Beklaagde valt geen tuchtrechtelijk verwijt te maken voor haar handelen tijdens en voorafgaand aan haar verlofperiode

Zaaknummer: 16.126T
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep:  zaaknummer 17.025B.

Klager is de biologische vader van de jeugdige geboren in 2003. Op éénjarige leeftijd is de jeugdige uit huis geplaatst en geplaatst in een pleeggezin. De jeugdige is onder toezicht gesteld in 2005, en is sindsdien woonachtig in een pleeggezin. Tussen 2006 en 2011 is klager belast geweest met het ouderlijk gezag. Sinds 2011 zijn beide ouders ontheven uit het ouderlijk gezag. In augustus 2012 is beslist dat klager één keer per kwartaal door de GI op de hoogte wordt gebracht over belangrijke ontwikkelingen die de jeugdige of diens verzorging en opvoeding betreffen.

Beklaagde is betrokken geweest vanuit de GI. Zij is met verlof gegaan in maart 2016 waarna zij tijdens haar verlof vervolgens de werkzaamheden per augustus 2016 voor de GI heeft beëindigd.

Klacht

Kort samengevat verwijt klager beklaagde dat zij klager niet tijdig heeft geïnformeerd over het feit dat zij zou stoppen als gezinsvoogd. Ten tweede heeft beklaagde niet gezorgd voor vervanging tijdens haar verlof, dan wel vanaf haar vertrek. Ten derde heeft beklaagde tot op heden nagelaten om de afgesproken kwartaalrapportages op te sturen. Tot slot heeft beklaagde geen nieuwe dossierinzage voor klager geregeld vanaf augustus 2016.

Beslissing

Het College acht de klachtonderdelen I, III en IV ongegrond en verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel II. Het College kan niet vaststellen of klager de e-mail wel of niet heeft ontvangen omdat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. Voor een oordeel of een bepaalde verweten gedraging van beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moet eerst worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Klager is niet-ontvankelijk in het tweede klachtonderdeel nu het niet tot de taak van beklaagde behoort om vervanging te regelen tijdens haar verlof en op het moment dat zij haar werkzaamheden voor de GI beëindigt. Dat is een taak die is voorbehouden aan de GI. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel oordeelt het college dat er geen aanknopingspunten zijn gevonden die leiden tot de conclusie dat beklaagde de kwartaalrapportages niet heeft opgestuurd of niet heeft willen opsturen. Tot slot is het vierde klachtonderdeel ongegrond nu beklaagde geen verwijt kan worden gemaakt omdat gaat om een dossierinzage tijdens haar verlof.