Deels gegronde klacht tegen een jeugd- en gezinswerker die als tijdelijk waarnemer belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is haar onvoldoende gelukt een constructieve samenwerking aan te gaan met de betrokkenen. De moeder is onder meer niet in de gelegenheid gesteld te reageren op een rapportage die aan de kinderrechter is verzonden.

Zaaknummer: 17.028T
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: klachtonderdelen I (deels), II, III en IV (deels) gegrond; klachtonderdelen I (deels), IV (deels), V, VI en VII ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De moeder van twee kinderen dient zeven klachtonderdelen in tegen een jeugd- en gezinswerker die, als tijdelijk waarnemer, belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Deze samenvatting gaat in op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen.

In klachtonderdelen I en II wordt de jeugd- en gezinswerker onder meer verweten dat de moeder ten onrechte niet is betrokken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en dat er geen gelegenheid is geboden om inhoudelijk te reageren op de aan de kinderrechter toegestuurde rapportage. Het College oordeelt dat op grond van artikel G (overeenstemming/instemming) van de Beroepscode een jeugdprofessional de inspanningsverplichting heeft om met de ouder(s) te overleggen en hun mening te vragen rondom het verzoek aan de kinderrechter over het al dan niet verlengen van de ondertoezichtstelling. Tevens heeft een ouder op grond van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode het recht op inzage en correctie van rapportage. Nu de jeugd- en gezinswerker heeft nagelaten de moeder te betrekken bij het opstellen van het verzoek aan de kinderrechter, en zij de moeder ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op de rapportage, heeft zij naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met voornoemde artikelen uit de Beroepscode.

Het College overweegt in klachtonderdeel III dat de jeugd- en gezinswerker door de aangekondigde aanwezigheid van de advocaat van de moeder (als zijnde haar vertrouwenspersoon) een gesprek met de moeder heeft afgezegd. Het College is van oordeel dat ten behoeve van de rechtsbescherming iedereen recht heeft op rechtsbijstand, al dan niet in de vorm van een advocaat. Nu de jeugdprofessional geen bereidheid heeft getoond in overleg met de moeder te treden in aanwezigheid van haar advocaat, acht het College artikel C (bereid iedere cli├źnt te helpen) van de Beroepscode geschonden.
De moeder verwijt de jeugd- en gezinswerker in klachtonderdeel IV dat sprake was van geen tot slechte communicatie. Deze klacht bestaat uit drie onderdelen. Ten aanzien van het eerste onderdeel oordeelt het College als volgt. De jeugd- en gezinswerker had aan de ouders gecommuniceerd dat zij een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden zou verzoeken. Vervolgens is de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden te verzoeken. Een ondertoezichtstelling, als kinderbeschermingsmaatregel, kan voor ouders verstrekkende en/of ingrijpende gevolgen hebben. Het is daarom van belang dat de jeugdprofessional de daadwerkelijke duur die verzocht wordt aan de ouders kenbaar maakt. Dat de moeder niet juist is geïnformeerd over de verzochte termijn, acht het College in strijd met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. De andere twee onderdelen worden ongegrond verklaard.

Het College acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.