Beklaagde is psycholoog. Zonder toestemming van klaagster is zij PCIT gestart ten behoeve van de minderjarige en het pleeggezin waar deze in het kader van een ondertoezichtstelling verblijft. Het College overweegt dat sprake is van een behandeling in de zin van de WGBO. Deze behandeling valt niet onder de uitzondering van artikel 7.3.1 lid 3 van de Jeugdwet. Aan klaagster als ouder met gezag had toestemming gevraagd moeten worden voor de start van PCIT. Beklaagde heeft gehandeld in strijd met de Beroepscode voor Psychologen en ook met de Richtlijn Samen beslissen.

Zaaknummer: 17.110T
Datum beslissing: 24 mei 2018
Oordeel: gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Wegens de ernst van de problematiek is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de GI. De gezinsvoogden van de GI achten de inzet van jeugdhulp in de vorm van Parent Child Interaction Therapy (PCIT) voor het kind noodzakelijk. Het kind verblijft sinds september 2016 in een perspectief biedend pleeggezin. Beklaagde wordt verweten dat zij zonder toestemming en medeweten van klaagster een PCIT behandeling bij het kind heeft verricht. Ook heeft beklaagde de levenslijn van het kind opgemaakt, met daarin negatieve informatie over klaagster en de vader. Dit had volgens klaagster het doel om de levenslijn, zonder toestemming van klaagster, met het kind te bespreken. Klaagster heeft gezag over het kind.

Beklaagde betwist dat klaagster niet op de hoogte was van de inzet van PCIT. Zij verwijst naar een hulpverleningsplan waarin staat dat PCIT wordt aangeboden aan de pleegouders. Dit plan is met klaagster en vader besproken. Het contact met klaagster verliep in eerste instantie via de medewerkers van de GI. Toen beklaagde voor het eerst zelf contact had met klaagster heeft zij een uitleg gegeven over de levenslijn en de PCIT-behandeling.

Het College oordeelt dat beklaagde verwijtbaar heeft gehandeld. De bepalingen uit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) zijn van dwingend recht. Voor patiƫnten jonger dan 12 jaar dienen de ouders met gezag toestemming te geven ter uitvoering van een behandelovereenkomst. De bepaling in de Jeugdwet dat geen toestemming nodig is voor jeugdhulp in het gedwongen kader geldt niet voor jeugdhulp in de vorm van geneeskundige behandeling. Omdat de PCIT een geneeskundige behandeling is in de zin van de WGBO, had klaagster voor deze behandeling toestemming moeten geven. Beklaagde heeft nagelaten om toestemming te vragen. Het kennisnemen door klaagster van de inzet van PCIT via een hulpverleningsplan is daartoe onvoldoende. Dat de communicatie met klaagster in het kader van de ondertoezichtstelling via de medewerkers van de GI liep, doet aan de verantwoordelijkheid van beklaagde op zichzelf niet af. De uitvoering van de ondertoezichtstelling ontslaat beklaagde immers niet van de verplichting de ouders zoveel mogelijk te betrekken bij de begeleiding en behandeling van het kind. Ook voor het opstellen van de levenslijn van het kind als onderdeel van de behandeling ontbrak de ondubbelzinnige toestemming van klaagster ten onrechte. Tevens is niet duidelijk hoe beklaagde is omgegaan met het ontstane conflict van plichten. Met het niet vragen van toestemming tot slot heeft beklaagde de Richtlijn Samen met ouder en jeugdige beslissen over hulp heeft geschonden. De uitvoering van de ondertoezichtstelling ontslaat beklaagde immers niet van de verplichting de ouders zoveel mogelijk te betrekken bij de begeleiding en behandeling. Het College stelt vast dat beklaagde heeft gehandeld in strijd met bepalingen uit de Beroepscode voor Psychologen.

Beklaagde heeft ter zitting onvoldoende blijk gegeven van inzicht in haar eigen verantwoordelijkheid als psycholoog. Wel heeft beklaagde blijk gegeven bereid en in staat te zijn tot reflectie op het eigen handelen. Het College komt tot de slotsom dat de maatregel van waarschuwing passend is.