Beide partijen gaan in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. Nu de gezinsvoogd op basis van haar professionele autonomie de ondertoezichtstelling mocht blijven uitvoeren, verklaart het College van Beroep het beroep van de gezinsvoogd gegrond en trekt de maatregel van waarschuwing in.

Zaaknummer: 17.026B (17.013T)
Datum beslissing: 11 april 2018
Oordeel: principaal beroep ongegrond, incidenteel beroep gegrond, klachtonderdeel III wordt alsnog ongegrond verklaard
Maatregel: waarschuwing ingetrokken, geen maatregel opgelegd

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 17.013T

Het College van Toezicht heeft klaagster in het eerste klachtonderdeel deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige het klachtonderdeel ongegrond verklaard. Voorts heeft het College van Toezicht klachtonderdeel II ongegrond en klachtonderdeel III gegrond verklaard. Beide partijen gaan voor zover zij in het ongelijk zijn gesteld in beroep.

Het College van Beroep volgt het College van Toezicht in de beoordeling van de eerste twee klachtonderdelen, die betrekking hebben op het in gevaar brengen van de kinderen en de communicatie met klaagster. Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op het gebrek aan vertrouwen van klaagster in beklaagde. Het College van Toezicht heeft deze klacht gegrond verklaard. Bij de behandeling door het College van Toezicht is vastgesteld dat er geen onderling vertrouwen meer was tussen partijen. In beroep wordt hetzelfde geconstateerd. Onderdeel van het oordeel van het College van Toezicht is dat beklaagde zonder begeleiding en ondersteuning verder is gegaan in deze zaak. Nu beklaagde onweersproken heeft gesteld dat zij een supervisietraject heeft gevolgd en overleg heeft gevoerd met haar collega’s over de te volgen koers, volgt het College van Beroep het College van Toezicht niet in dit oordeel.

Waar het College van Toezicht van oordeel is dat beklaagde op basis van haar eigen autonomie een grens had moeten trekken, oordeelt het College van Beroep dat beklaagde in de onderhavige zaak voor dit dilemma voldoende oog heeft gehad. Immers, zij heeft de situatie besproken binnen haar organisatie waarna zij de opdracht kreeg toch verder te gaan met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Beroep vindt het te ver gaan om in een situatie als deze te concluderen, dat beklaagde tegenover haar werkgever had moeten weigeren om nog verder te gaan met haar rol als gezinsvoogd in de casus.

De grieven van klaagster falen, de grief van beklaagde (in incidenteel beroep) slaagt. Nu alle klachtonderdelen alsnog ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard ziet het College van Beroep aanleiding om de opgelegde maatregel van waarschuwing in te trekken.