprofessional zich niet toetsbaar heeft opgesteld waardoor het College het risico op herhaling niet kan inschatten.

lees verder

Gegrond klachtonderdeel tegen een jeugdbeschermer die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het concept plan van aanpak is significant gewijzigd nadat de moeder haar visie gegeven had.

Zaaknummer: 18.176T
Datum beslissing: 5 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond; klachtonderdeel II en III ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van een dochter heeft drie klachtonderdelen ingediend tegen de jeugdprofessional die in het kader van de ondertoezichtstelling van de dochter betrokken is geweest. Deze samenvatting gaat in op het gegrond verklaarde klachtonderdeel I.  

De jeugdprofessional wordt in dit klachtonderdeel verweten dat zij het concept plan van aanpak significant heeft gewijzigd, nadat de moeder haar visie had gegeven, zonder dat zij daarvan op de hoogte gesteld is. Het College stelt uit de overgelegde stukken vast dat het plan van aanpak, zoals is verstuurd aan de rechtbank, op meerdere punten aanzienlijk verschilt van het concept plan van aanpak waar de moeder haar visie op heeft gegeven. De jeugdprofessional heeft nagelaten om met de moeder te overleggen over de door haar later toegevoegde stukken tekst. Gebleken is dat de moeder op geen enkele wijze door de jeugdprofessional is geïnformeerd over het gewijzigde plan van aanpak, ook niet na de zitting bij de kinderrechter. Het College acht dit handelen in strijd met artikel 4.1.3, tweede lid, van de Jeugdwet en artikelen G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlenging) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker.

De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht inzicht gegeven in de omstandigheden wat maakten dat zij het plan van aanpak gewijzigd heeft, namelijk dat de GI was overgestapt op een nieuwe wijze van rapporteren. Daardoor diende extra informatie in het plan van aanpak te worden toegevoegd voordat deze op definitief gezet kon worden. Ook heeft de tijdsdruk ervoor gezorgd dat zij de moeder niet heeft ingelicht over de door haar aangebrachte toevoegingen in het plan van aanpak. Het College ziet onder deze omstandigheden voldoende gronden om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Het College wijst er evenwel op dat zaken zoals een nieuw systeem en tijdsdruk de jeugdprofessional niet ontslaan van het nakomen van haar wettelijke en beroepsethische verplichtingen, concreet in de onderhavige casus inhoudende dat zij de moeder had moeten informeren over de toegevoegde stukken tekst en haar de gelegenheid had moeten bieden haar zienswijze hierop te geven.

lees verder

Moeder in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het College van Beroep is van oordeel dat de moeder geen feiten heeft aangevoerd die haar stelling onderbouwen.

Zaaknummer: 19.001Bb (17.114Tc)
Datum beslissing: 27 juni 2019
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van een minderjarige zoon heeft bij het College van Toezicht een klacht ingediend tegen een raadsonderzoeker die, samen met beklaagden c.q. verweersters in de zaaknummers 18.013B (17.114Ta) en 19.001Ba (17.114Tb), het derde raadsonderzoek heeft uitgevoerd. De rol van de raadsonderzoeker was beperkt, in die zin dat zij slechts enkele weken heeft geparticipeerd in het onderzoek en daarna vanwege langdurige afwezigheid is vervangen door verweerster in zaaknummer 19.001Ba (17.114Tb).

De moeder verwijt de raadsonderzoeker dat zij, toen zij de huisarts van de moeder belde, een uithuisplaatsing heeft aangekondigd, terwijl daar geen sprake van was. De grief van de moeder faalt. Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in de beoordeling van het klachtonderdeel. Net als bij het College van Toezicht, heeft de moeder in de onderhavige procedure geen feiten aangevoerd die haar stelling onderbouwen. Uit de passage in het raadsonderzoek waarnaar door de moeder wordt verwezen, blijkt niet welke raadsonderzoeker contact heeft onderhouden met de huisarts. Daarnaast blijkt uit de passage, nog onverlet welke raadsonderzoeker dit contact heeft onderhouden, niet dat er een uithuisplaatsing is aangekondigd.

lees verder

Een moeder heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer over de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

Zaaknummer: 19.078Ta
Datum beslissing: 27 juni 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder heeft drie minderjarige kinderen die in 2017 bij vader zijn geplaatst. Zij hebben daarna bij moeder gewoond en verblijven sinds juli 2018 weer bij vader. Zij heeft tegen de jeugdprofessional, die samen met een collega in zaaknummer 19.080Ta betrokken is bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zes klachtonderdelen ingediend. De klacht heeft betrekking op de beslissingen over de uithuisplaatsingen die niet met moeder zijn besproken, het ontbreken van een plan van aanpak tijdens de gehele uithuisplaatsing, het toezenden van een concept plan van aanpak naar de rechtbank, de plaatsing van de kinderen op een nieuwe school, het niet vaststellen van omgang bij de uithuisplaatsing en het niet inschakelen van een tolk.

Het College overweegt dat er veel zorgen waren over de kinderen alsook over de uitvoering van de eerste uithuisplaatsing vanwege de houding van moeder richting vader en de druk die hierdoor op de kinderen lag. Er kon niet in samenspraak met haar worden gehandeld en de spanningen waren bij haar opgelopen. Daarom heeft de gecertificeerde instelling besloten om alle betrokkenen over de uithuisplaatsing te informeren op het moment waarop de kinderen al bij vader waren. De jeugdprofessional heeft geprobeerd om telefonisch en per sms contact te krijgen met moeder maar is hier niet in geslaagd en heeft een brief in de brievenbus gedaan.
Moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de tweede uithuisplaatsing van de kinderen met haar is besproken.
Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional gelet op de omstandigheden in deze casus de procedures in hoger beroep heeft afgewacht en pas daarna een nieuw plan van aanpak heeft opgesteld.
De stellingen van moeder ten aanzien van klachtonderdelen III, IV en V zijn feitelijk onjuist.
De jeugdprofessional heeft een weloverwogen keuze gemaakt om geen tolk in te schakelen en heeft vanuit het belang van de kinderen gehandeld.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Een moeder heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer over de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

Zaaknummer: 19.080Ta
Datum beslissing: 27 juni 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder heeft drie minderjarige kinderen die in 2017 bij vader zijn geplaatst. Zij hebben daarna bij moeder gewoond en verblijven sinds juli 2018 weer bij vader. Zij heeft tegen de jeugdprofessional, die samen met een collega in zaaknummer 19.078Ta betrokken is bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, zes klachtonderdelen ingediend. De klacht heeft betrekking op de beslissingen over de uithuisplaatsingen die niet met moeder zijn besproken, het ontbreken van een plan van aanpak tijdens de gehele uithuisplaatsing, het toezenden van een concept plan van aanpak naar de rechtbank, de plaatsing van de kinderen op een nieuwe school, het niet vaststellen van omgang bij de uithuisplaatsing en het niet inschakelen van een tolk.

Het College overweegt dat er veel zorgen waren over de kinderen alsook over de uitvoering van de eerste uithuisplaatsing vanwege de houding van moeder richting vader en de druk die hierdoor op de kinderen lag. Er kon niet in samenspraak met haar worden gehandeld en de spanningen waren bij haar opgelopen. Daarom heeft de gecertificeerde instelling besloten om alle betrokkenen over de uithuisplaatsing te informeren op het moment waarop de kinderen al bij vader waren. De jeugdprofessional heeft geprobeerd om telefonisch en per sms contact te krijgen met moeder maar is hier niet in geslaagd en heeft een brief in de brievenbus gedaan.

Moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de tweede uithuisplaatsing van de kinderen met haar is besproken.

Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional gelet op de omstandigheden in deze casus de procedures in hoger beroep heeft afgewacht en pas daarna een nieuw plan van aanpak heeft opgesteld.

De stellingen van moeder ten aanzien van klachtonderdelen III, IV en V zijn feitelijk onjuist.

De jeugdprofessional heeft een weloverwogen keuze gemaakt om geen tolk in te schakelen en heeft vanuit het belang van de kinderen gehandeld.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Een grootmoeder heeft een klacht ingediend tegen de pleegouderbegeleider over het niet opsturen van een aangepast plan van aanpak, het verdraaien van informatie in documenten en het vragen en delen van informatie aan en met derden. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 19.093Ta
Datum beslissing: 25 juni 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II en III ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De grootmoeder is netwerkpleegouder van haar kleinzoon. De kleinzoon is onder toezicht gesteld en bij haar en grootvader geplaatst. De Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt of een verderstrekkende maatregel noodzakelijk is.

De grootmoeder is van mening dat de pleegouderbegeleidster geen aangepast plan van aanpak naar haar heeft gestuurd, dat zij informatie heeft verdraaid in documenten en informatie aan derden heeft gevraagd en gedeeld.

Het College overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de pleegouderbegeleidster op 29 september 2017 het plan van aanpak naar grootmoeder heeft gemaild.

De pleegouderbegeleidster heeft geschreven over de houding van de grootvader omdat de kleinzoon hulp nodig had. Later is deze houding ten positieve veranderd maar op het moment van het schrijven van de rapporten nog niet. Het is begrijpelijk dat de pleegouderbegeleidster aan de gezinsvoogd heeft doorgegeven dat het gezin niet thuis was als er een afspraak was. Bij een ondertoezichtstelling is het belangrijk voor de gezinsvoogd om te weten hoe het met de kleinzoon gaat. Dit is met grootmoeder besproken in het gesprek op 10 januari 2019. De pleegouderbegeleidster moet als jeugdprofessional de Raad voor de Kinderbescherming bij een raadsonderzoek informeren. Het hoort bij haar taak en is een verplichting. De pleegouderbegeleidster heeft uitgebreid gemotiveerd met wie zij informatie heeft gedeeld. Zij heeft alleen relevante informatie gedeeld met direct belanghebbenden zoals school en de dagbesteding. Als de Raad voor de Kinderbescherming aan de pleegouderbegeleidster een vraag stelt, moet zij antwoord geven. Dat hoort bij haar taak.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Een klacht tegen een jeugdzorgwerker. Hij heeft vader niet correct bejegend en heeft geen houding van meerzijdige partijdigheid aangenomen richting moeder én vader. Daarnaast heeft hij de privacy van vader geschonden. Meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden. Het College legt een berisping op.

Zaaknummer: 19.017Ta
Datum beslissing: 25 juni 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II en III gegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

De vader van vier minderjarige kinderen dient een klacht met drie onderdelen in tegen de jeugdzorgwerker die verantwoordelijk was voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Samengevat hebben de klachten betrekking op een onjuiste bejegening, het schenden van de privacy van vader en het niet of onvoldoende informeren van vader als gezaghebbende ouder. De jeugdzorgwerker heeft de klachten erkend.

Het College komt tot de slotsom dat de jeugdzorgwerker met betrekking tot alle drie de klachtonderdelen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De jeugdzorgwerker heeft vader met de formuleringen in zijn e-mail en zijn uitspraken niet correct bejegend. Hij heeft geen professionele afstand bewaard en heeft zich laten meeslepen door het feit dat hij persoonlijk geraakt was. De jeugdzorgwerker is niet in staat geweest om een houding van meerzijdige partijdigheid in te nemen richting moeder én vader. Daarnaast heeft hij de privacy van vader geschonden door contact op te nemen met de werkgever van vader. Tot slot heeft hij vader onvoldoende geïnformeerd over de thuisplaatsing van de kinderen. Door zijn handelen is de jeugdzorgwerker verwijtbaar tekort geschoten. Ook is zijn handelen schadelijk geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en het aanzien van de beroepsgroep.

Artikelen C (bereid iedere cliënt te helpen), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode zijn geschonden.

Het College weegt mee dat de jeugdzorgwerker door de klachten te erkennen, heeft laten zien dat hij zich de aan hem gemaakte verwijten heeft aangetrokken. Ook is het de eerste keer dat hij is geconfronteerd met een tuchtklacht.

Het College legt aan de jeugdzorgwerker de maatregel van berisping op.

lees verder

Klacht tegen de jeugdprofessional dat zij zonder toestemming van de vader zijn medische en psychische gegevens in rapportages heeft vermeld en dat zij de vader onterecht heeft beschuldigd van hacken.

Zaaknummer: 19.038Ta
Datum beslissing: 21 juni 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van twee minderjarige kinderen en oefent gezamenlijk met de moeder van de kinderen het ouderlijk gezag uit. De kinderen wonen bij de moeder en zijn onder toezicht gesteld. De jeugdprofessional is als jeugdbeschermer belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De vader heeft twee klachtonderdelen ingediend.

In klachtonderdeel I verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij medische en psychische gegevens heeft vermeld in rapportages, zonder zijn toestemming. Het College overweegt dat medische en psychische gegevens vallen onder ‘bijzondere persoonsgegevens’. Het (zomaar) delen van bijzondere persoonsgegevens is niet toegestaan. De vraag die derhalve voorligt, is of de jeugdprofessional  bijzondere persoonsgegevens (lees in casu: medische en psychische gegevens) heeft gedeeld. De in het gezinsplan opgenomen informatie schetst in de ogen van het College vooral een globaal beeld van de door de vader genomen acties in het door hem beoogde behandelingstraject, en is daarmee vooral (relevante) procesinformatie. Voor het College staat voldoende vast dat de betreffende informatie over de therapieën in het gezinsplan (uitsluitend) afkomstig is van de vader zelf, nu de jeugdprofessional onweersproken heeft verklaard dat de vader in verschillende gesprekken deze informatie heeft gedeeld. Het College acht het navolgbaar dat de jeugdprofessional kennelijk geoordeeld heeft dat de betreffende informatie over de vader in het belang van de kinderen in het gezinsplan opgenomen moest worden.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel II dat zij hem vals beschuldigt van hacken. Het College kan zich in dit geval goed voorstellen dat de vader, vooral door de door hem verzonden e-mailberichten aan de jeugdprofessional, heeft gezorgd voor onrust over de wijze waarop hij de computer gebruikt en zijn intenties. De vader werkt naar het oordeel van het College zelf mee aan de beeldvorming over mogelijk onoorbaar handelen met betrekking tot computers. Volgens het College valt hieruit op te maken dat de vader niet op een gangbare wijze gebruik maakt van de computer. Het College acht echter de term hacken - nu dit strafrechtelijk handelen betreft  - ongelukkig gekozen. Terecht heeft de jeugdprofessional in de definitieve schriftelijke aanwijzing gekozen voor een andere omschrijving van het computergebruik van de vader. Het College overweegt echter dat de intenties van de jeugdprofessional  goed zijn geweest: zij heeft naar het oordeel van het College steeds gehandeld in het belang van de kinderen.

Het College concludeert dat de twee klachtonderdelen ongegrond zijn en dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

lees verder

Klacht tegen de jeugdprofessional dat zij zonder toestemming van de vader zijn medische en psychische gegevens in rapportages heeft vermeld en dat zij de vader onterecht heeft beschuldigd van hacken.

Zaaknummer: 19.038Tb
Datum beslissing: 21 juni 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van twee minderjarige kinderen en oefent gezamenlijk met de moeder van de kinderen het ouderlijk gezag uit. De kinderen wonen bij de moeder en zijn onder toezicht gesteld. De jeugdprofessional is als jeugdbeschermer belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De vader heeft twee klachtonderdelen ingediend.

In klachtonderdeel I verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij medische en psychische gegevens heeft vermeld in rapportages, zonder zijn toestemming. Het College overweegt dat medische en psychische gegevens vallen onder ‘bijzondere persoonsgegevens’. Het (zomaar) delen van bijzondere persoonsgegevens is niet toegestaan. De vraag die derhalve voorligt, is of de jeugdprofessional bijzondere persoonsgegevens (lees in casu: medische en psychische gegevens) heeft gedeeld. De in het gezinsplan opgenomen informatie schetst in de ogen van het College vooral een globaal beeld van de door de vader genomen acties in het door hem beoogde behandelingstraject, en is daarmee vooral (relevante) procesinformatie. Voor het College staat voldoende vast dat de betreffende informatie over de therapieën in het gezinsplan (uitsluitend) afkomstig is van de vader zelf, nu de jeugdprofessional onweersproken heeft verklaard dat de vader in verschillende gesprekken deze informatie heeft gedeeld. Het College acht het navolgbaar dat de jeugdprofessional kennelijk geoordeeld heeft dat de betreffende informatie over de vader in het belang van de kinderen in het gezinsplan opgenomen moest worden.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel II dat zij hem vals beschuldigt van hacken. Het College kan zich in dit geval goed voorstellen dat de vader, vooral door de door hem verzonden e-mailberichten aan de jeugdprofessional, heeft gezorgd voor onrust over de wijze waarop hij de computer gebruikt en zijn intenties. De vader werkt naar het oordeel van het College zelf mee aan de beeldvorming over mogelijk onoorbaar handelen met betrekking tot computers. Volgens het College valt hieruit op te maken dat de vader niet op een gangbare wijze gebruik maakt van de computer. Het College acht echter de term hacken - nu dit strafrechtelijk handelen betreft - ongelukkig gekozen. Terecht heeft de jeugdprofessional in de definitieve schriftelijke aanwijzing gekozen voor een andere omschrijving van het computergebruik van de vader. Het College overweegt echter dat de intenties van de jeugdprofessional goed zijn geweest: zij heeft naar het oordeel van het College steeds gehandeld in het belang van de kinderen.

