Beklaagde is in vrijwillig kader betrokken in een hulpverleningstraject dat is gestart na aanmelding bij de instelling door de moeder van de kinderen. Klager is daar niet bij betrokken. Ook heeft beklaagde nagelaten om op een neutrale en objectieve wijze derden te informeren over klager en heeft er geen hoor en wederhoor plaatsgevonden. De klacht is eerder behandeld door de klachtencommissie van de instelling. Klager vraagt een oordeel van het College van Toezicht.

Zaaknummer: 18.104T
Datum beslissing: 10 januari 2019
Oordeel: klachtonderdelen IV(deels), VI en VII ongegrond; klachtonderdelen I, II, III, IV (deels) en V gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft tegen een Jeugd- en Gezinswerker die betrokken is in het vrijwillig kader zeven klachtonderdelen ingediend. Ingegaan wordt op klachtonderdeel I, II, III, IV(deels) en V, de klachtonderdelen die het College gegrond heeft verklaard. Beklaagde is betrokken geraakt nadat moeder de kinderen heeft aangemeld bij de instelling. Bij de start van de hulpverlening heeft beklaagde alleen met moeder en niet met klager een intakegesprek gehad. Hierdoor heeft zij geen volledig beeld van de situatie kunnen krijgen. Het College oordeelt dat dit handelen geen recht doet aan de positie van vader die op dat moment ouder met gezag was. Zij had klager moeten betrekken bij de start van de hulpverlening. Door het presenteren van vermoedens als feiten in een door beklaagde voor de RvdK geschreven advies geeft beklaagde blijk van een tunnelvisie. Beklaagde heeft de beschuldigingen richting klager niet geverifieerd of onderzocht. Het advies van beklaagde had volgens het College op een neutrale en objectieve wijze geschreven moeten worden. Een volgend klachtonderdeel ziet op een overleg dat beklaagde buiten klager om heeft georganiseerd. Klager en moeder hadden op dat moment nog gezamenlijk gezag. Beklaagde lijkt het overleg te hebben  georganiseerd ter bevestiging van haar visie over klager. Dit acht het College ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Gegrond acht het College ook de klacht die ziet op het aanpassen van een tekst van een andere instelling en het doorsturen daarvan naar de RvdK. Deze zin had niet weggelaten mogen worden. Mogelijk ook had deze in positieve zin kunnen bijdragen aan het beeld op dat moment over klager. Ten aanzien van het niet informeren van klager over tegen hem bestaande vermoedens van seksueel misbruik concludeert het College dat zonder nader onderzoek een vermoeden als feit is gepresenteerd. Klager is hier eerst via de raadsonderzoeker mee geconfronteerd. Het College concludeert dat te weinig alternatieven zijn overwogen om klager hierover te horen, als gevolg waarvan er geen hoor en wederhoor is geweest.

Beklaagde heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de professionele standaard en hiermee artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), artikel K (vermoeden kindermishandeling) en artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Het College heeft geen beeld van na de uitspraak van de klachtencommissie mogelijk ondernomen acties ter verbetering van het beroepsmatig en vakinhoudelijk handelen, in de zin van zin supervisie of scholing. Hoewel beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen zag het College een jeugdprofessional die onmachtig was om haar reflectie te vertalen naar haar houding en handelen. Hierbij neemt het College in overweging dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de impact en de gevolgen van haar handelen voor klager. Het College heeft beklaagde dan ook de maatregel van een voorwaardelijke schorsing opgelegd.