Case manager onvoldoende betrokken en gezag en invloed ten opzichte van moeder onvoldoende positief aangewend

Zaaknummer: 15.004B
Datum beslissing: 5 januari 2016
Oordeel: deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Moeder klaagt, dat de case manager niet naar haar zou hebben geluisterd en haar niet serieus zou hebben genomen in haar zorgen over haar 12-jarige zoon. De case manager zou die zoon maar enkele keren kort hebben gezien en gesproken, waardoor de case manager niet voldoende betrokken was bij dit kind. De case manager zou haar persoonlijke ervaringen hebben benoemd in een gesprek met grootmoeder m.z. en deze hebben laten meewegen in de situatie rond haar zoon. De case manager zou de behandeling van het gehele gezin via een gezinsopname hebben willen doordrukken. De case manager zou tot een verzoek tot raadsonderzoek hebben besloten op het moment dat de moeder een second opinion had gevraagd over de noodzaak van de gezinsopname.

Het College: een jeugdzorgwerker dient op grond van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zodanig contact te onderhouden met de jeugdige cliënt dat er voldoende rekening kan worden gehouden met zijn wensen en verlangens ten aanzien van de hulpverlening – dit alles in overeenstemming met zijn leeftijd. Indien de jeugdzorgwerker dit contact niet zelf onderhoudt, dient deze tenminste via derden adequate informatie van de zijde van de jeugdige te ontvangen. In de onderhavige zaak heeft de gezinsvoogd in dit opzicht niet voldaan aan de Beroepscode.

Voorts heeft de jeugdzorgwerker de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld toen het gezin weigerde mee te werken aan een gezinsopname, terwijl op dat moment nog een second opinion bij het Centrum voor Jeugdpsychiatrie liep. Het onderzoek van de Raad resulteerde in een verzoek tot ondertoezichtstelling van alle kinderen van moeder. Volgens de case manager en Bureau Jeugdzorg was de onverwijlde inschakeling van de Raad in het belang van de kinderen. Het College van Beroep heeft echter geen bevredigend antwoord gekregen op de vraag waarom er niet gewacht kon worden op de uitslag van de second opinion. Door dit handelen heeft de casemanager het vertrouwen in de jeugdzorg onvoldoende bevorderd (Beroepscode onder 1D), en het gezag en de invloed die zij ten opzichte van moeder had niet, althans onvoldoende ten positieve aangewend (Beroepscode onder 2H).

De moeder is eerder op dit voor haar wezenlijke punt van het geschil in het gelijk is gesteld zowel door de Klachtencommissie Cliënten GGZD als door de Klachtencommissie van BJZ. De moeder heeft aangegeven, dat de case manager ook na de uitspraak van laatst vermelde Klachtencommissie nooit haar excuus heeft aangeboden voor de door haar gemaakte fouten en dat zij ernstig twijfelt of de instelling daar werkelijk lessen uit heeft getrokken. Aan de case manager is ter zitting uitdrukkelijk gevraagd of ze bereid was haar excuus voor de door haar gemaakte fouten aan te bieden. Zij is echter niet verder gekomen, dan dat er mogelijk sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar zij heeft enige door haar gemaakte fout niet willen erkennen. Het College van Beroep betreurt deze gang van zaken in hoge mate. Het in staat zijn om terug te komen op eerder ingenomen standpunten, wanneer deze onjuist blijken te zijn, is een kwaliteit, die juist in de jeugdhulpverlening, waarbij sprake is van afhankelijkheid van cliënten in de professionele relatie, bijzonder te pas komt.

Conclusie: drie klachten slagen, twee klachten zijn ongegrond. In tegenstelling tot het College van Toezicht van de NVMW, die alle klachten ongegrond heeft verklaard, legt het College van Beroep SKJ vanwege de ernst van de feiten een waarschuwing op.