Het College concludeert dat de twee klachtonderdelen ongegrond zijn en dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

lees verder

Vader in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Het beroep slaagt deels, onder andere vanwege het niet aanpassen van een veiligheidsplan in een afgesloten dossier waarin een foutieve kwalificatie van een levensdelict is opgenomen. Het College van Beroep ziet af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional.

Zaaknummer: 19.004B (18.070T)
Datum beslissing: 20 juni 2019
Oordeel: beroep deels gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De vader van een minderjarige dochter heeft bij het College van Toezicht vier klachtonderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die werkzaam is bij Veilig Thuis. Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van het College van Toezicht van alle klachtonderdelen (I t/m IV), die door het College van Toezicht ongegrond zijn verklaard. In deze samenvatting zal ingegaan worden op de klachtonderdelen II en IV.

In klachtonderdeel II wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet transparant is geweest jegens de vader over het onderzoek. Het veiligheidsplan is alleen besproken met de moeder en haar vader en de vader (klager) is daar niet bij betrokken. Het College van Beroep volgt de vader in zijn standpunt dat de jeugdprofessional niet transparant is geweest over de rol van de vader van moeder. Zo blijkt dat de door de vader van moeder gedane opmerkingen, over de vraag of er sprake is geweest van huiselijk geweld van vader naar moeder, in ieder geval bij de 1e monitoring zijn betrokken. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden en de grief slaagt (deels).

Klachtonderdeel IV ziet op het verwijt dat in het veiligheidsplan vermeld staat dat de vader een belast verleden heeft en schuldig is bevonden aan moord. Feitelijk is dat onjuist nu de vader schuldig is bevonden aan doodslag. Het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de jeugdprofessional had gelegen om deze omissie te herstellen, door het veiligheidsplan aan te passen en het gecorrigeerde veiligheidsplan aan de betrokkenen te verstrekken. Dat het in deze situatie een afgesloten dossier betrof doet daar niet aan af. Hierbij denkt het College van Beroep bijvoorbeeld aan de onverhoopte situatie dat indien er in de toekomstig nog een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis, dit eerdere veiligheidsplan mogelijk betrokken wordt met de daarin foutief opgenomen term. Artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerker is geschonden en de grief slaagt.

Hoewel de jeugdprofessional ten aanzien van twee klachtonderdelen (deels) een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, is het College van Beroep van oordeel dat deze niet van dusdanig gewicht zijn dat dit het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel rechtvaardigt. Hierbij neemt het College van Beroep onder andere in overweging dat de jeugdprofessional gedurende een relatief korte periode bij het gezinssysteem van de vader betrokken is geweest. Daarnaast heeft het College van Beroep over het algemeen de indruk dat zij gedurende het onderzoek zorgvuldig en evenwichtig te werk is gegaan.

lees verder

Gegrond klachtonderdeel tegen een jeugdzorgwerker die namens Veilig Thuis onderzoek heeft verricht. De vader is door de jeugdprofessional niet geïnformeerd over het afsluiten van het Veilig Thuis onderzoek en de afsluitbrief is alleen aan de moeder geadresseerd en toegestuurd.

Zaaknummer: 19.120Ta
Datum beslissing: 17 juni 2019
Oordeel: klachtonderdeel I ongegrond; klachtonderdeel II gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Een vader van twee kinderen dient één klachtonderdeel in tegen de jeugdprofessional die het onderzoek namens Veilig Thuis heeft uitgevoerd. Het is het College gebleken dat het door de vader geformuleerde klachtonderdeel twee verwijten betreft. Het College heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht de twee verwijten afzonderlijk besproken, reden waarom de twee klachtonderdelen afzonderlijk in de beslissing zijn opgenomen. Deze samenvatting gaat in op het gegrond verklaarde klachtonderdeel: klachtonderdeel II.

In dit klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij de afsluitbrief van het onderzoek van Veilig Thuis alleen aan de moeder heeft geadresseerd en toegestuurd. Als gezaghebbende ouder is de vader niet geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek. Het College oordeelt dat uit artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode en hoofdstuk twee, bepaling 2, en hoofdstuk twaalf, bepaling 12.1 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis volgt dat de jeugdprofessional verantwoordelijk is voor een zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening. Eveneens volgt hieruit dat de beslissing tot beëindiging wordt verantwoord tegenover de cliënt. Het College is op grond van voornoemde bepalingen van oordeel dat onder een zorgvuldige afsluiting verstaan wordt dat een afsluitbrief voorzien is van de juiste aanhef en adressering, in dit geval van de vader. Op de jeugdprofessional rustte dan ook de plicht om de vader te informeren over het afsluiten van het onderzoek. Dat de vader kennelijk ten tijde van het afsluiten van het onderzoek in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven op een adres van een daklozenopvang doet daar niet aan af. Het College wijst de jeugdprofessional op de mogelijkheden om het adres van de vader telefonisch dan wel per e-mailbericht te controleren of hem uit te nodigen de afsluitbrief op het kantoor van Veilig Thuis op te halen. Het College concludeert dat in strijd gehandeld is met artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode en de bepalingen 2 uit hoofdstuk twee en 12.1 uit hoofdstuk twaalf van het Handelingsprotocol Veilig Thuis.

Hoewel het College het handelen van de jeugdprofessional verwijtbaar acht, ziet het af van het opleggen van een maatregel. Onder meer omdat in een multidisciplinair overleg besloten was om de afsluitbrief niet naar de daklozenopvang te versturen en de vader op een later moment (door een andere instantie) alsnog geïnformeerd is over de afsluitbrief.

lees verder

Gegronde klacht tegen een gezinswerker van de gemeente over meerdere aspecten van het geboden hulpverleningstraject. Onder meer is de vrijwillige hulp, die geboden werd aan de kinderen, doorgezet ondanks dat de vader zijn toestemming had ingetrokken. De maatregel van berisping wordt opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Zaaknummer: 19.040Ta
Datum beslissing: 17 juni 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn (deels) gegrond
Maatregel: berisping, zonder openbaarmaking

Download de volledige beslissing in pdf

De vader (met gezag) van twee kinderen heeft vier klachtonderdelen ingediend die – samengevat –betrekking hebben op de wijze waarop de gezinswerker van de gemeente het hulpverleningstraject heeft vormgegeven en uitgevoerd. Het College oordeelt dat zij ten aanzien van alle klachtonderdelen (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De gezinswerker heeft jeugdhulp geboden in het vrijwillig kader, terwijl hiervoor de toestemming van de vader ontbrak. Voorts is voor het College voldoende vast komen te staan dat de ondersteuning van de gezinswerker met name gericht is geweest op de moeder en de kinderen. Daarmee heeft de gezinswerker zich onvoldoende neutraal opgesteld en is zij onvoldoende tot overeenstemming/instemming met de vader gekomen over de door haar geboden hulpverlening. Daarnaast heeft de gezinswerker onvoldoende naar mogelijkheden gezocht om de ouderrol van de vader vorm te geven. Gelet op het belang van het realiseren van omgang tussen een ouder en kind, had de gezinswerker niet mogen volstaan met het versturen van een e-mailbericht naar de vader waarin het standpunt van de kinderen met betrekking tot de omgang verwoord was. Tot slot is aan de vader een onvolledig dossier verstrekt. Zo heeft de gezinswerker aan de vader slechts die delen uit het dossier verstrekt die op hem betrekking hebben, terwijl hij in beginsel ook recht heeft op de delen uit het dossier die betrekking hebben op de kinderen. Het College is van oordeel dat sprake is van een schending van artikelen 7.3.4 lid 1 en lid 2 en 7.3.10 van de Jeugdwet en de artikelen E (respect), G (overeenstemming/instemming), M (verslaglegging/dossiervorming) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

Het College heeft een gezinswerker gezien die geprobeerd heeft het belang van de kinderen voorop te stellen, zoals een goed jeugd- en gezinsprofessional betaamt. Maar zij is zich er onvoldoende bewust van geweest dat andere belangen dan die van het kind, meer in het bijzonder die van de gezaghebbende ouder(s), ook in overweging genomen dienen te worden. Evenmin is de gezinswerker zich bewust geweest van haar eigen professionele verantwoordelijkheid als geregistreerd jeugd- en gezinsprofessional en hoe die verantwoordelijkheid vorm dient te krijgen vanuit wettelijke en beroepsethische verplichtingen. Daarnaast heeft de gezinswerker gedurende de tuchtprocedure onvoldoende blijk van reflectie gegeven.

Nu tegen de gezinswerker voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en het handelen toeziet op een beperkte periode, heeft het College voldoende aanleiding gezien om, vooruitlopend op het nieuwe Tuchtreglement, versie 1.3, de maatregel van berisping op te leggen, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

lees verder

Klacht van minderjarige tegen haar voogd die werkzaam is als jeugdbeschermer bij een gecertificeerde instelling. De voorzitter verklaart de minderjarige niet ontvankelijk in haar klacht.

Zaaknummer: 19.063Ta
Datum beslissing: 12 juni 2019
Oordeel: niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De minderjarige was 15 jaar op het moment dat zij de klacht heeft ingediend. Hoewel zij nu de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is het moment van indienen van de klacht leidend bij de beoordeling.

De voorzitter heeft besloten om de voogd en de minderjarige afzonderlijk van elkaar te horen in het kader van een nader onderzoek. Het nader onderzoek is erop gericht om te bepalen of de minderjarige voldoende in staat is om haar belangen en/of de gevolgen van de door haar ingediende klacht te overzien. De minderjarige is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen.

Voor de voorzitter is op grond van de toelichting van de voogd niet vast komen te staan dat de minderjarige overziet wat een tuchtklacht inhoudt en wat de gevolgen daarvan zijn. De voorzitter heeft geen duidelijk beeld van de eigenheid van de minderjarige kunnen krijgen en verklaart haar daarom op grond van artikel 8.8 sub a van het Tuchtreglement niet ontvankelijk in haar klacht.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer die klager onvoldoende heeft geïnformeerd over het besluit dat er in plaats van twee met één jeugdbeschermer gewerkt zou gaan worden. Ook heeft de beklaagde klager op een ongeschikt moment geïnformeerd over haar voornemen om een gezagsbeëindigende maatregel te gaan verzoeken, zonder dat zij deze kernbeslissing binnen het multidisciplinaire overleg heeft afgestemd. Het College heeft geen maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 18.169T
Datum beslissing: 11 juni 2019
Oordeel: klachtonderdelen V, VI en IX deels gegrond; klachtonderdelen I, II, III, IV, VII, VIII en X ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van twee minderjarige kinderen en oefent gezamenlijk met de moeder van de kinderen het ouderlijk gezag uit. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. De kinderen zijn onder toezicht gesteld. Klager heeft tien klachtonderdelen ingediend die betrekking hebben op de wijze waarop beklaagde de ondertoezichtstelling heeft uitgevoerd. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen V en VI.
Klager verwijt beklaagde in klachtonderdeel V dat hij van haar onvoldoende informatie heeft gekregen, die voor hun professionele relatie relevant is. Het College overweegt dat het teruggaan van twee naar één jeugdbeschermer in een complexe casus als deze een belangrijke beslissing is. Het College is dan ook van oordeel dat een dergelijk besluit duidelijk gecommuniceerd dient te worden. Ondanks dat klager tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij hierover wel een e-mailbericht van beklaagde heeft ontvangen, acht het College dat, mede gezien de inhoud van het bericht, in dit geval te mager en verklaart dit deel van de klacht gegrond. Beklaagde heeft hier naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.
In klachtonderdeel VI verwijt klager beklaagde dat zij haar gezag en invloed ten opzichte van klager negatief heeft aangewend en misbruikt. Het College begrijpt dit deel van de klacht aldus dat beklaagde klager tijdens een overleg vlak voor een omgangsmoment tussen hem en de kinderen heeft geconfronteerd met het voornemen een maatregel tot gezagsbeëindiging van klager te willen gaan verzoeken. Ten aanzien van de gekozen werkwijze van beklaagde kan het College het oordeel van de klachtencommissie, voor zover deze heeft overwogen dat de handelswijze van beklaagde in dezen niet zorgvuldig is geweest en bij klager voor verwarring heeft gezorgd, dan ook volgen. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat beklaagde niet in lijn heeft gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, in die zin dat zij hier onvoldoende oog heeft gehad voor de rol en positie van klager als gezaghebbend ouder. Voorts heeft beklaagde artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode geschonden, nu zij haar voornemen over te gaan tot het nemen van een kernbeslissing eerst met klager heeft besproken, alvorens dit collegiaal te toetsen.
Het College heeft begrip voor beklaagde, en de situatie waarin zij heeft verkeerd. Beklaagde heeft in de ogen van het College veel moeite gedaan de samenwerking met klager te zoeken en deze goed te laten verlopen. Beklaagde heeft in een spagaat gezeten en onder moeilijke omstandigheden terecht de belangen van de kinderen als leidraad genomen voor haar handelen. De twee misstappen die zij heeft gemaakt, heeft zij erkend en zij heeft daarvoor alweer enige tijd geleden, haar excuses aangeboden. Het College stelt het reflectieve vermogen van beklaagde op prijs. Gelet op de omstandigheden van de casus en de getoonde reflectie van beklaagde, ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer over meerdere aspecten rondom de ondertoezichtstelling. Gegrond voor wat betreft het plan van aanpak dat niet tijdig in overleg met de moeder is opgesteld, de omgangsmomenten die onvoldoende zijn voorbereid en het afsluiten van de hulpverlening.

Zaaknummer: 18.163T
Datum beslissing: 5 juni 2019
Oordeel: de klacht is deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van vijf kinderen dient acht klachtonderdelen in tegen de jeugdbeschermer die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. In deze samenvatting wordt ingegaan op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen: III, VI en VII.

De jeugdbeschermer heeft het plan van aanpak niet in overleg met de moeder opgesteld binnen zes weken na aanvang van de ondertoezichtstelling, terwijl dit wel als zodanig als verplichting in de Jeugdwet is opgenomen. De (wettelijke) noodzaak hiervan is onder meer gelegen in het gegeven dat het plan van aanpak voor alle betrokkenen, waaronder de betreffende jeugdbeschermer, handvatten en structuur biedt voor de hulpverlening. Ook zijn de omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen onvoldoende door de jeugdbeschermer voorbereid, nadat twee jaar geen omgang had plaatsgevonden en bij een van de kinderen sprake was van een angststoornis. Daarnaast is de jeugdbeschermer nalatig geweest in de afsluiting van de door haar geboden hulpverlening en heeft zij meerdere e-mailberichten gedurende de zomervakantie van 2018 en de periode daarna niet (tijdig) beantwoord. Het College acht artikel 4.1.3 lid 2 en 5 van de Jeugdwet en artikelen A (Jeugdige client tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), G (Overeenstemming/Instemming over de hulp- en dienstverlening) en I (Beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden.

Het College legt de maatregel van waarschuwing op en overweegt daartoe als volgt. Het College houdt rekening met het gegeven dat de jeugdbeschermer meermaals deze casus intern heeft aangekaart en dat zij om bijstand van een tweede jeugdbeschermer heeft verzocht, wat door de GI niet direct is toegewezen. In het geval een dergelijk verzoek niet direct gehonoreerd wordt, wijst het College de jeugdbeschermer op haar eigen verantwoordelijkheid, als zijnde de aangewezen jeugdbeschermer. Het is dan aan de jeugdbeschermer om zich te blijven inzetten een constructieve samenwerking aan te gaan met de betrokkenen. Het College acht het desondanks voldoende aannemelijk geworden dat de jeugdbeschermer zich het verloop van de casus heeft aangetrokken en hieruit lering heeft getrokken.

lees verder

Klagers – tante en oom van twee broers – starten een tweede tuchtprocedure tegen de voogd van de oudste broer. De drie klachtonderdelen gaan over het nog steeds niet tot stand brengen van contact tussen de broers, over het contact tussen de oudste broer en zijn vader en het niet regelen van de zorg voor de oudste broer op het moment van meerderjarig worden (het mentorschap). De klachten worden ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 18.184T
Datum beslissing: 27 mei 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers zijn de tante en oom van twee broers. Zij dienen tegen de jeugdprofessional drie klachtonderdelen in die gaan over zijn uitvoering van de voogdijmaatregel van de oudste broer. Deze woonde tot aan zijn (inmiddels) meerderjarigheid bij gezinshuisouders. Het is de tweede tuchtprocedure die zij tegen de jeugdprofessional voeren. Deze drie klachtonderdelen gaan over de periode na de eerdere beslissing van het College van Beroep van SKJ tot aan de meerderjarigheid van de oudste broer. De jongste broer woont bij de tante en oom.

