Beklaagde had niet zonder toestemming van de kinderrechter over mogen gaan tot een uithuisplaatsing van de jeugdige

Zaaknummer: 16.105Ta
Datum beslissing: 15 juni 2017
Oordeel: deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster was de pleegmoeder van de jeugdige. In eerste instantie is de jeugdige vanwege een zeer bedreigende thuissituatie op basis van een crisisplaatsing bij klaagster geplaatst. Later is dit over gegaan in een reguliere plaatsing. Beklaagde is de tweede gezinsvoogd die bij het gezin betrokken is. Naar aanleiding van een ontvangen zorgmelding is de jeugdige ondergebracht in een ander pleeggezin. Twee weken later heeft een gesprek plaatsgevonden met klaagster waarbij besloten is om de samenwerking met klaagster als pleegouder te beëindigen.

Klacht

Kort samengevat verwijt klaagster beklaagde dat op grond van één anonieme melding, zonder daarover met klaagster een gesprek te hebben gevoerd en zonder navraag en nader onderzoek te hebben gedaan de jeugdige bij haar is weggehaald. Ten tweede heeft beklaagde op een onveilige manier de jeugdige vervoerd. Ten derde heeft beklaagde niet duidelijk over de zorgmelding verteld en de melding telkens veranderd. Ten vierde wil beklaagde geen normaal gesprek voeren met klaagster. Ten vijfde mag beklaagde op grond van één anonieme melding een kind niet weghalen bij een pleeggezin. Ten zesde heeft beklaagde de jeugdige een enorm trauma bezorgd. Tot slot gaat het om een valse beschuldiging jegens klaagster.

Beslissing

Het eerste klachtonderdeel is ongegrond. Het College is van oordeel dat beklaagde op basis van voldoende gronden de beslissing heeft genomen om de jeugdige met spoed uit huis te plaatsen. Niet gebleken is dat beklaagde de jeugdige op een onveilige manier heeft vervoerd. Het derde klachtonderdeel is ongegrond. Naar het oordeel van het College blijkt uit de stukken dat het voor klaagster duidelijk was waar de zorgmelding op zag. Het vierde klachtonderdeel is ongegrond. Het College heeft hierbij opgemerkt dat de bemoeienis van beklaagde zich in een periode van slechts twee weken heeft afgespeeld. Niet gebleken is dat de twee gesprekken die beklaagde met klaagster heeft gevoerd niet op een normale wijze zouden zijn verlopen. Het vijfde klachtonderdeel is gegrond. Het College oordeelt dat hoewel de uithuisplaatsing van de jeugdige gelet op de acute situatie, begrijpelijk is, dat onverlet laat dat beklaagde dit zonder de benodigde toestemming van de kinderrechter heeft gedaan. Ten aanzien van het zesde klachtonderdeel, is het College niet gebleken dat beklaagde de jeugdige een enorm trauma heeft bezorgd. Tot slot is het zevende klachtonderdeel ongegrond. Het College is van oordeel dat hetgeen klaagster heeft gesteld niet ziet op het doen van een valse beschuldiging, maar dat beklaagde de belangen van de jeugdige heeft afgewogen.

Het College acht klachtonderdeel vijf gegrond. Echter nu de verplichting tot het vragen van toestemming aan de rechter pas kort voor 1 juni 2016 namelijk op 11 mei 2016, de jeugdige pas net een jaar bij klaagster verbleef en de overschrijding van de periode waarin nog geen toestemming nodig was zeer kort is, is het opleggen van een maatregel niet op zijn plaats. Het College heeft daarbij betrokken dat beklaagde heeft gereflecteerd op zijn handelen.