Beklaagde is tekort geschoten bij de besluitvorming tot spoedmachtiging uithuisplaatsing. Voorts had beklaagde de regie moeten nemen en zelf een voorstel moeten doen voor een omgangregeling

Zaaknummer: 17.005T
Datum beslissing: 4 augustus 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond, deels niet-ontvankelijk
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager en zijn ex-partner hebben samen een dochter en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. In maart 2009 is de hoofdverblijfplaats van de dochter bij klager vastgesteld en in december 2014 is de dochter onder toezicht gesteld. Beklaagde is van 25 januari 2016 tot en met 31 mei 2016 betrokken geweest bij het gezin. In februari 2016 heeft zich een incident voorgedaan bij het ophalen van de dochter door klager. Klager heeft beklaagde een dag later hiervan op de hoogte gesteld. Twee dagen later is door beklaagde met alle betrokken partijen afzonderlijk gesproken. Diezelfde dag is door de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven waarbij de verblijfplaats van de dochter is gewijzigd naar moeder. In maart 2016 is de dochter bij rechterlijke beschikking uit huis geplaatst. De machtiging uithuisplaatsing is telkens verlengd. Ook is een omgangsregeling tussen klager en de dochter vastgesteld. In april 2016 heeft beklaagde na overleg met klager en moeder besloten de omgang tussen klager en de dochter voorlopig stop te zetten. Bij rechterlijke beschikking in september 2016 is door de rechter een onbegeleide omgangsregeling tussen klager en de dochter vastgesteld.

Klacht

Kort samengevat verwijt klager beklaagde dat zij de dochter onterecht uit huis heeft geplaatst. In de tweede plaats heeft beklaagde de omgangsregeling in april 2016 onterecht stopgezet. Ten derde heeft beklaagde de cursus ‘Kinderen uit de Knel’ gestopt. Ten vierde heeft beklaagde de partner van moeder uitgenodigd voor gesprekken terwijl klager daar bezwaar tegen had. Tot slot heeft beklaagde de rechter eenzijdig voorgelicht, hierdoor heeft de rechter een verkeerde beslissing genomen.

Beslissing

Klachtonderdelen drie en vier zijn ongegrond. Klager is niet-ontvankelijk in klachtonderdeel V nu het College niet bevoegd is om de gronden van een rechterlijke beschikking te toetsen. Klachtonderdeel één heeft het College gegrond verklaard. Het College is van oordeel dat van beklaagde als jeugdprofessional verwacht mag worden dat zij door met klager in gesprek te gaan, onderzoekt waarom klager onder andere heeft gesteld dat zijn dochter niet meer bij hem kon wonen. Beklaagde heeft nagelaten om onmiddellijk bij aanvang van het huisbezoek aandacht te geven aan de emoties van klager. Evenmin heeft beklaagde haar interpretatie van de gebeurtenis met klager gedeeld noch heeft zij zijn visie gehoord. Ook de stap van uithuisplaatsing van de dochter is niet met klager besproken. Beklaagde is aldus in de communicatie met klager te kort geschoten en heeft gehandeld in strijd met artikel 2F van de Beroepscode.
Het tweede klachtonderdeel is ook gegrond verklaard. In een situatie waarin moeder en klager moeizaam communiceren had van beklaagde als jeugdprofessional verwacht mogen worden dat zij  de regie neemt en zelf een voorstel doet voor een omgangsregeling.  Niet gebleken is dat beklaagde voldoende heeft gereflecteerd op de mogelijke consequenties van haar handelen.
Alle omstandigheden in aanmerking nemende, acht het College het opleggen van een waarschuwing passend en geboden.