In klachtonderdeel I wordt de jeugdprofessional verweten dat hij nog steeds niets bijdraagt aan het tot stand laten komen van het contact tussen de broers, omdat een voorstel tot contact van de tante en oom niet gerealiseerd wordt. Het College heeft oog voor het belang van het realiseren van deze contactmomenten zo ook dat de jeugdprofessional moet handelen overeenkomstig de inhoud van de eerdere tuchtrechtelijke uitspraken. Echter niet is gebleken dat de jeugdprofessional zich niet heeft ingezet om het voorgestelde contactmoment te realiseren. Daarnaast zat er een korte tijdspanne tussen het voorstel en het contactmoment. Ook acht het College het verzoek – gelet op de onderlinge familieverhouding – onvoldoende neutraal. Tot slot overweegt het College dat, in lijn met de bedoelingen van de Jeugdwet, de wens van de bijna meerderjarige oudste zoon zwaar dient te wegen en gerespecteerd dient te worden. Hij heeft een licht verstandelijke beperking en een stoornis in het autisme-spectrum. De aard van de problematiek vergt naar het oordeel van het College eens te meer dat met zijn wensen rekening wordt gehouden waar het de inrichting van de ontmoetingen betreft en hij wilde dat de vader met het contactmoment zou instemmen. Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel II gaat over het contact tussen de oudste broer en de vader. Volgens de tante en oom houdt de jeugdprofessional dat in stand, ondanks de eerdere beslissing hierover van het College van Beroep van SKJ. Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond, omdat het voldoende aannemelijk wordt geacht dat de jeugdprofessional geen mogelijkheden heeft gehad de contacten tussen de vader en de oudste broer op een andere wijze vorm te geven.
In klachtonderdeel III wordt de jeugdprofessional verweten dat hij niet aan de verplichting heeft voldaan om voldoende zorg te regelen op het moment dat de oudste broer meerderjarig werd. Ook dit klachtonderdeel verklaart het College ongegrond. De procedure rondom het mentorschap is namelijk bij de rechtbank door diverse oorzaken vertraagd. Dit valt buiten de invloedssfeer van de jeugdprofessional.

lees verder

Klacht tegen jeugdhulpverlener over een verkeerde beoordeling van het belang van de zoon, de opzet van het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel, de wijze van hulpverlening en de tegenstrijdigheden in het verzoek. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.185T
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de wijze waarop beklaagde het gedrag van de zoon heeft beschreven in het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel. Het College oordeelt dat beklaagde zich heeft mogen baseren op de informatie van Veilig Thuis en het telefoongesprek met moeder. Niet het gedrag van de zoon maar de houding van moeder is voor beklaagde aanleiding geweest voor het voornemen om een verzoek in te dienen. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld in het belang van de zoon.
Het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel is door beklaagde uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd.
De stellingen van klager over de wijze van hulpverlening zijn feitelijk onjuist. Het College constateert ook dat de voorbeelden die klager aanhaalt niet duiden op tegenstrijdigheden. De hulpverlening had betrekking op meerdere factoren. Het is begrijpelijk dat beklaagde meer dan één conclusie heeft getrokken.
Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen gezinsspecialist die heeft nagelaten om de identiteit van de zoon van klaagster te controleren bij de start van een gesprek. Artikel J van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerkers is geschonden. Beklaagde heeft vervolgens zorgvuldig en adequaat gehandeld. De klacht is deels gegrond. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.212T
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: de klacht is deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is benaderd door een vertrouwenspersoon van school om in gesprek te gaan met een leerling naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld. Zij is naar school gegaan en heeft van de conciërge een verkeerd lokaalnummer gekregen waar zich echter wel een leerling bevond die fonetisch dezelfde voornaam had. Beklaagde heeft de zoon van klaagster meegenomen in plaats van de leerling waar de melding betrekking op had. Zij had gelet op de vertrouwelijkheid van het gesprek bij de start van het gesprek moeten nagaan of zij de juiste persoon voor zich had. Zij heeft in strijd gehandeld met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Beklaagde heeft zorgvuldig en adequaat gehandeld door tijdig het gesprek met de zoon te stoppen en contact op te nemen met de vertrouwenspersoon en de melder. Beklaagde heeft direct nadat de fout was ontdekt, de situatie uitgelegd aan de zoon van klaagster en excuses aangeboden.
Het College houdt rekening met het feit dat het gaat om een eenmalige misslag. Ook heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen, heeft zij haar werkwijze aangepast en haar ervaring gedeeld met haar collega’s. Op grond van deze omstandigheden ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen een jeugdprofessional over het door hem opgestelde verzoekschrift tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de zoon en het onbeantwoord laten van per e-mail gestelde vragen over genoemd verzoekschrift. De twee klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 17.121T-TV
Datum beslissing: 24 mei 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van een thans meerderjarige zoon dient een klacht met vijf onderdelen in tegen een jeugdprofessional van de GI. De moeder is in zaaknummer 17.121T door het College van Toezicht niet-ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift. Bij beslissing van het College van Beroep in zaaknummer 18.008B is de moeder alsnog ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift en is de zaak terugverwezen naar het College van Toezicht met het verzoek het klaagschrift en het verweerschrift in eerste aanleg te behandelen. In deze procedure, 17.121T-TV, zijn de vijf klachtonderdelen door het College samengevoegd en teruggebracht tot twee klachtonderdelen.

De jeugdprofessional is aanvankelijk in het vrijwillige kader betrokken geweest en is sinds de ondertoezichtstelling van de zoon belast met de uitvoering hiervan. Gedurende de betrokkenheid van de jeugdprofessional wordt de zoon uit huis geplaatst. Deze samenvatting gaat in op beide klachtonderdelen die door het College ongegrond zijn verklaard.

In klachtonderdeel I wordt de jeugdprofessional verweten dat hij in het verzoekschrift tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing de van belang zijnde feiten niet naar waarheid bij de rechter heeft aangevoerd. Het College acht dit verwijt verstrekkend en grievend en oordeelt dat het op de weg van de moeder ligt om een dergelijk verwijt voldoende te onderbouwen, in die zin dat relevante stukken dienen te worden overgelegd waaruit blijkt dat het verzoekschrift onwaarheden bevat. Ook dient de moeder aan te geven welke passages onwaar zijn. Daartoe verwijst het College naar de beslissing van het College van Toezicht d.d. 30 november 2018, zaaknummer 18.024T, overweging 3.5.4. De moeder heeft echter geen onderbouwende stukken overgelegd waaruit blijkt dat  het verzoekschrift onwaarheden bevat. Evenmin is voldoende concreet gemaakt welke passages in het verzoekschrift onwaar zouden zijn. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional met voldoende onderbouwing aangevoerd dat hij zich in het verzoekschrift gebaseerd heeft op het verhaal van de zoon en daarnaast meerdere bronnen als uitgangspunt genomen heeft. Het College concludeert dan ook dat de jeugdprofessional met het opstellen van het verzoekschrift is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Klachtonderdeel II gaat over het onbeantwoord laten van een e-mail van de gemachtigde van de moeder, waarin vragen zijn gesteld over genoemd verzoekschrift. Het College stelt vast dat het contact tussen de moeder en de jeugdprofessional zeer moeizaam is verlopen, met name vanwege de opstelling en schriftelijke uitingen van de moeder. Gelet op de ontstane situatie tussen partijen acht het College het in dit specifieke geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de vragen van de moeder onbeantwoord zijn gebleven. Zo heeft de jeugdprofessional per e-mail voorgesteld om het inmiddels ingezette traject bij de kinderombudsman af te wachten en tevens is de gemachtigde van de moeder door de teammanager van de jeugdprofessional verzocht zich voortaan tot haar te richten.

lees verder

Een klacht tegen een jeugdzorgwerker. Zij heeft (samen met een collega) onvoldoende de regie genomen en heeft daardoor de mogelijkheid tot eventueel contactherstel tussen de moeder en de dochter onvoldoende opgepakt en onderzocht. Artikelen E, G en N van de Beroepscode zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.183Ta
Datum beslissing: 22 mei 2019
Oordeel: Klachtonderdeel I gegrond; Klachtonderdeel II en III ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van drie minderjarige kinderen dient een klacht met drie onderdelen in tegen de jeugdzorgwerker en haar collega (gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling). Samengevat hebben de klachten betrekking op het niet in gang zetten van het contactherstel tussen de moeder en de dochter en op de informatievoorziening richting de moeder. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I.

De moeder verwijt de jeugdzorgwerker in dat klachtonderdeel dat zij de afgelopen jaren niets heeft gedaan om contactherstel tussen haar en de dochter mogelijk te maken. Het College stelt vast dat als voorwaarde voor contactherstel gesteld is dat de moeder zich psychodiagnostisch diende te laten onderzoeken. De moeder heeft kenbaar gemaakt dat zij verschillende instellingen benaderd heeft en hierover de uitkomsten steeds teruggekoppeld heeft. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder ontkende problemen te ondervinden waardoor de door haar benaderde instellingen haar, zonder hulpvraag, niet verder konden begeleiden en/of behandelen. Volgens het College heeft de jeugdzorgwerker de verantwoordelijkheid om – in het belang van de ontwikkeling van de dochter (en de twee zoons) – voldoende duidelijk te maken wat van de moeder verwacht wordt en werd om de mogelijkheden tot contactherstel te kunnen onderzoeken. De jeugdzorgwerker heeft gedurende de ondertoezichtstelling slechts steeds kenbaar gemaakt dat de moeder zich persoonlijk diende te laten onderzoeken, ook nadat zij zich reeds tot meerdere instellingen gewend had. Het College is van oordeel dat de jeugdzorgwerker met deze terugkoppeling niet heeft mogen volstaan. Nadat de instellingen kenbaar maakten dat de moeder geen hulpvraag had, had het op de weg van de jeugdzorgwerker gelegen, als zijnde regiehouder in deze casus, om samen met de moeder passende onderzoeksvragen op te stellen en eventueel in constructief contact te treden met geschikte instellingen. Doordat dit is nagelaten, is het voor de moeder onvoldoende duidelijk geweest waar zij aan moest voldoen. De jeugdzorgwerker bleef immers volharden in het laten uitvoeren van een persoonlijk onderzoek, terwijl concrete onderzoeksvragen hiertoe ontbraken. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdzorgwerker deze impasse vanaf 2015 te lang laten voortduren, waardoor het perspectief op mogelijk contactherstel in het gedrang is gekomen. Het College acht artikelen E (respect), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

Het College legt aan de jeugdzorgwerker de maatregel van waarschuwing op. 

lees verder

Een klacht tegen een jeugdzorgwerker. Hij heeft (samen met een collega) onvoldoende de regie genomen en heeft daardoor de mogelijkheid tot eventueel contactherstel tussen de moeder en de dochter onvoldoende opgepakt en onderzocht. Artikelen E, G en N van de Beroepscode zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.183Tb
Datum beslissing: 22 mei 2019
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond; klachtonderdeel II en III ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van drie minderjarige kinderen dient een klacht met drie onderdelen in tegen de jeugdzorgwerker en haar collega (gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling). Samengevat hebben de klachten betrekking op het niet in gang zetten van het contactherstel tussen de moeder en de dochter en op de informatievoorziening richting de moeder. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I.

De moeder verwijt de jeugdzorgwerker in dat klachtonderdeel dat hij de afgelopen jaren niets heeft gedaan om contactherstel tussen haar en de dochter mogelijk te maken. Het College stelt vast dat als voorwaarde voor contactherstel gesteld is dat de moeder zich psychodiagnostisch diende te laten onderzoeken. De moeder heeft kenbaar gemaakt dat zij verschillende instellingen benaderd heeft en hierover de uitkomsten steeds teruggekoppeld heeft. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder ontkende problemen te ondervinden waardoor de door haar benaderde instellingen haar, zonder hulpvraag, niet verder konden begeleiden en/of behandelen. Volgens het College heeft de jeugdzorgwerker de verantwoordelijkheid om – in het belang van de ontwikkeling van de dochter (en de twee zoons) – voldoende duidelijk te maken wat van de moeder verwacht wordt en werd om de mogelijkheden tot contactherstel te kunnen onderzoeken. De jeugdzorgwerker heeft gedurende de ondertoezichtstelling slechts steeds kenbaar gemaakt dat de moeder zich persoonlijk diende te laten onderzoeken, ook nadat zij zich reeds tot meerdere instellingen gewend had. Het College is van oordeel dat de jeugdzorgwerker met deze terugkoppeling niet heeft mogen volstaan. Nadat de instellingen kenbaar maakten dat de moeder geen hulpvraag had, had het op de weg van de jeugdzorgwerker gelegen, als zijnde regiehouder in deze casus, om samen met de moeder passende onderzoeksvragen op te stellen en eventueel in constructief contact te treden met geschikte instellingen. Doordat dit is nagelaten, is het voor de moeder onvoldoende duidelijk geweest waar zij aan moest voldoen. De jeugdzorgwerker bleef immers volharden in het laten uitvoeren van een persoonlijk onderzoek, terwijl concrete onderzoeksvragen hiertoe ontbraken. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdzorgwerker deze impasse vanaf 2015 te lang laten voortduren, waardoor het perspectief op mogelijk contactherstel in het gedrang is gekomen. Het College acht artikelen E (respect), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en N (samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

Het College legt aan de jeugdzorgwerker de maatregel van waarschuwing op.

lees verder

Klacht tegen een maatschappelijk werker van Veilig Thuis over zijn handelwijze en het door hem opgestelde eindverslag. Het College verklaart meerdere klachtonderdelen gegrond. Onder meer is het eindverslag niet voldoende objectief opgesteld en noodzakelijke informatie is hierin niet opgenomen. Het College legt de maatregel van waarschuwing op.

Zaaknummer: 19.301T
Datum beslissing: 22 mei 2019
Oordeel: klaagster is niet-ontvankelijk in klachtonderdeel II, voor het overige is de klacht deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Samenvatting:
De moeder van twee minderjarige kinderen dient een klacht met acht onderdelen in tegen een maatschappelijk werker van Veilig Thuis. De jeugdprofessional is belast geweest met het doen van het onderzoek namens Veilig Thuis. De acht klachtonderdelen hebben, kort gezegd, betrekking op de handelwijze van de jeugdprofessional en op het door hem opgestelde eindverslag. In deze samenvatting wordt ingegaan op de gegrond verklaarde klachtonderdelen: I, III, IV, V en VIII.

Het College overweegt in het kader van klachtonderdelen I, III en V dat de jeugdprofessional gedurende het onderzoek van Veilig Thuis de onderzoeksvragen uit het plan van aanpak en daarmee de overstijgende onderzoeksvraag, of sprake is van een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling, onbeantwoord heeft gelaten. Tevens oordeelt het College dat het eindverslag niet voldoende objectief is opgesteld door de jeugdprofessional en dat er noodzakelijke informatie in het eindverslag ontbreekt. Met betrekking tot klachtonderdeel IV oordeelt het College dat de opgenomen conclusie in het eindverslag – waarin het uitbreiden van de omgang tussen de vader en de kinderen als een verplichting wordt omschreven – niet in lijn is met de wettelijke taken en bevoegdheden van Veilig Thuis. Tot slot heeft het oordeel in klachtonderdeel VIII betrekking op stellige en ongepaste opgenomen termen in het eindverslag (kindermishandeling en oudervervreemding), hetgeen het College onvoldoende professional acht.

Artikelen 8.1, 8.3.1, 8.4.8, 10.1 en 10.2 van het Handelingsprotocol Veilig Thuis en artikelen A (jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), K (vermoeden kindermishandeling) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode acht het College geschonden.

De jeugdprofessional heeft gereflecteerd op zijn handelen en erkend dat hij in de toekomst bepaalde punten anders zou aanpakken. Ook heeft hij zijn handelen in deze zaak meermaals multidisciplinair laten toetsen. Het College houdt rekening met het gegeven dat de jeugdprofessional (in multidisciplinair overleg) onvoldoende is bijgestuurd door zijn collega’s, maar wijst de jeugdprofessional in dit kader op de eigen verantwoordelijkheid van een geregistreerd jeugdprofessional. Het College acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

Het College wijst er ten overvloede op dat informatie zoals opgenomen in documentatie, afkomstig van een hulpverlener of hulpverlenende instantie, langdurige en mogelijk ernstige gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Het is belangrijk dat een jeugdprofessional zich hiervan bewust is en mede met het oog hierop informatie over (een) cliënte(n) zorgvuldig documenteert c.q. doorgeeft aan andere instanties.

lees verder

Moeder heeft met tussenkomst van een professioneel gemachtigde een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift bevat echter niet de gronden van het beroep. Het College van Beroep kan niet anders dan appellante niet-ontvankelijk verklaren in het beroep en komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen.

Zaaknummer: 19.003Ba (18.076Ta)
Datum beslissing: 20 mei 2019
Oordeel: niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Op grond van het Tuchtreglement dient het beroepschrift in ieder geval de gronden van het beroep te bevatten. Onder de gronden wordt verstaan dat een appellant in het beroepschrift tenminste aangeeft dat hij het niet eens is met het oordeel van het College van Toezicht en om welke reden niet. De (gemachtigde van de) moeder is er per e-mailbericht op gewezen waar het beroepschrift (in ieder geval) aan dient te voldoen en zijn handvatten gegeven voor de wijze waarop het beroepschrift gestructureerd kon worden. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de (gemachtigde van de) moeder zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep. Bij de mondelinge behandeling van de klacht is volgens haar veel besproken, maar dit is niet terug te lezen in de beslissing. De moeder heeft getracht in haar beroepschrift kenbaar te maken dat de beoordeling van de klachtonderdelen door het College van Toezicht niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft ook betwist dat hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet is terug te lezen in de beslissing. Daarnaast stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat zowel tijdens de mondelinge behandeling van het beroep als in het beroepschrift niet nader is onderbouwd op welke onderdelen het College van Toezicht de klachtonderdelen niet juist zou hebben beoordeeld.

Het College van Beroep overweegt dat uit het aanvullende beroepschrift niet blijkt welke informatie die naar voren is gekomen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het College van Toezicht, niet is opgenomen in de bestreden beslissing. Ook anderszins is naar het oordeel van het College van Beroep niet gebleken op welke punten de moeder het niet eens is met de beslissing van het College van Toezicht. De gronden van het beroep ontbreken aldus. Het College van Beroep merkt nog wel op dat het betreurt dat de moeder, hoewel vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, een beroepschrift heeft ingediend dat niet voldoet aan de eisen van het Tuchtreglement. Hierdoor komt het College van Beroep niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen, maar kan niet anders dan het ingestelde beroep en daarmee de moeder niet-ontvankelijk te verklaren.

lees verder

Moeder heeft met tussenkomst van een professioneel gemachtigde een beroepschrift ingediend. Het beroepschrift bevat echter niet de gronden van het beroep. Het College van Beroep kan niet anders dan appellante niet-ontvankelijk verklaren in het beroep en komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen.

Zaaknummer: 19.003Bb (18.076Tb)
Datum beslissing: 20 mei 2019
Oordeel: niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Op grond van het Tuchtreglement dient het beroepschrift in ieder geval de gronden van het beroep te bevatten. Onder de gronden wordt verstaan dat een appellant in het beroepschrift tenminste aangeeft dat hij het niet eens is met het oordeel van het College van Toezicht en om welke reden niet. De (gemachtigde van de) moeder is er per e-mailbericht op gewezen waar het beroepschrift (in ieder geval) aan dient te voldoen en zijn handvatten gegeven voor de wijze waarop het beroepschrift gestructureerd kon worden. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de (gemachtigde van de) moeder zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in het beroep. Bij de mondelinge behandeling van de klacht is volgens haar veel besproken, maar dit is niet terug te lezen in de beslissing. De moeder heeft getracht in haar beroepschrift kenbaar te maken dat de beoordeling van de klachtonderdelen door het College van Toezicht niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft ook betwist dat hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet is terug te lezen in de beslissing. Daarnaast stelt de jeugdprofessional zich op het standpunt dat zowel tijdens de mondelinge behandeling van het beroep als in het beroepschrift niet nader is onderbouwd op welke onderdelen het College van Toezicht de klachtonderdelen niet juist zou hebben beoordeeld.

Het College van Beroep overweegt dat uit het aanvullende beroepschrift niet blijkt welke informatie die naar voren is gekomen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het College van Toezicht, niet is opgenomen in de bestreden beslissing. Ook anderszins is naar het oordeel van het College van Beroep niet gebleken op welke punten de moeder het niet eens is met de beslissing van het College van Toezicht. De gronden van het beroep ontbreken aldus. Het College van Beroep merkt nog wel op dat het betreurt dat de moeder, hoewel vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde, een beroepschrift heeft ingediend dat niet voldoet aan de eisen van het Tuchtreglement. Hierdoor komt het College van Beroep niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen, maar kan niet anders dan het ingestelde beroep en daarmee de moeder niet-ontvankelijk te verklaren.

lees verder

Klacht tegen de jeugdbeschermer over het voeren van een eenzijdig dossier, het niet neutraal opstellen naar vader toe en een onheuse bejegening. Tevens wordt geklaagd dat er onvoldoende informatie over de kinderen is verstrekt en dat er onvoldoende hulpverlening voor hen is ingezet. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.159T
Datum beslissing: 2 mei 2019
Oordeel: Klachtonderdelen I en IV gegrond; klachtonderdelen II en V ongegrond; klager deels niet-ontvankelijk in klachtonderdeel III
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van twee minderjarige kinderen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld. De vader heeft vijf klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de gegrond bevonden klachtonderdelen I en IV.

De vader verwijt de jeugdbeschermer in klachtonderdeel I dat zij het vertrouwen van de vader heeft geschonden door bewust, dan wel onbewust, onwaarheden op te nemen in het dossier. Het College is van oordeel dat niet zozeer is komen vast te staan dat de jeugdbeschermer bewust, dan wel onbewust, onwaarheden in het dossier heeft opgenomen, maar dat de jeugdbeschermer op z’n minst op een aantal punten zorgvuldiger te werk had moeten gaan. Zij heeft onvoldoende overeenstemming met, dan wel instemming van de vader gezocht en daarmee het vertrouwen in de jeugdhulp geschonden. Naar het oordeel van het College levert dit een schending op van artikel D (Bevorderen van vertrouwen in de jeugdhulp) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

In klachtonderdeel IV verwijt de vader de jeugdbeschermer dat zij geen of onvoldoende hulpverlening heeft ingezet voor de kinderen. Het College overweegt dat er aan het begin van de ondertoezichtstelling wel getracht is hulpverlening in te zetten maar dat dit gezien het doel van de ondertoezichtstelling en de aanvaardbare termijn van negen maanden onvoldoende voortvarend is opgepakt. Een jeugdprofessional dient, als deskundige, zijn beroep uit te voeren op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op ontwikkelingen in de jeugdhulp. De jeugdbeschermer had behoren te weten dat de aangezochte hulpverlening niet geschikt was in deze casus. Nu dit pas gaandeweg is gebleken, zijn er naar het oordeel van het College waardevolle maanden verloren gegaan. Het College acht het voorts onnavolgbaar dat de jeugdbeschermer in de periode van mei tot oktober 2018 de kinderen niet heeft bezocht, omdat dat voor hen te belastend zou zijn. Dat hierover kennelijk in samenspraak met de ouders een afspraak is gemaakt, neemt niet weg dat de jeugdbeschermer in het kader van een ondertoezichtstelling tot taak heeft de kinderen te begeleiden en te ondersteunen en hun welzijn in de gaten te houden. Net als bij het eerste klachtonderdeel is het College van oordeel dat artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp) en artikel G (Overeenstemming/afstemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden zijn.

Nu klachtonderdelen I en VI gegrond zijn verklaard, de jeugdbeschermer op meerdere punten verwijtbaar is tekortgeschoten en zich weinig reflectief heeft getoond, acht het College het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klaagster (gemeente) verwijt de casemanager (beklaagde) van het jeugdteam dat hij niet heeft gehandeld na zorgelijke signalen, dat hij de gedragswetenschapper niet betrokken heeft bij een kernbeslissing, en dat hij dossiers niet op orde had. Het College heeft het beroep van beklaagde op de niet-ontvankelijkheid van klaagster verworpen. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.134T
Datum beslissing: 15 april 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is een gemeente, die klaagt over de casemanager van het jeugdteam, die daar op detacheringsbasis heeft gewerkt. Klaagster heeft drie casussen aangedragen waaruit zou blijken dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Volgens beklaagde is klaagster niet-ontvankelijk: zij kan niet als belanghebbende worden aangemerkt, omdat zij alleen als opdrachtgever betrokken is geweest en geen inhoudelijke kennis heeft van de uitvoering van de werkzaamheden van beklaagde. Op grond van artikel 3.2 van het Tuchtreglement van SKJ kan een belanghebbende, die meent dat een jeugdprofessional de algemene tuchtnorm overtreedt, hiertegen een klacht indienen bij het College. In artikel 1 van het Tuchtreglement is bepaald dat een belanghebbende is: ‘elke (rechts)persoon die een direct of indirect belang heeft bij het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional’. Sinds 1 januari 2015 zijn gemeentes verantwoordelijk voor bijna alle vormen van jeugdhulp. De gemeentelijke taken zijn vastgelegd in de Jeugdwet. Eén van de taken is dat een gemeente jeugdhulpaanbieders van goede kwaliteit aanbiedt. In het kader van de genoemde verantwoordelijkheid en de taak van de gemeente concludeert het College dat klaagster aangemerkt kan worden als belanghebbende.

Klaagster heeft naar het oordeel van het College geen van de verwijten aan het adres van beklaagde voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Beklaagde heeft alle aantijgingen gemotiveerd betwist. Zo ook het verwijt dat hij een kernbeslissing niet heeft afgestemd met de gedragswetenschapper. Beklaagde heeft de beslissing besproken tijdens de caseloadbespreking. Hij heeft onweersproken verklaard dat de gedragswetenschapper hierbij aanwezig was en dat nimmer aan de orde is geweest of de beslissing een kernbeslissing was. Ten aanzien van de derde casus dat beklaagde niets gedaan zou hebben met afgegeven signalen over een minderjarige, overweegt het College dat niet met zekerheid is vast te stellen dat klaagster en beklaagde doelen op dezelfde casus. Voor zover het wel over dezelfde casus gaat, is het College niet duidelijk geworden welke feiten ten grondslag liggen aan de klacht. In alle drie de casussen heeft klaagster gesteld dat er amper aan dossiervorming is gedaan en dat wat er niet is, ook niet aangetoond kan worden. Beklaagde heeft gemotiveerd betwist dat de dossiers niet op orde zouden zijn. Hij kan niets meer aantonen nu hij niet langer werkzaam is voor klaagster. Het College kan dan ook niet vaststellen dat beklaagde de dossiers niet conform de beroepsstandaard zou hebben vastgelegd.

Beklaagde heeft verklaard dat hij een onderhoud met klaagster op prijs had gesteld. Klaagster heeft ter zitting gesteld dat een gesprek met beklaagde is overwogen, maar na advies gekozen te hebben voor een tuchtprocedure. Haar doel is bereikt nu beklaagde in zijn verweer heeft gereflecteerd op zijn handelen. Het College overweegt echter dat van een klager mag worden verwacht dat van het tuchtrecht pas gebruik wordt gemaakt wanneer een minder ingrijpend middel niet toereikend is om het door klager gestelde doel te bereiken.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer (beklaagde) over meerdere aspecten rondom de ondertoezichtstelling. Beklaagde heeft voldoende regie genomen binnen de ondertoezichtstelling en de (soms vele) vragen van klager voldoende beantwoord. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.162T
Datum beslissing: 15 april 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager, de vader van drie minderjarige kinderen, heeft tegen een jeugdbeschermer twee klachtonderdelen ingediend. Klager verwijt beklaagde dat hij onvoldoende regie heeft genomen binnen de ondertoezichtstelling, dat hij onvoldoende antwoord heeft gegeven op vragen van klager en dat hij zijn beslissingen onvoldoende kan uitleggen en onderbouwen.
Het College oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn voor klagers stelling dat beklaagde geen regie heeft genomen binnen de ondertoezichtstelling. Het College kan zich voorstellen dat de beslissingen van beklaagde niet altijd overeen kwamen met wat klager voor ogen had, maar dat betekent niet dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Het College stelt voorts vast dat uit het dossier is gebleken dat klager met enige regelmaat (per e-mail) veel vragen aan beklaagde heeft gesteld en dat de communicatiestijl van klager en beklaagde sterk verschilt. Waar klager grote behoefte heeft aan structuur, helderheid en informatie over het proces, is beklaagde meer gericht op de uitvoering. Het College volgt het verweer van beklaagde op het punt dat niet alle door klager gestelde vragen voor antwoord vatbaar waren. Het College waardeert het voorts dat beklaagde in zijn vrije tijd veel vragen van klager heeft beantwoord, maar hierdoor heeft hij zichzelf te weinig tijd gegeven om de vragen zorgvuldig te beantwoorden. Hij had het ook duidelijk kunnen aangeven als het niet mogelijk was om een vraag te beantwoorden. Dat het handelen van beklaagde mogelijk beter had gekund, betekent echter niet dat beklaagde hiermee ook tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde heeft de vragen van klager voldoende beantwoord en heeft zijn beslissingen voldoende uitgelegd en onderbouwd. Beklaagde is met zijn handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.
Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over uitlatingen over de omgang die hij als zittingsvertegenwoordiger heeft gedaan tijdens een zitting bij het gerechtshof. De voorzitter verklaart de klachten kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.018Ta
Datum beslissing: 29 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De voorzitter overweegt dat uit de klachtbeslissing van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat de raadsonderzoeker kenbaar heeft willen maken dat hij geen persoonlijk overleg met zijn collega’s heeft gehad. Hij is als zittingsvertegenwoordiger niet verplicht om vooraf te overleggen met de collega’s die het rapport hebben opgesteld.
Het is begrijpelijk dat de raadsonderzoeker op basis van de informatie die hij tijdens de zitting heeft verkregen, de adviezen heeft aangepast. Klaagster heeft tot slot geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde heeft beweerd dat hij niets heeft aangegeven over de omgang omdat de reactie van klaagster op het advies zou ontbreken.
De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

lees verder

Klacht tegen een voormalige betrokken gezinsvoogd over haar handelen ten tijde van haar betrokkenheid.

Zaaknummer: 18.150T
Datum beslissing: 28 maart 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de voormalige gezinsvoogd vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde dat zij partijdig is en optreedt als belangenbehartiger van vader, in plaats van als gezinsvoogd voor de dochter. Hier heeft klaagster een drietal voorbeelden aangehaald. Ten tweede stelt klaagster dat beklaagde bij herhaling onjuiste informatie over haar aan de rechtbank en andere instanties heeft verstrekt waardoor er een negatief beeld over haar als moeder is ontstaan. Hier heeft klaagster twee voorbeelden benoemd. Het derde klachtonderdeel is een herhaling van waar in klachtonderdeel I over is geoordeeld. Tot slot verwijt klaagster in klachtonderdeel vier beklaagde dat zij onterecht opmerkingen en (klacht)gesprekken van haar gebruikt als gronden voor het beëindigen van de ondertoezichtstelling. Zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde gemotiveerd verweer gevoerd. Het College heeft alles overziend geoordeeld dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

lees verder

Klacht tegen een jeugd- en gezinswerker over meerdere aspecten rondom de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Er is in strijd gehandeld met wettelijke bepalingen en meerdere artikelen uit de Beroepscode. De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

Zaaknummer: 18.137T
Datum beslissing: 28 maart 2019
Oordeel: klachtonderdeel I, II, het tweede en derde gedeelte, II en IV, het eerste gedeelte, ongegrond; klachtonderdeel II, het eerste gedeelte en IV, het tweede en derde gedeelte, gegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder dient vier klachtonderdelen in tegen een jeugd- en gezinswerker die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Deze samenvatting gaat in op het eerste gedeelte van klachtonderdelen I en II en het tweede en derde gedeelte van klachtonderdeel IV.

In het eerste gedeelte van klachtonderdeel I wordt de jeugd- en gezinswerker verweten dat zij vertrouwelijke informatie over de zoon met een omgangshuis heeft gedeeld. Het College volgt het verweer van de jeugd- en gezinswerker en oordeelt, verwijzend naar artikel 7.3.11 van de Jeugdwet en de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet, dat het ingezette traject jeugdhulp betreft en dat de jeugd- en gezinswerker zonder toestemming van de betrokkenen inlichtingen aan het omgangshuis mocht verstrekken. Het College is van oordeel dat de verstrekte inlichtingen algemeen van aard zijn en proportioneel aan het doel waarvoor het verstrekt is. Het College wijst er evenwel op dat het de aanbeveling verdient, voor zover mogelijk, toestemming van betrokkenen te verkrijgen voor het verstrekken van informatie.

In het eerste gedeelte van klachtonderdeel II wordt de jeugd- en gezinswerker verweten dat zij niet het volledige dossier aan de moeder heeft verstrekt. De jeugd- en gezinswerker heeft erkend dat aan de moeder geen verslaglegging van multidisciplinaire overleggen verstrekt zijn. Het College overweegt dat op grond van de toelichting op artikel 11, eerste lid, van het Privacyreglement gecertificeerde instelling, in principe alle persoonsgegevens die de client betreffen onder het inzagerecht vallen, dus ook verslaglegging van multidisciplinaire overleggen. Het College acht de onvolledige verstrekking van het dossier aan de moeder niet in lijn met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en in strijd met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) en artikel B (bevordering deskundigheid) van de Beroepscode.

Het tweede en derde gedeelte van klachtonderdeel IV richten zich samengevat op de wijze van communiceren door de jeugd- en gezinswerker. De jeugd- en gezinswerker erkent dat zij te voorbarig is geweest in de communicatie met de moeder. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie concludeert het College dat de jeugd- en gezinswerker onvoldoende met de moeder heeft afgestemd over de redenen van het kennelijk niet door kunnen gaan van de omgang tussen de vader en de zoon. De jeugd- en gezinswerker heeft toegelicht dat er op dat moment al wederzijdse irritaties bestonden. Het College ziet het echter als taak van een jeugdprofessional om de werkrelatie met cliënten niet te laten beïnvloeden door mogelijke persoonlijke irritaties. Ook is het College van oordeel dat de jeugd- en gezinswerker in een ander e-mailbericht tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft, omdat zij hierin de eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie van de moeder onvoldoende gerespecteerd heeft. Artikel E (respect) van de Beroepscode acht het College geschonden.

Het College acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

lees verder

Beklaagde pedagoog heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als jeugdprofessional. Van een professionele relatie was geen sprake. Zij bood slechts een luisterend oor aan de zoon. Ook is de Beroepscode NVO niet van toepassing. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk op haar rol gewezen en zich op geen enkele wijze gemanifesteerd als pedagoog.

Zaaknummer: 18.136T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht richt zich tegen een beklaagde die werkzaam is als pedagoog. Zij kent de 14 jarige zoon van klager omdat deze sinds de kleuterschool bevriend is met haar zoon. Op initiatief van de zoon van klager heeft beklaagde een aantal keer met hem gesproken. Volgens klager zijn deze gesprekken zonder klagers toestemming gevoerd. Beklaagde heeft steeds nadrukkelijk aangegeven dat zij de zoon slechts een luisterend oor kon bieden maar dat zij dit niet als professional deed. Volgens het College is geen sprake geweest van een behandelrelatie of professionele relatie. Beklaagde heeft gehandeld in de privé-sfeer en niet als pedagoog/jeugdprofessional. Privé-handelen valt in principe niet onder het tuchtrecht. Dit zou anders zijn als dat privé-handelen niet los gezien kan worden van haar beroep als pedagoog en waarbij dit handelen voldoende weerslag kan hebben op professionele relaties. Gezien het handelen van beklaagde is die situatie volgens het College niet aan de orde. Ook ziet het College geen aanknopingspunten dat beklaagde zich op enigerlei wijze zou hebben gemanifesteerd als pedagoog zoals staat beschreven in artikel 1.4 van de Beroepscode NVO. Nu beklaagde heeft gehandeld in de privésfeer en niet als pedagoog concludeert het College dat haar handelen niet onder het tuchtrecht valt en dat zij daarmee niet onderworpen is aan de algemene tuchtnorm van artikel 3.1 van het Tuchtreglement. Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht waardoor het College aan de inhoudelijke beoordeling van de klacht niet toekomt.

lees verder

Klacht tegen de ambulant spoedhulpverlener over onder andere het eindverslag, dat geschreven is zonder dat beklaagde klaagster en de zoon gesproken heeft en dat beklaagde zonder enige aanleiding de betrokken instelling in het drangkader heeft geïnformeerd over de zorgen over de zoon, waarna een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon is ingediend.

Zaaknummer: 18.130T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon en oefent het gezag uit over de zoon. De zoon is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft drie klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I en III.
Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij een eindverslag geschreven heeft over klaagster en de zoon, zonder dat zij in gesprek is gegaan met klaagster, of de zoon heeft gezien. Beklaagde heeft verklaard dat zij in de periode dat zij als ambulante spoedhulpverlener betrokken was, zowel telefonisch als via WhatsApp contact onderhield met klaagster. Het College kan klaagster dan ook niet volgen in haar klacht dat beklaagde een verslag heeft geschreven zonder dat zij klaagster heeft gezien. Dat beklaagde de zoon niet heeft ontmoet, kan volgens het College liggen aan de relatief korte tijd dat beklaagde bij het gezin van klaagster betrokken is geweest.
In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder enige aanleiding via een andere instelling een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon heeft ingediend zonder samenwerking of een gesprek met klaagster. Het College overweegt dat er zorgen waren over klaagster en de zoon en dat deze zorgen binnen een aantal dagen snel toenamen. Beklaagde heeft om die reden, na overleg met haar collega’s en in het belang van de zoon, besloten om de instelling te informeren. Daarbij heeft beklaagde, eveneens na afstemming met haar collega’s, in het belang van de veiligheid van de zoon besloten klaagster hier vooraf niet over te informeren. Het College kan zich goed voorstellen dat klaagster zich op die bewuste middag overvallen heeft gevoeld. Het College acht het echter wel navolgbaar dat beklaagde zo gehandeld heeft. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zeer zorgelijk was, dat mogelijk de veiligheid van de zoon in het geding was en voorts heeft zij vooraf afstemming gezocht met haar collega’s. Beklaagde heeft in haar verweer gereflecteerd op haar handelen in die zin dat zij zich nu nog bewuster is van de noodzaak van transparant communiceren. Mogelijk had het beter gekund maar het College is - alles overwegende - van oordeel dat beklaagde bij het beroepsmatig handelen gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Tot slot merkt het College nog op dat tussen de periode van het handelen in april 2016 en het indienen van de tuchtklacht in september 2018 een relatief lange periode ligt van meer dan twee jaar. Het College kan zich voorstellen dat dat voor een beklaagde, die zich immers dient te verweren, een complicerende factor is.

lees verder

Jeugdbeschermer heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van klager waardoor het voor klager tijdens de ondertoezichtstelling heeft ontbroken aan handvatten en structuur.

Zaaknummer: 18.147T
Datum beslissing: 15 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X gegrond; klachtonderdeel IV, V en IX ongegrond Klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen (deels)III en XI
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, elf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X. Het College heeft deze klachtonderdelen gegrond verklaard.

Allereerst heeft beklaagde nagelaten om klager te informeren over de Beroepscode en het Tuchtrecht waar hij onder valt. Ook heeft beklaagde, na verzoek, niet zijn registratienummer verstrekt. Hiermee heeft beklaagde volgens het College in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld.

Voorts heeft beklaagde zich onvoldoende ingespannen om een gesprek met klager en zijn vertrouwenspersoon over beklaagde zijn functioneren, op verzoek van klager, van de grond te krijgen. Doordat beklaagde dit gesprek heeft afgehouden is in strijd met artikel D van de Beroepscode gehandeld. Op grond van dit artikel had beklaagde door middel van een persoonlijk gesprek verantwoording aan klager kunnen afleggen over zijn handelen.

Ook heeft het College geoordeeld dat beklaagde heeft gehandeld vanuit willekeur. Als beklaagde signalen ontving van moeder heeft beklaagde daar naar gehandeld zonder hoor en wederhoor toe te passen. Hiermee heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Daarnaast heeft beklaagde nadat was gekozen voor de methodiek complexe echtscheiding waarbij individueel contact met de jeugdbeschermer was uitgesloten, individueel contact gehad met moeder. Uit het dossier is niet gebleken dat naar klager was gecommuniceerd dat de gekozen methodiek weer was losgelaten. Beklaagde heeft in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld nu er geen juiste informatievoorziening richting klager heeft plaatsgevonden.

Het volgende klachtonderdeel sluit aan bij een eerder klachtonderdeel. Over afgespeelde gebeurtenissen heeft beklaagde verhalen van moeder gehoord maar heeft hij nagelaten om te vragen naar de kant van klager. Doordat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Vervolgens is beklaagde verweten dat de begeleiding vanuit hem te wensen heeft overgelaten. Voor het College is dit gebleken uit het feit dat beklaagde heeft gewerkt met een korte termijn visie. Er is niet adequaat gewerkt met een gezinsplan wat voor klager maar ook voor beklaagde handvatten en structuur had kunnen bieden. Beklaagde heeft hiermee in strijd met artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Tot slot heeft beklaagde naar het oordeel van het College misbruik van zijn macht gemaakt. Door een gesprek met klager en moeder afhankelijk te stellen van omgang tussen klager en zijn kinderen. Klager heeft tijdig aangegeven dat hij niet kon en is met een alternatief gekomen. Beklaagde heeft vastgehouden aan het geprikte moment, maar de overwegingen hiertoe ontbreken. Beklaagde heeft met zijn handelen in strijd met artikel H van de Beroepscode gehandeld.

Beklaagde is met zijn handelen verwijtbaar tekortgeschoten en heeft een minimale blijk van reflectie gegeven. Het College heeft in overweging meegenomen dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de gevolgen van zijn handelen voor klager. Het College acht het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Een medewerker van het wijkteam dient een tuchtklacht in over een collega beroepsgenoot, onder andere wegens het gebrek aan samenwerking in een casus. Het College van Toezicht verklaart de klacht gegrond wegens schending van artikelen A, G, N en O van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Daarnaast betrekt het College van Toezicht ambtshalve in het oordeel dat de jeugdzorgwerker onvoldoende heeft meegewerkt aan de tuchtrechtelijke procedure en daarmee blijk heeft gegeven van minachting van het tuchtrecht.

Zaaknummer: 18.029T
Datum beslissing: 14 maart 2019
Oordeel: gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is werkzaam geweest als jeugdzorgwerker bij een instelling. Beklaagde is vanuit die rol betrokken geweest bij een moeder en haar twee minderjarige kinderen in een drangtraject dat werd uitgevoerd door de instelling. In verband met de hulpvraag van de moeder is het wijkteam betrokken. Vanuit het wijkteam een generalist toegewezen. De klager is later als SKJ geregistreerde jeugdprofessional bij de casus betrokken geraakt.

Nadat klager en de generalist tevergeefs meerdere malen contact hebben gezocht met beklaagde, heeft klager aan beklaagde laten weten ernstige zorgen te hebben over de casus en geen zicht te hebben op de situatie. Wegens gebrek aan (actieve) inzet vanuit beklaagde neemt klager uiteindelijk contact op met de manager van beklaagde. De instelling besluit de betrokkenheid van beklaagde bij de casus te beëindigen.

Klager besluit vervolgens een tuchtklacht in te dienen over zijn collega beroepsgenoot vanuit zijn persoonlijke opvatting dat het voor de beroepsgroep van belang is dat gesignaleerd wordt als een jeugdprofessional de normen overtreedt. De kern van de tuchtklacht is dat er geen sprake is geweest van samenwerking tussen klager/het wijkteam en beklaagde en dat beklaagde de regie niet heeft gepakt waardoor er in de periode waarin beklaagde betrokken is geweest er geen hulpverlening tot stand heeft kunnen komen. Het College is van oordeel dat er een schending is van de artikelen A, G, N en O van de Beroepscode. Hierbij heeft het College onder andere overwogen dat er ondanks herhaalde pogingen geen contact tot stand is gekomen tussen de generalist/klager en beklaagde, beklaagde niet de regie heeft gepakt en hij de afspraken met betrekking tot de hulpverlening aan de moeder niet/te laat is nagekomen. Beklaagde heeft zich niet of nauwelijks ingespannen om het hulpverleningsproces op gang te brengen. Dat de gevolgen in de onderhavige situatie uiteindelijk beperkt zijn gebleven, is doordat klager via de leidinggevende van beklaagde actie heeft ondernomen én omdat de moeder vanwege een aanvraag uit de Participatiewet bij het wijkteam in beeld is gebleven.

Het College heeft daarnaast ambtshalve in het oordeel betrokken dat het een parallel heeft geconstateerd in het handelen c.q. nalaten van beklaagde gedurende zijn betrokkenheid in de onderhavige zaak en het handelen c.q. nalaten in de tuchtrechtelijke procedure. Het College heeft moeten constateren dat beklaagde aan deze procedure niet afdoende heeft meegewerkt. Niet alleen heeft dit een voortvarende behandeling van de klacht belemmerd, maar tevens heeft beklaagde hiermee blijk gegeven van minachting van het tuchtrecht. Het College constateert dat beklaagde zich heeft beperkt tot excuses, maar geen enkele opening heeft geboden leidend tot een inhoudelijke verantwoording van zijn handelen.

lees verder

Klacht tegen een bemiddelaar van een traject over het ontbreken van een heldere agenda tijdens de gesprekken. Een klachtonderdeel is gegrond. Beklaagde heeft nagelaten om structuur aan te brengen in de gesprekken, bespreekpunten te clusteren en terug te komen op gemaakte afspraken. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.088T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdeel IV is gegrond, de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College overweegt dat van beklaagde in zijn rol van bemiddelaar mag worden verwacht dat hij in de gesprekken structuur aanbrengt, bespreekpunten clustert en terugkomt op gemaakte afspraken. Voor klager is onvoldoende duidelijk geweest waar hij aan toe was doordat beklaagde onvoldoende overeenstemming of instemming met klager heeft bereikt. Helderheid over de werkwijze van beklaagde had hieraan bij kunnen dragen. Het klachtonderdeel is gegrond. Artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.
Het College heeft begrip voor de complexe situatie waarin beklaagde verkeerde. Hij heeft als bemiddelaar opgetreden in een langdurig traject met hevige dynamiek tussen klager en beklaagde. Beklaagde heeft het belang van het contact tussen klager en de zoon voorop willen stellen en heeft zich hiervoor ingespannen. Hij heeft gereflecteerd op zijn handelen. Ook heeft hij over deze zaak meerdere malen met collega’s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog die werkzaam is als jeugd-en gezinswerker bij een lokaal team. Nu beklaagde is geregistreerd in de kamer voor orthopedagogen, wordt het handelen van beklaagde getoetst aan de beroepscode-NVO. Beklaagde heeft het gesprek met klaagster niet vastgelegd evenals een datum voor de evaluatie. Beklaagde heeft het ‘3 huizengesprek’ anders moeten vormgeven. Zij heeft verder nagelaten klaagster op de hoogte te stellen van de inhoud van het verslag. De hulpverlening aan klaagster is niet afgesloten. Tot slot rust op beklaagde een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of zij de hulpverlening kan uitvoeren. Artikelen 5 lid 2 (positie van de client en zijn wettelijk vertegenwoordigers), 9 lid 5 (deskundigheid en bekwaamheid), 18 (informatie aan de client verstrekken over aard en doel van de professionele relatie), 20 (in vrijheid beslissen over het aangaan van de professionele relatie), 27 (evaluatie bij de afsluiting van de professionele relatie), 31 (dossiervorming) en 35 (recht op inzage en afschrift) van de beroepscode-NVO zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.107T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, XIII en XIV zijn gegrond; klachtonderdelen IV en V zijn deels gegrond; de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets over de rechtspositie van klaagster heeft gemeld en dat nooit een evaluatie heeft plaatsgevonden. Het College overweegt dat beklaagde geen e-mails of andere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde het gesprek met klaagster heeft vastgelegd. Ook heeft beklaagde tijdens of na het eerste gesprek nagelaten een datum voor de evaluatie vast te leggen.

Klaagster meent voorts dat het ‘3 huizen gesprek’ tussen beklaagde en de zoon een aanfluiting was en meer weg had van een politie verhoor. Het College oordeelt dat beklaagde heeft erkend dat zij het gesprek anders had moeten vormgeven. Zij denkt achteraf bezien dat zij zich heeft laten opjagen door het proces en de vragen die er lagen.

Ook is het College van oordeel dat beklaagde klaagster formeel niet op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van het verslag van het ‘3 huizen gesprek’.

De klacht van klaagster over het niet afsluiten van de hulpverlening is gegrond. Beklaagde is verplicht om de hulpverlening af te sluiten. Uit het dossier blijkt niet dat beklaagde heeft geprobeerd om met beklaagde hierover in contact te komen. Tot slot oordeelt het College dat de samenwerking in het vrijwillig kader onder druk is komen te staan na een beschikking van de rechtbank en omdat beklaagde en haar collega’s het wenselijk vonden dat een GI het proces zou overnemen. Op beklaagde rust, gelet op haar deskundigheid en bekwaamheid, een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen en aan te geven of zij de hulpverlening kan uitvoeren.

Nu beklaagde in deze complexe casus heeft overlegd met collega’s, heeft gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar heeft opgesteld, acht het College gelet op deze omstandigheden de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

lees verder

Klacht tegen een raadsonderzoeker. Met het al dan niet benaderen van een aantal informanten heeft de raadsonderzoeker tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Ook bevat het raadsonderzoek meerdere feitelijke onjuistheden. Artikelen D en K van de Beroepscode en artikelen 3.III sub E en 3.VI sub B van het Kwaliteitskader van de RvdK zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.109T
Datum beslissing: 28 februari 2019
Oordeel: klachtonderdeel I (deels) en III gegrond; klachtonderdeel II ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van een minderjarige dochter dient drie klachtonderdelen tegen een raadsonderzoeker. Samengevat gaan de klachten over hoe het raadsonderzoek is uitgevoerd en hoe de bevindingen zijn vastgelegd in het raadsrapport. Hier wordt ingegaan op klachtonderdeel I.

De moeder verwijt de raadsonderzoeker in dit klachtonderdeel dat de benaderde informanten in het raadsonderzoek deels niet de juiste zijn geweest en dat de informanten op een onprofessionele wijze zijn benaderd. Daarnaast is op suggestieve wijze verslag gedaan van hetgeen door de informanten te kennen is gegeven. Voorts is in het raadsrapport over de hele linie sprake van aannames en veronderstellingen, waarbij feitelijke onderbouwing ontbreekt.

Het College concludeert dat de raadsonderzoeker gedeeltelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, namelijk voor wat betreft het al dan niet benaderen van twee informanten (de wijkagent en de psycholoog). Gelet op de verklaring van de moeder over huiselijk geweld, had het op de weg van de raadsonderzoeker gelegen om deze vermoedens te staven bij de betrokken wijkagent. Het College kan niet volgen dat de raadsonderzoeker zich vervolgens heeft gebaseerd op de door de vader verstrekte contactgegevens van een wijkagent, die naar later bleek niet in die hoedanigheid bij het gezin betrokken was. Nadien heeft de raadsonderzoeker niet meer gepoogd om de juiste wijkagent te benaderen. Het College acht dit nalaten in strijd met artikel K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode en artikel 3.III sub E van het Kwaliteitskader van de RvdK. Ten aanzien van de psycholoog is het College van oordeel dat op een raadsonderzoeker in zijn algemeenheid de plicht rust de betrouwbaarheid van een (voorgedragen) informant na te gaan en zich op enigerlei wijze te vergewissen van de hoedanigheid van de betrokken informant. In de onderhavige casus te meer nu de informant lopende het raadsonderzoek naar aanleiding van het verzoek van de vader is benaderd en dit niet met de moeder is afgestemd. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat de raadsonderzoeker tenminste de functie van de informant diende na te gaan. Het College acht dit nalaten in strijd met artikel 3.III sub E van het Kwaliteitskader van de RvdK en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

Voor wat betreft het verwijt dat de zus van de moeder niet als informant in het onderzoek is betrokken, concludeert het College dat de raadsonderzoeker geen norm heeft overschreden door niet te voldoen aan het verzoek van de moeder en verklaart dit deel van de klacht ongegrond. Aan de onderzoeker van de RvdK moet de nodige vrijheid en zelfstandigheid gelaten worden om het raadsonderzoek zo goed mogelijk te verrichten. In lijn hiermee heeft de (medewerker van de) RvdK ook de ruimte om te beslissen een informant al dan niet in een onderzoek te benaderen. Uiteraard met inachtneming van de daartoe opgestelde richtlijnen en kwaliteitseisen, zoals onder meer vastgelegd in het Kwaliteitskader van de RvdK. Op de raadsonderzoeker rust echter op grond van artikel 3.III sub E van het Kwaliteitskader van de RvdK de verplichting de afwijzing van het verzoek ook te communiceren en in het raadsrapport te motiveren. De raadsonderzoeker heeft dit niet gedaan. Het College acht dit nalaten in strijd met voornoemd artikel uit het Kwaliteitskader van de RvdK en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

Gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen maar de getoonde reflectie van de raadsonderzoeker meewegende, legt het College de maatregel van waarschuwing op.

lees verder

Een tante van een minderjarige dient een klacht in tegen de betrokken raadsonderzoeker. De tante wordt als belanghebbende aangemerkt. Klachtonderdelen II, III en IV, over de wijze waarop de raadsonderzoeker is omgegaan met de door de tante toegestuurde verslagen, worden samengenomen en gegrond verklaard. Er wordt geen maatregel opgelegd aan de raadsonderzoeker.

Zaaknummer: 18.113T
Datum beslissing: 28 februari 2019
Oordeel: klachtonderdeel I ongegrond; klachtonderdelen II, III en IV gegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de tante (moederszijde) van haar minderjarige nichtje. De vader heeft één keer per week omgang met zijn dochter in het bijzijn van de tante. Van deze contactmomenten heeft de tante op eigen initiatief haar observaties op papier gezet en als verslagen naar de raadsonderzoeker gestuurd. De tante dient vier klachtonderdelen in die (samengevat) betrekking hebben op de wijze waarop de tante en de door haar toegestuurde verslagen betrokken zijn in het raadsonderzoek en raadsrapport.

Allereerst wordt hier ingegaan op het begrip belanghebbende. Op grond van artikel 3.2 van het Tuchtreglement (versie 1.2) kan een belanghebbende die meent dat een jeugdprofessional de algemene tuchtnorm overtreedt, hiertegen een klacht indienen bij het College van Toezicht van SKJ. In artikel 1 van het Tuchtreglement is de begripsbepaling van belanghebbende opgenomen. Voor wat betreft de tante is gebleken dat zij tijdens de omgang tussen de vader en de dochter aanwezig is. Ook heeft zij gedurende het raadsonderzoek meermaals contact gezocht met de raadsonderzoeker. De door haar toegestuurde verslagen zijn aan het raadsrapport gevoegd. De tante zegt zich geraakt te voelen door het beroepsmatig handelen van de raadsonderzoeker. Het College concludeert dat onder de geschetste omstandigheden de tante aangemerkt kan worden als belanghebbende in de zin van artikel 1 van het Tuchtreglement.

Klachtonderdelen II, III en IV worden door het College samengenomen, omdat deze alle drie betrekking hebben op de toegestuurde verslagen, en gegrond verklaard. In klachtonderdeel II wordt de raadsonderzoeker verweten dat zij niet heeft gereageerd op de verzoeken tot contact van de tante. De raadsonderzoeker heeft erkend dat zij geen contact opgenomen heeft. Het College is van oordeel dat het maatschappelijk verkeer betaamt dat een jeugdprofessional tenminste eenmaal reageert op (een) verzoek(en) tot contact, ook wanneer het niet een cliënt betreft. Artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode wordt geschonden geacht. In klachtonderdeel III wordt de raadsonderzoeker verweten dat de door klaagster toegestuurde verslagen aan het raadsrapport gehecht zijn. Met verwijzing naar artikel 3.IX sub I van het Kwaliteitskader van de RvdK oordeelt het College dat deze aan het raadrapport gehechte verslagen gezien kunnen worden als persoonsgegevens in de zin van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (thans de Algemene verordening gegevensbescherming). De raadsonderzoeker heeft de tante niet geïnformeerd dat haar verslagen door de RvdK verwerkt zijn, evenmin is aan haar kenbaar gemaakt voor welk doel. Dit nalaten van de raadsonderzoeker vormt een schending van voornoemd artikel uit het Kwaliteitskader van de RvdK en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode. Overigens was voor het College wel voldoende aannemelijk dat klaagster de verslagen aan de RvdK heeft toegestuurd met de intentie dat deze betrokken zouden worden in het raadsonderzoek en leest het College in het raadsrapport ook dat de moeder blij is dat de stukken van klaagster aan het raadsrapport zijn gevoegd. Tot slot wordt het verwijt in klachtonderdeel IV gegrond verklaard, omdat de raadsonderzoeker in het raadsrapport onjuist heeft opgenomen dat de moeder de verslagen aan haar toegestuurd heeft. Het College acht dit in strijd met artikel 3.3 van de Jeugdwet en ook artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

Gelet op de omstandigheden van de casus en de getoonde reflectie van de raadsonderzoeker, ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog over slechte communicatie, het niet verstrekken van haar registratienummer en het door haar geschreven verzoek tot bespreking beschermingstafel. De voorzitter van het College verklaart de klachten op basis van de overgelegde onderbouwing kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.010Ta
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I t/m III kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient drie klachtonderdelen in tegen de orthopedagoog, die betrokken is geweest in het drangkader. De voorzitter van het College verklaart de klacht kennelijk ongegrond en overweegt per klachtonderdeel als volgt.

Klachtonderdeel I betreft het verwijt “slechte communicatie/niet aan beloftes houden”. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie valt echter te concluderen dat beklaagde initiatief heeft genomen om het gesprek met klager aan te gaan. Bovendien blijkt niet dat sprake is van slechte communicatie of van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

In klachtonderdeel II wordt beklaagde verweten dat zij weigert haar registratienummer te verstrekken. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat beklaagde naar aanleiding van het hiertoe verstrekkende verzoek aan klager de gebruikelijke procedure toelicht en een aanbod doet tot telefonisch contact met een collega. Hoewel het niet verstrekken van het registratienummer als tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht (beslissingen College van Toezicht d.d. 11 oktober 2018, zaaknummer 18.033T, en d.d. 12 november 2018, zaaknummer 18.044T), kan daar onder omstandigheden ook anders over worden geoordeeld (beslissing College van Toezicht d.d. 5 november 2018, zaaknummer 18.073T). Het had transparanter en zorgvuldiger geweest wanneer beklaagde direct haar registratienummer had verstrekt. Omdat het bij een tuchtrechtelijke toetsing er echter niet om gaat of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund, is de conclusie dat hier niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.

Tot slot is klachtonderdeel III dat het “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” niet voldoet aan de kwaliteitseisen. De voorzitter overweegt dat aan een zogenoemd “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel”, gericht aan de Beschermingstafel, geen juridische vormvoorschriften zijn verbonden. Het is gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van de verzoekende hulpverlener als grondslag voor een onderzoek gebruikt wordt. Uit het overgelegde “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” maakt de voorzitter niet op dat beklaagde met de inhoud of het opstellen daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De door klager overgelegde onderbouwing van dit klachtonderdeel, een beoordeling van dit verzoek door een derde, doet hier niet aan af.

lees verder

Klacht tegen een orthopedagoog over slechte communicatie, het niet verstrekken van haar registratienummer en het door haar geschreven verzoek tot bespreking beschermingstafel. De voorzitter van het College verklaart de klachten op basis van de overgelegde onderbouwing kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.010Ta
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I t/m III kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient drie klachtonderdelen in tegen de orthopedagoog, die betrokken is geweest in het drangkader. De voorzitter van het College verklaart de klacht kennelijk ongegrond en overweegt per klachtonderdeel als volgt.

Klachtonderdeel I betreft het verwijt “slechte communicatie/niet aan beloftes houden”. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie valt echter te concluderen dat beklaagde initiatief heeft genomen om het gesprek met klager aan te gaan. Bovendien blijkt niet dat sprake is van slechte communicatie of van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

In klachtonderdeel II wordt beklaagde verweten dat zij weigert haar registratienummer te verstrekken. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat beklaagde naar aanleiding van het hiertoe verstrekkende verzoek aan klager de gebruikelijke procedure toelicht en een aanbod doet tot telefonisch contact met een collega. Hoewel het niet verstrekken van het registratienummer als tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht (beslissingen College van Toezicht d.d. 11 oktober 2018, zaaknummer 18.033T, en d.d. 12 november 2018, zaaknummer 18.044T), kan daar onder omstandigheden ook anders over worden geoordeeld (beslissing College van Toezicht d.d. 5 november 2018, zaaknummer 18.073T). Het had transparanter en zorgvuldiger geweest wanneer beklaagde direct haar registratienummer had verstrekt. Omdat het bij een tuchtrechtelijke toetsing er echter niet om gaat of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund, is de conclusie dat hier niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.  

Tot slot is klachtonderdeel III dat het “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” niet voldoet aan de kwaliteitseisen. De voorzitter overweegt dat aan een zogenoemd “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel”, gericht aan de Beschermingstafel, geen juridische vormvoorschriften zijn verbonden. Het is gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van de verzoekende hulpverlener als grondslag voor een onderzoek gebruikt wordt. Uit het overgelegde “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” maakt de voorzitter niet op dat beklaagde met de inhoud of het opstellen daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De door klager overgelegde onderbouwing van dit klachtonderdeel, een beoordeling van dit verzoek door een derde, doet hier niet aan af.

lees verder

Klacht tegen jeugdbeschermer over het niet verstrekken van het SKJ registratienummer, misbruik van macht, schending van de privacy en discriminatie. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.125T
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde dat hij heeft geweigerd zijn SKJ registratienummer aan klager door te geven. Het College overweegt dat beklaagde heeft toegelicht dat hij het aan klager heeft willen geven, dat hij het niet bij de hand had en dat hij het op een later moment zou verstrekken.

Klager verwijt beklaagde dat hij zijn macht heeft misbruikt nu hij beslissingen heeft genomen zonder als jeugdbeschermer te zijn aangewezen. Het College oordeelt dat beklaagde namens de GI beslissingen heeft mogen nemen die betrekking hebben op de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Ten aanzien van de schending van de privacy overweegt het College dat beklaagde terecht een beroep heeft gedaan op artikel 15 van het privacyreglement van Jeugdzorg Nederland zodat, gelet op de leeftijd van de zoon (twaalf jaar), geen toestemming van klager nodig is om informatie over de zoon te delen.

Klager is van mening dat hij niet gelijk aan moeder is behandeld. Het College oordeelt dat beklaagde een bewuste afweging heeft gemaakt om in het belang van de veiligheid van de zoon, het netwerkberaad zonder klager door te laten gaan. De uitwerking hiervan is niet goed gegaan. Hoewel het beter was geweest als beklaagde andere mogelijkheden had overwogen, heeft hij gehandeld in het belang van de zoon. Daarnaast heeft hij een gesprek gevoerd met klager. Hierdoor is hij met zijn handelen gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

lees verder

Jeugdbeschermer heeft zich over klaagster onrespectvol uitgelaten en heeft zaken zwaarder aangezet. Ook heeft hij zich onvoldoende geïnformeerd over de zoon die op jonge leeftijd gesloten is geplaatst. Hij heeft klaagster onvoldoende geïnformeerd. Het College verklaart vier klachtonderdelen gegrond en legt een maatregel van berisping op.

Zaaknummer: 18.127T
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II, V en VII zijn gegrond; de overige klachtonderdelen zijn ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat beklaagde met zijn woordkeuze op een onrespectvolle wijze een beschrijving van klaagster gegeven. Ook heeft beklaagde de van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid aangevoerd. Voorts is beklaagde verantwoordelijk voor het welzijn van de zoon die op jonge leeftijd gesloten is geplaatst. Hij heeft mogen afgaan op de informatie van de medewerkers van de gesloten accommodatie maar heeft ook zelf met de zoon moeten praten en controleren of hij veilig was. Beklaagde is niet één keer bij de zoon op bezoek geweest tijdens de gesloten plaatsing en heeft niet met hem gecommuniceerd. Hij heeft evenmin met klaagster gecommuniceerd terwijl hij als regievoerder in deze zaak de spin in het web is. Door zijn handelen is beklaagde verwijtbaar tekort geschoten.

Beklaagde heeft gehandeld in strijd met artikel D (vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp-en dienstverlening) en artikel N (samenwerking in de hulp-en dienstverlening) en T (schending vertrouwen in het beroep en de jeugdzorg door een collega) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Alhoewel beklaagde heft gereflecteerd op zijn handelen en excuses heeft aangeboden, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Klacht tegen een raadsonderzoeker die betrokken is geweest bij het onderzoek naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling. Hoewel het handelen van beklaagde beter had gekund, is zij gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Beklaagde heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

Zaaknummer: 18.086T
Datum beslissing: 20 februari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen een raadsonderzoeker, die belast is geweest met het raadsonderzoek naar de hoofdverblijfplaats, het gezag en de zorgregeling, drie klachtonderdelen ingediend. De klacht heeft, kort samengevat, betrekking op de wijze waarop het raadsonderzoek is uitgevoerd. Het College heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het College is van oordeel dat het handelen van beklaagde in een aantal gevallen beter had gekund, maar dat zij is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Een tuchtrechtelijk verwijt valt haar echter niet te maken. . Beklaagde had zorgvuldiger kunnen handelen bij het opvragen van informatie bij informanten, maar niet is gebleken dat zij niet over de benodigde informatie beschikte tijdens haar onderzoek. Ook was het transparanter geweest als in het raadsrapport bij de relevante factoren de benaderde informanten vollediger waren beschreven. Tot slot had het begeleidend schrijven aan klaagster bij het definitieve raadsrapport zorgvuldiger en volledig gekund. Hierin had kunnen worden opgenomen dat de aanvulling van vader naar aanleiding van het concept raadsrapport niet van invloed is geweest op het gegeven advies in het definitieve raadsrapport.

lees verder

Het College van Beroep trekt de door het College van Toezicht opgelegde maatregel van waarschuwing in nu het beroep van de gezinsvoogd deels slaagt en zij daarnaast gereflecteerd heeft op haar handelen en inzicht heeft gegeven in haar afwegingen.

Zaaknummer: 18.006Bb (17.049Tb)
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: incidenteel beroep deels gegrond
Maatregel: waarschuwing ingetrokken

Download de volledige beslissing in pdf

De vader heeft bij het College van Toezicht acht klachtonderdelen ingediend over het handelen van een gezinsvoogd die in het kader van een uitgesproken ondertoezichtstelling bij de ouders en de kinderen, twee minderjarige dochters, betrokken is geweest. Vier van de acht klachtonderdelen zijn deels gegrond en vier klachtonderdelen ongegrond verklaard door het College van Toezicht. Aan de gezinsvoogd is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

In beroep falen alle grieven die de vader tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Van de gezinsvoogd slagen twee grieven. Een grief die slaagt is gelijk aan de grief zoals opgenomen in de samenvatting van de beslissing in zaaknummer 18.006Ba. Daarnaast slaagt een grief die ziet op het verstrekken van een afschrift van het dossier aan de vader. De vader heeft op 10 januari 2017 gevraagd om een afschrift van het dossier. De gezinsvoogd is op 1 februari 2017 bij de GI uit dienst getreden. Op dat moment was de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11 lid van het Privacyreglement gecertificeerde instelling nog niet verstreken. Het was van de gezinsvoogd zorgvuldig geweest om indien reeds te voorzien was dat deze termijn niet gehaald zou worden, de vader hierover te informeren, maar het College van Beroep is van oordeel dat het hier handelen betreft dat (mogelijk) beter had gekund maar dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Er kan immers ook niet vastgesteld worden dat de gezinsvoogd reeds op het moment van haar uitdiensttreding kon voorzien dat de termijn niet gehaald zou worden. Na haar uitdiensttreding hadden haar collega’s nog zorg kunnen dragen voor een tijdige afgifte van het dossier of de vader tijdig kunnen informeren dat dit niet mogelijk was. Het College van Beroep is van oordeel dat als een werknemer uit dienst gaat deze erop mag vertrouwen, zeker als er zoals in deze casus nauw wordt samengewerkt met een andere collega, dat dit verzoek verder adequaat wordt behandeld.

Het College van Beroep komt tot de slotsom dat er, ondanks dat er ten aanzien van twee klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, aanleiding bestaat om de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken. Het College van Beroep heeft daarbij oog voor de complexe casus met tegenstrijdige belangen waarin de gezinsvoogd heeft moeten handelen. De gezinsvoogd heeft gereflecteerd op haar handelen en erkend dat haar handelen ten aanzien van enkele klachtonderdelen mogelijk beter had gekund. Zij heeft het College van Beroep, zoals van een geregistreerde jeugdprofessional mag worden verwacht, tijdens de mondelinge behandeling van het beroep inzicht gegeven in de door haar gemaakte afwegingen. Dit alles in overweging nemende ziet het College van Beroep aanleiding de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.

lees verder

Klacht tegen de gezinsvoogd over onder andere het niet opstellen van een Plan van Aanpak en dat de zoon zonder toestemming van klaagster of via vervangende toestemming van de rechtbank op een zorgboerderij is geplaatst. Het College verklaart klaagster in twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk en verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.115T
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, III, IV, V en VI ongegrond; klaagster niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen II en VII
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een zoon. Zij heeft het eenhoofdig ouderlijk gezag. De zoon is onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft zeven klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I, II en VII.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat er na de uitspraak van de rechtbank over de verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds geen nieuw Plan van Aanpak ligt. Beklaagde heeft volgens het College onweersproken gesteld dat het bestaande Gezinsplan tussentijds steeds is geactualiseerd en dat alle geactualiseerde versies aan klaagster zijn toegestuurd. Hoewel een Gezinsplan samen met de ouder wordt opgesteld, heeft beklaagde verklaard dat het niet eenvoudig was om met klaagster in gesprek te gaan. Gelet op de taak die op beklaagde rust en in het belang van de zoon, heeft zij er daarom voor gekozen om het Gezinsplan zonder klaagster te actualiseren. Het College kan de handelswijze van beklaagde hierin goed volgen.
In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij herhaaldelijk buiten spel wordt gezet. Zo heeft beklaagde de zoon zonder toestemming van klaagster, dan wel via vervangende toestemming van de rechtbank op de zorgboerderij geplaatst. Het College overweegt dat nu er een machtiging uithuisplaatsing ligt beklaagde, namens de GI als de uitvoerder van deze kinderbeschermingsmaatregel, mocht bepalen dat de zoon geplaatst wordt op de zorgboerderij. Hiervoor is de toestemming van klaagster niet noodzakelijk ook al is zij een ouder met gezag. Wel moet een ouder met gezag geïnformeerd worden. Beklaagde heeft klaagster per e-mailbericht medegedeeld dat er een goede plek voor de zoon is gevonden en daarmee heeft zij aan haar informatieplicht voldaan.

In klachtonderdeel II richt klaagster zich tot de GI en niet tot beklaagde. In klachtonderdeel VII klaagt klaagster over collega’s van beklaagde. Het College is alleen bevoegd het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional/beklaagde aan de algemene tuchtnorm te toetsen. Het College is niet bevoegd om klachten te toetsen die zich richten tegen een instelling. Ook is het College in deze procedure niet bevoegd om klachten te toetsen die gaan over het handelen en nalaten van andere personen. Het College verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk in deze klachtonderdelen.

lees verder

Klachtonderdelen tegen de jeugdbeschermer over meerdere aspecten rondom de ondertoezichtstelling gegrond. De maatregel van voorwaardelijke schorsing wordt opgelegd. Het College neemt naast het verwijtbare handelen het gebrek aan reflectie en de geruime ervaring binnen de jeugdhulpverlening in overweging.

Zaaknummer: 18.123T
Datum beslissing: 24 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel I deels gegrond; klachtonderdelen II t/m VII gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster dient zeven klachtonderdelen in tegen de jeugdbeschermer die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klachtonderdelen gaan samengevat over het volgende: het ontbreken van zowel een kennismakingsgesprek als gesprekken met de ouders, het niet innemen van een regulerende rol, het onterecht afgeven van een schriftelijke aanwijzing en het contact dat na het beëindigen van de ondertoezichtstelling met de ex-partner van klaagster is geweest.

Het College oordeelt dat beklaagde met betrekking tot alle klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Beklaagde heeft nagelaten de ouders te stimuleren tot het voeren van een gezamenlijk (kennismakings)gesprek (klachtonderdeel I). Gelet echter op het advies uit het NIFP rapport lag het op de weg van beklaagde om zich hiervoor in te spannen. Voorts heeft beklaagde onvoldoende een regulerende rol ingenomen in de e-mailcorrespondentie, waarin essentiële onderwerpen naar voren kwamen (klachtonderdelen II, V en VI). Aan klaagster is een schriftelijke aanwijzing afgegeven, terwijl onder de gegeven omstandigheden op de weg van beklaagde had gelegen om aan de kinderrechter te verzoeken om de vastgestelde (opbouw in de) zorgregeling te wijzigen (klachtonderdeel III). Tot slot is in bepaalde e-mailberichten de schijn van partijdigheid gewekt (klachtonderdeel IV) en heeft beklaagde, nadat haar formele betrokkenheid was geëindigd, meermaals met de vader per e-mail gecommuniceerd waarin zij zich positief uitliet over de opvoedsituatie bij de vader en zich (indirect) negatief uitliet over die bij klaagster (klachtonderdeel VII). Meerdere artikelen uit de Beroepscode zijn volgens het College geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van een van de uitgangspunten van de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’.

Het College legt aan beklaagde de maatregel van voorwaardelijke schorsing op en overweegt daartoe als volgt. Waarde wordt gehecht aan de wijze waarop een beklaagde reflecteert op haar handelen. Zowel in het verweerschrift als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde onvoldoende blijk gegeven in te zien dat zij met haar handelen in deze casus op meerdere punten ernstig tekortgeschoten is. Voorts neemt het College in overweging dat beklaagde geruime ervaring heeft binnen de jeugdhulpverlening, hetgeen maakt dat het verwijtbaar handelen haar zwaarder wordt aangerekend. Onder deze omstandigheden en gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen acht het College het passend en geboden dat beklaagde een supervisietraject volgt. Het College acht het aangewezen dat beklaagde middels gerichte sturing en intensieve begeleiding kan werken aan de bewustwording en het toepassen van haar beroepsnormen die behulpzaam worden geacht in de verdere uitoefening van haar werkzaamheden. Het College acht de volgende onderwerpen van belang voor het supervisietraject: ‘positie en positioneren als jeugdprofessional in het gedwongen kader’, ‘samenwerking met en tussen cliënten bestendigen’ en ‘meerzijdige partijdigheid’.

lees verder

Klaagster is door het College van Toezicht vanwege grievend gedrag niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Anders dan het College van Toezicht oordeelt het College van Beroep dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht en verwijst de zaak terug naar het College van Toezicht voor een inhoudelijke behandeling van de klacht.

Zaaknummer: 18.008B (17.121T)
Datum beslissing: 23 januari 2019
Oordeel: beroep gegrond
Maatregel: niet van toepassing

Download de volledige beslissing in pdf

Het College van Toezicht heeft appellante, klaagster in eerste aanleg, wegens grievend gedrag niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Appellante heeft tegen deze beslissing beroep ingediend. Aan het College van Beroep ligt de vraag voor of appellante ontvankelijk is in haar klacht.

Appellante stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat een handelswijze van een klager nooit mag leiden tot het ondermijnen van een tuchtrechtelijke plicht van een bij SKJ geregistreerde professional om zich voor zijn professioneel handelen te verantwoorden. Verweerder doet in zijn verweer een beroep op een beslissing van het College van Beroep waarin is overwogen dat de tuchtcolleges van SKJ uit het oogpunt van eenheid in rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij de overheidsrechtspraak, bijvoorbeeld de civiele rechtspraak over bewijsregels. Verweerder stelt dat er sprake is van rechtsverwerking; appellante heeft zich op dusdanige wijze gedragen dat dit gedrag in alle redelijkheid niet verenigbaar is met het beoogde recht wat zij wenst te behalen. Het College van Beroep stelt vast dat het tuchtrecht een zelfstandig rechtsgebied is. In voorkomende gevallen kan er aansluiting worden gezocht bij het civiele recht. De hier geldende rechtsopvattingen zijn echter niet zonder meer van toepassing in het tuchtrecht. In deze specifieke casus ziet het College van Beroep geen aanleiding om rechtsverwerking toe te passen. Een klager niet-ontvankelijk verklaren in de klacht kan in beginsel niet bijdragen aan het doel van het tuchtrecht en dient daarom zoveel mogelijk te worden vermeden. Het niet-ontvankelijk verklaren, al dan niet wegens grievend gedrag, kan enkel indien het tuchtreglement daar een formele mogelijkheid voor biedt en dit overeenkomstig het doel van het tuchtrecht zou zijn. Het College van Beroep ziet geen juridische gronden om tot niet-ontvankelijkheid te kunnen concluderen.

Het College van Beroep merkt wel nog op dat het geenszins begrip kan opbrengen voor de uitlatingen van appellante en vindt deze onacceptabel. Het College van Beroep heeft daarnaast oog voor de impact die dergelijke gedragingen hebben op de jeugdprofessional en het (mogelijke) onbegrip om zich in een dergelijk geval tuchtrechtelijk te moeten verantwoorden, maar komt in deze casus toch tot een terug verwijzing naar het College van Toezicht om alsnog deze zaak inhoudelijk te behandelen.

lees verder

Moeder voelt zich onvoldoende serieus genomen door een medewerker van Veilig Thuis en trekt diens vakbekwaamheid in twijfel. Het College van Beroep verklaart het beroep in alle onderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.015B (17.117T)
Datum beslissing: 21 januari 2019
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder heeft bij het College van Toezicht vier klachtonderdelen ingediend over het handelen van een medewerker van Veilig Thuis, hierna te noemen: verweerster, die in het kader van het onderzoek betrokken is geweest. Er heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Veilig Thuis en vader waarbij de moeder, om redenen waarover de visies van partijen verschillen, niet aanwezig is geweest. De moeder stelt in de klachtonderdelen onder meer dat verweerster informatie over de vader heeft genegeerd en onterechte conclusies over haar psychische gesteldheid heeft getrokken. De moeder twijfelt daarnaast aan de deskundigheid van de verweerster om een goed onderzoek te kunnen uitvoeren. Drie van de vier klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard en een klachtonderdeel is deels gegrond verklaard door het College van Toezicht.

In beroep falen alle grieven die de moeder tegen de beslissing van het College van Toezicht heeft ingediend. Het College van Beroep stelt vast dat ten aanzien van het tweede klachtonderdeel, dat er op ziet dat verweerster appellante niet serieus heeft genomen en geen interesse toonde in haar mening over de vader, de moeder de klacht in beroep heeft proberen uit te breiden. Het College van Beroep verklaart de moeder ten aanzien hiervan deels niet-ontvankelijk in de grief en verwerpt voor het overige de grief.

Een ander klachtonderdeel van de moeder, klachtonderdeel IV, richt zich erop dat de moeder vindt dat medewerker van Veilig thuis zich onvoldoende deskundig heeft getoond op het gebied van narcisme. Het College van Beroep heeft vastgesteld dat verweerster is geregistreerd bij SKJ. Gelet op het feit dat de registratieaanvraag van verweerster is goedgekeurd, maakt dat zij heeft aangetoond aan een bepaalde mate van vakbekwaamheid te voldoen en in beginsel beschikt over kennis en vaardigheden om in complexe situaties passende hulp te bieden. Nu nagenoeg alle klachten van de moeder ongegrond zijn verklaard, is daaruit niet gebleken dat verweerster onvoldoende deskundig is om haar werkzaamheden bij Veilig Thuis uit te voeren. Het College van Beroep overweegt daarnaast dat van een jeugdprofessional mag worden dat deze op grond van artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker de grenzen van de eigen expertise kent. Het College van Beroep is van oordeel dat verweerster, door de deskundigheid van de GZ-psycholoog in te schakelen, in overeenstemming heeft gehandeld met artikel O van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Het College van Beroep verklaart de moeder deels niet-ontvankelijk in de grief gericht tegen klachtonderdeel II en handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht, hetzij onder aanvulling van de motivering.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over onder andere het niet bespreken van het ongenoegen van beklaagde met klager, het verstrekken van misleidende informatie en het aantasten van de eer en goede naam van klager. Twee klachtonderdelen blijven buiten behandeling. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.095Tb
Datum beslissing: 15 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I en IV, II en III, V, VI en VII ongegrond; klachtonderdelen VIII en IX zijn buiten behandeling gelaten.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde heeft samen met haar collega, tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, tijdens een gesprek met klager geprobeerd zijn houding te benoemen door hem te wijzen op het onprettige verloop van het gesprek en hem aan te spreken op zijn gedrag. Bij de Raad voor de Kinderbescherming is het doorgaans gebruikelijk om in het geval een gesprek onprettig verloopt, via de afdeling PCMO (Prettig Contact met de Overheid) een bemiddelingsgesprek aan te gaan. Beklaagde heeft een bemiddelaar van PCMO ingeschakeld die telefonisch contact met klager heeft opgenomen met het aanbod om tot een gesprek te komen dat door klager is afgewezen. Dat beklaagde vervolgens niet is ingegaan op het voorstel van klager om met hem in gesprek te gaan en haar leidinggevende dit aan klager heeft gecommuniceerd, is begrijpelijk.

Beklaagde heeft gemotiveerd dat de beschrijving over klager heeft aangesloten bij haar beleving. Zij heeft niet de bedoeling gehad om een negatief beeld van klager neer te zetten, maar heeft uitsluitend willen weergeven dat door de interventies van klager het gesprek met vader is belemmerd.

Het College volgt beklaagde in het verweer dat voor een aantasting van de eer en goede naam van klager nodig is dat het raadsrapport is verspreid. Dat is in deze casus niet aangetoond.

lees verder

Klacht tegen raadsonderzoeker over onder andere het niet bespreken van het ongenoegen van beklaagde met klager, het verstrekken van misleidende informatie en het aantasten van de eer en goede naam van klager. Het College neemt twee klachtonderdelen niet in behandeling. Twee klachtonderdelen blijven buiten behandeling.

Zaaknummer: 18.095Ta
Datum beslissing: 15 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I en IV, II en III, V, VI en VII ongegrond; klachtonderdelen VIII en IX zijn buiten behandeling gelaten.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De collega van beklaagde, tegen wie klager eveneens een klacht heeft ingediend, heeft tijdens een gesprek met klager geprobeerd zijn houding te benoemen door hem te wijzen op het onprettige verloop van het gesprek en hem aan te spreken op zijn gedrag. Bij de Raad voor de Kinderbescherming is het doorgaans gebruikelijk om in het geval een gesprek onprettig verloopt, via de afdeling PCMO (Prettig Contact met de Overheid) een bemiddelingsgesprek aan te gaan. Beklaagde heeft een bemiddelaar van PCMO ingeschakeld die telefonisch contact met klager heeft opgenomen met het aanbod om tot een gesprek te komen dat door klager is afgewezen. Dat beklaagde vervolgens niet is ingegaan op het voorstel van klager om met hem in gesprek te gaan en haar leidinggevende dit aan klager heeft gecommuniceerd, is begrijpelijk.

Beklaagde heeft gemotiveerd dat de beschrijving over klager in het raadsrapport heeft aangesloten bij haar beleving. Zij heeft niet de bedoeling gehad om een negatief beeld van klager neer te zetten, maar heeft uitsluitend willen weergeven dat door de interventies van klager het gesprek met vader is belemmerd.

Het College volgt beklaagde in het verweer dat voor een aantasting van de eer en goede naam van klager nodig is dat het raadsrapport is verspreid. Dat is in deze casus niet aangetoond.

lees verder

Gegronde klacht tegen een zorgboerin over onder meer dat zij met klaagster, als ouder met eenhoofdig gezag, niet heeft afgestemd over de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij. Een berisping wordt opgelegd, meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.110T
Datum beslissing: 14 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel VI in overleg niet verder behandeld; klachtonderdelen I, II, IV en IX ongegrond; klachtonderdeel VII deels gegrond; klachtonderdelen III, V en VIII gegrond.
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een minderjarige zoon. De zoon is voor dagbesteding op de zorgboerderij van beklaagde geplaatst. Tegen de zorgboerin zijn negen klachtonderdelen ingediend. De verwijten in klachtonderdelen I, II, IV en IX hebben betrekking op het moment van de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij. Klachtonderdeel III betreft het verwijt dat klaagster niet is geïnformeerd over of uitgenodigd voor een overleg over de zorgbehoeften van de zoon. In klachtonderdeel V wordt beklaagde verweten dat zij het dossier niet aan klaagster verstrekt heeft. Klachtonderdeel VI gaat over het onjuist vermelden van de SKJ-registratie op de website. Het verwijt in klachtonderdeel VII is dat informatie met derden is gedeeld zonder de toestemming van klaagster. Tot slot wordt beklaagde in klachtonderdeel VIII verweten dat het vertrouwen in de zorg en een goede samenwerking is geschaad.

In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdelen III en VIII. In klachtonderdeel III wordt beklaagde verweten dat zij sinds de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij klaagster niet heeft geïnformeerd en haar evenmin heeft uitgenodigd voor overleg. Het College overweegt dat alhoewel er in het begin sprake was van een “geheime plaatsing”, klaagster in mei 2018 in kennis is gesteld van de plaatsing van de zoon bij de zorgboerderij. Daarnaast is beklaagde op enig moment bekend geworden met het gegeven dat klaagster het eenhoofdig gezag uitoefent over de zoon. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij desondanks geen contact met klaagster heeft opgenomen, ook niet na de verzoeken van klaagster hiertoe. Een jeugdprofessional heeft immers de plicht om te overleggen over de hulpverlening met de jeugdige cliënt en/of diens ouder(s).

In klachtonderdeel VIII wordt beklaagde verweten met haar handelen het vertrouwen van klaagster in de zorg ernstig heeft geschaad. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat zij, na mondelinge afstemming met de jeugdbeschermer van de GI, akkoord is gegaan met de plaatsing. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij gestart is met het bieden van jeugdhulp aan de zoon op basis van een te beperkte overdracht van de GI. Het College verwacht van een jeugdprofessional dat hij voorafgaand aan een plaatsing, al dan niet een geheime, een en ander schriftelijk verifieert bij de aanmeldende persoon of instelling. Ook acht het College het handelen van beklaagde gedurende het hele traject onvoldoende, in die zin dat zij een passieve houding heeft aangenomen en onvoldoende initiatief genomen heeft.

Het College neemt het beklaagde ernstig kwalijk dat zij op geen enkele wijze met klaagster, als zijnde gezaghebbende ouder van de zoon, heeft afgestemd en acht meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden. Voor de op te leggen maatregel houdt het College rekening met het gegeven dat beklaagde haar verantwoordelijkheid heeft willen nemen en dat zij haar excuses aangeboden heeft. Ook is beklaagde ten tijde van haar handelen pas een korte tijd geregistreerd. Beklaagde heeft tot slot tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gereflecteerd op haar handelen. Alles in overweging nemende acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

lees verder

Klacht tegen een ambulant werker van het CJG over de wijze waarop zij het hulpverleningstraject heeft vormgegeven en uitgevoerd. Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Zaaknummer: 18.093T
Datum beslissing: 14 januari 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Een vader van twee minderjarige zonen dient drie klachtonderdelen in tegen een ambulant werker van het CJG. In klachtonderdeel I wordt de ambulant werker verweten dat zij gedurende haar hulpverlening onvoldoende zicht heeft gehad op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de zonen. Klachtonderdeel II ziet op de procesvoering van de ambulant werker. Volgens de vader is dit niet transparant en onduidelijk geweest. Ook zou er onvoldoende regie zijn gevoerd. Tot slot twijfelt de vader in klachtonderdeel III aan de deskundigheid van de ambulant werker en zou de problematiek van de casus onvoldoende op ernst zijn ingeschat. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I.

Met betrekking tot klachtonderdeel I overweegt het College dat blijkens het hulpverleningsplan de ambulant werker en haar collega gesprekken gevoerd hebben met verschillende betrokkenen, waaronder: de ouders en hun (nieuwe) partners, de zonen, de leerkracht/mentor van de zonen, de huisarts en de jeugdverpleegkundige. Het College is van oordeel dat deze werkwijze, in dergelijke casussen (in eerste instantie een “onderzoek zorgmelding”), gebruikelijk en tevens voldoende is om zicht te krijgen op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de zonen. Het is het College daarnaast gebleken dat de ambulant werker in het verdere hulpverleningstraject, na het onderzoek zorgmelding, samen met een andere collega de contactpersoon voor de ouders is geweest en de regie gehad heeft over de verdere aan het gezin geboden hulpverlening. De ambulant werker heeft geen directe hulpverlening aan de zonen geboden. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de ambulant werker onvoldoende zicht heeft gehad op de veiligheid, ontwikkeling en mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de zonen. Het College concludeert dat de ambulant werker met haar handelen, als regievoerder, en met de door haar (dan wel door het CJG) genomen stappen in het hulpverleningstraject, teneinde de zorgen te verminderen, gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

lees verder

Klacht tegen jeugdhulpverlener van een wijkteam over het onvoldoende waarborgen van de privacy is deels gegrond. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

Zaaknummer: 18.008T
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel II deels gegrond en deels ongegrond; klachtonderdelen I, III en IV ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft toestemming gegeven aan beklaagde om contact op te nemen met school en een instelling over de ontwikkeling van de zoon. Ter voorbereiding op een schakeloverleg (een adviesorgaan dat wordt ingeschakeld door de gemeente om de veiligheid en zorgen over de ontwikkeling en opvoeding te bespreken) heeft beklaagde hen met het oog op dat overleg om informatie gevraagd. Het College acht de informatie-uitwisseling in het kader van het schakeloverleg wezenlijk anders dan het inwinnen en uitwisselen van informatie over de ontwikkeling van de zoon. Het schakeloverleg is er immers op gericht om te beoordelen of de ontstane zorgen zo groot zijn dat een raadsonderzoek nodig is. Het contact met de school en de instelling had op dat moment een ander doel dan het doel waarvoor klaagster haar toestemming heeft gegeven. Beklaagde had klaagster opnieuw toestemming moeten vragen. Door dit na te laten heeft beklaagde artikel J (vertrouwelijkheid) van de beroepscode voor de jeugdzorgwerker geschonden. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

Beklaagde heeft het belang van de zoon in deze zaak voorop gesteld. Zij heeft zijn ontwikkeling laten prevaleren boven de randvoorwaarden van de hulpverlening. Hierdoor heeft zij in een spagaat gezeten maar zij heeft onder moeilijke omstandigheden de ontwikkeling van de zoon leidraad laten zijn voor haar handelen. Ook heeft zij over deze zaak meerdere malen met collega’s overlegd. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

lees verder

Klacht tegen jeugd-en gezinscoach van een Centrum Jeugd en Gezin (CJG) over het niet naleven van de meldcode, schending van de privacy en valsheid in geschrifte. De klachtonderdelen zijn ongegrond. Het College verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek de CJG te gelasten de zorgmelding in te trekken.

Zaaknummer: 18.058Ta
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond, verzoek klaagster is niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College overweegt dat gelet op een verslag van een huisbezoek van de wijkagent aan klaagster, de zorgen die beklaagde al had over de situatie die zij heeft beschreven in een conceptgezinsplan en die waren besproken met klaagster en de noodkreten die klaagster zelf in e-mails heeft geuit, het begrijpelijk is dat werd besloten om een melding te doen bij Veilig Thuis. Het is eveneens begrijpelijk dat werd gevreesd voor de veiligheid van met name de zoon indien het voornemen een melding te doen, zou worden besproken met klaagster. De beslissing om op dit punt af te wijken van de meldcode is na afstemming met de gedragswetenschapper genomen. Beklaagde is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Beklaagde heeft zorgvuldig gehandeld door persoonlijke informatie over klaagster met Veilig Thuis te delen.

Klaagster is door beklaagde in de gelegenheid gesteld om wijzigingen op het conceptverslag door te geven. Klaagster is hier niet op ingegaan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat beklaagde bewust onjuistheden in het conceptplan heeft opgenomen.

Op basis van de overgelegde stukken kan het College niet vaststellen dat het toestemmingsformulier achteraf door beklaagde is gewijzigd of dat beklaagde afspraken heeft verzonnen. De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klaagster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgmelding in te trekken. Een klacht kan ingevolge artikel 3.2. van het Tuchtreglement slechts betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en niet op de vraag of een zorgmelding al dan niet terecht is gedaan. Als een klacht gegrond is, kan het College alleen de tuchtmaatregelen opleggen die staan vermeld in artikel 5.1 van het Tuchtreglement.

lees verder

Klacht tegen jeugd-en gezinscoach van een Centrum Jeugd en Gezin (CJG) over het niet naleven van de meldcode, schending van de privacy en valsheid in geschrifte. De klachtonderdelen zijn ongegrond. Het College verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek de CJG te gelasten de zorgmelding in te trekken.

Zaaknummer: 18.058Tb
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond, verzoek klaagster is niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat beklaagde en beklaagde in zaaknummer 18.058Tc hebben mogen vertrouwen op de juistheid van het verslag van de wijkagent, zijnde een ambtenaar in functie. Hij is bij klaagster op huisbezoek geweest. Gelet op dit verslag en gelet op de zorgen die beklaagde in zaaknummer 18.058Ta al had over de situatie die stonden beschreven in een conceptgezinsplan en die waren besproken met klaagster en de noodkreten die klaagster zelf in e-mails heeft geuit, is het begrijpelijk dat werd besloten om een melding te doen bij Veilig Thuis. Het College acht het gelet op deze omstandigheden eveneens begrijpelijk dat er gevreesd werd voor de veiligheid van met name de zoon indien het voornemen een melding te doen, zou worden besproken met klaagster. De beslissing om op dit punt af te wijken van de meldcode is na afstemming met de gedragswetenschapper genomen. Beklaagde is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Klaagster is door beklaagde in zaaknummer 18.058Ta in de gelegenheid gesteld om wijzigingen op het conceptverslag door te geven. Klaagster is hier niet op ingegaan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat beklaagde bewust onjuistheden in het conceptplan heeft opgenomen.

De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klaagster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgmelding in te trekken. Een klacht kan ingevolge artikel 3.2. van het Tuchtreglement slechts betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en niet op de vraag of een zorgmelding al dan niet terecht is gedaan. Als een klacht gegrond is, kan het College alleen de tuchtmaatregelen opleggen die staan vermeld in artikel 5.1 van het Tuchtreglement.

lees verder

Klacht tegen jeugd-en gezinscoach van een Centrum Jeugd en Gezin (CJG) over het niet naleven van de meldcode, schending van de privacy en valsheid in geschrifte. De klachtonderdelen zijn ongegrond. Het College verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar verzoek de CJG te gelasten de zorgmelding in te trekken.

Zaaknummer: 18.058Tc
Datum beslissing: 11 januari 2019
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond, verzoek klaagster is niet ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College is van oordeel dat beklaagde en beklaagde in zaaknummer 18.058Tb hebben mogen vertrouwen op de juistheid van het verslag van de wijkagent, zijnde een ambtenaar in functie. Hij is bij klaagster op huisbezoek geweest. Gelet op dit verslag en gelet op de zorgen die beklaagde in zaaknummer 18.058Ta al had over de situatie die stonden beschreven in een conceptgezinsplan en die waren besproken met klaagster en de noodkreten die klaagster zelf in e-mails heeft geuit, is het begrijpelijk dat werd besloten om een melding te doen bij Veilig Thuis. Het College acht het gelet op deze omstandigheden eveneens begrijpelijk dat er gevreesd werd voor de veiligheid van met name de zoon indien het voornemen een melding te doen, zou worden besproken met klaagster. De beslissing om op dit punt af te wijken van de meldcode is na afstemming met de gedragswetenschapper genomen. Beklaagde is hiermee gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
Klaagster is door beklaagde in zaaknummer 18.058Ta in de gelegenheid gesteld om wijzigingen op het conceptverslag door te geven. Klaagster is hier niet op ingegaan. In het dossier zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat beklaagde bewust onjuistheden in het conceptplan heeft opgenomen.
De klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klaagster is niet ontvankelijk in haar verzoek om de zorgmelding in te trekken. Een klacht kan ingevolge artikel 3.2. van het Tuchtreglement slechts betrekking hebben op het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional en niet op de vraag of een zorgmelding al dan niet terecht is gedaan. Als een klacht gegrond is, kan het College alleen de tuchtmaatregelen opleggen die staan vermeld in artikel 5.1 van het Tuchtreglement.

lees verder

Beklaagde is in vrijwillig kader betrokken in een hulpverleningstraject dat is gestart na aanmelding bij de instelling door de moeder van de kinderen. Klager is daar niet bij betrokken. Ook heeft beklaagde nagelaten om op een neutrale en objectieve wijze derden te informeren over klager en heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. De klacht is eerder behandeld door de klachtencommissie van de instelling. Klager vraagt een oordeel van het College van Toezicht.

Zaaknummer: 18.104T
Datum beslissing: 10 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen IV(deels), VI en VII ongegrond; klachtonderdelen I, II, III, IV (deels) en V gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een Jeugd- en Gezinswerker die betrokken is in het vrijwillig kader zeven klachtonderdelen ingediend. Ingegaan wordt op klachtonderdeel I, II, III, IV(deels) en V, de klachtonderdelen die het College gegrond heeft verklaard. Beklaagde is betrokken geraakt nadat moeder de kinderen heeft aangemeld bij de instelling. Bij de start van de hulpverlening heeft beklaagde alleen met moeder en niet met klager een intakegesprek gehad. Hierdoor heeft zij geen volledig beeld van de situatie kunnen krijgen. Het College oordeelt dat dit handelen geen recht doet aan de positie van vader die op dat moment ouder met gezag was. Zij had klager moeten betrekken bij de start van de hulpverlening. Door het presenteren van vermoedens als feiten in een door beklaagde voor de RvdK geschreven advies geeft beklaagde blijk van een tunnelvisie. Beklaagde heeft de beschuldigingen richting klager niet geverifieerd of onderzocht. Het advies van beklaagde had volgens het College op een neutrale en objectieve wijze geschreven moeten worden. Een volgend klachtonderdeel ziet op een overleg dat beklaagde buiten klager om heeft georganiseerd. Klager en moeder hadden op dat moment nog gezamenlijk gezag. Beklaagde lijkt het overleg te hebben  georganiseerd ter bevestiging van haar visie over klager. Dit acht het College ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gegrond acht het College ook de klacht die ziet op het aanpassen van een tekst van een andere instelling en het doorsturen daarvan naar de RvdK. Deze zin had niet weggelaten mogen worden. Mogelijk ook had deze in positieve zin kunnen bijdragen aan het beeld op dat moment over klager. Ten aanzien van het niet informeren van klager over tegen hem bestaande vermoedens van seksueel misbruik concludeert het College dat zonder nader onderzoek een vermoeden als feit is gepresenteerd. Klager is hier eerst via de raadsonderzoeker mee geconfronteerd. Het College concludeert dat te weinig alternatieven zijn overwogen om klager hierover te horen, als gevolg waarvan er geen hoor en wederhoor is geweest.

Beklaagde heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de professionele standaard en hiermee artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), artikel K (vermoeden kindermishandeling) en artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Het College heeft geen beeld van na de uitspraak van de klachtencommissie mogelijk ondernomen acties ter verbetering van het beroepsmatig en vakinhoudelijk handelen, in de zin van zin supervisie of scholing. Hoewel beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen zag het College een jeugdprofessional die onmachtig was om haar reflectie te vertalen naar haar houding en handelen. Hierbij neemt het College in overweging dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de impact en de gevolgen van haar handelen voor klager. Het College heeft beklaagde dan ook de maatregel van een voorwaardelijke schorsing opgelegd.

lees verder

Klager verwijt de gezinsvoogd in haar casus niet de juiste professional te zijn omdat zij voormalig collega’s zijn. Ook klaagt zij over de wijze waarop zij hulp verleende in het kader van de ondertoezichtstelling. Artikelen D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en de richtlijnen ‘Samen beslissen over passende hulp’ en ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’ zijn geschonden. Het College heeft daarom een waarschuwing opgelegd.

Zaaknummer: 18.100T
Datum beslissing: 10 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I (deels) en VI gegrond; klachtonderdelen II, III, IV, V, VII en VIII ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van twee zonen. Klaagster en de vader van de kinderen zijn uit elkaar en hebben gezamenlijk het gezag. De kinderen zijn onder toezicht gesteld. Klaagster heeft acht klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen I en VI.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij had moeten inzien dat zij niet de juiste professional was in deze ondertoezichtstelling, omdat zij en beklaagde collega’s zijn geweest. Beklaagde stelt in haar verweer aan het begin van het traject met haar collega’s te hebben afgesproken te melden als zij zich door deze eerdere collegiale relatie in haar werkzaamheden belemmerd zou gaan voelen. Het College kan daarom niet volgen dat beklaagde dit heeft nagelaten toen zich dit voordeed (“Ik heb op mijn tenen gelopen/op eieren gelopen”). Op beklaagde rust een professionele verantwoordelijkheid om hierop alert te zijn. Het College vindt dat beklaagde door de samenwerking met klaagster toch voort te laten duren niet professioneel heeft gehandeld en kan zich niet voorstellen dat beklaagde zich naar klaagster neutraal en onafhankelijk kon opstellen. Daarmee heeft zij artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode geschonden.

In klachtonderdeel VI verwijt klaagster beklaagde dat zij niet transparant is geweest over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de jongste zoon. Het College stelt vast dat klaagster tijdens een gesprek met beklaagde heeft aangegeven het niet eens te zijn met het aldaar geuite voornemen de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Twee weken later heeft beklaagde klaagster gemaild dat, gezien de gewijzigde omstandigheden, de GI alsnog een verzoek indient ter verlenging van de ondertoezichtstelling en tevens een machtiging uithuisplaatsing zal vragen. Het College kan niet volgen waarom beklaagde klaagster hierover in het ongewisse heeft gelaten. Het verweer van beklaagde dat de periode hectisch was, doet niet aan af aan de plicht van beklaagde klaagster mee te nemen in een dergelijke beslissing. Het College oordeelt dat beklaagde onvoldoende overeenstemming dan wel instemming heeft gezocht met klaagster. Daarmee heeft zij artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

Nu klachtonderdelen I (deels) en VI gegrond zijn verklaard, beklaagde op meerdere punten verwijtbaar is tekortgeschoten en zich weinig reflectief heeft getoond, maar het handelen van beklaagde aan de andere kant beperkte gevolgen heeft, legt het College de maatregel van waarschuwing op.

lees verder