Een medewerker van het wijkteam dient een tuchtklacht in over een collega beroepsgenoot, onder andere wegens het gebrek aan samenwerking in een casus. Het College van Toezicht verklaart de klacht gegrond wegens schending van artikelen A, G, N en O van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Daarnaast betrekt het College van Toezicht ambtshalve in het oordeel dat de jeugdzorgwerker onvoldoende heeft meegewerkt aan de tuchtrechtelijke procedure en daarmee blijk heeft gegeven van minachting van het tuchtrecht.

Zaaknummer: 18.029T
Datum beslissing: 14 maart 2019
Oordeel: gegrond
Maatregel: voorwaardelijke schorsing

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde is werkzaam geweest als jeugdzorgwerker bij een instelling. Beklaagde is vanuit die rol betrokken geweest bij een moeder en haar twee minderjarige kinderen in een drangtraject dat werd uitgevoerd door de instelling. In verband met de hulpvraag van de moeder is het wijkteam betrokken. Vanuit het wijkteam een generalist toegewezen. De klager is later als SKJ geregistreerde jeugdprofessional bij de casus betrokken geraakt.

Nadat klager en de generalist tevergeefs meerdere malen contact hebben gezocht met beklaagde, heeft klager aan beklaagde laten weten ernstige zorgen te hebben over de casus en geen zicht te hebben op de situatie. Wegens gebrek aan (actieve) inzet vanuit beklaagde neemt klager uiteindelijk contact op met de manager van beklaagde. De instelling besluit de betrokkenheid van beklaagde bij de casus te beëindigen.

Klager besluit vervolgens een tuchtklacht in te dienen over zijn collega beroepsgenoot vanuit zijn persoonlijke opvatting dat het voor de beroepsgroep van belang is dat gesignaleerd wordt als een jeugdprofessional de normen overtreedt. De kern van de tuchtklacht is dat er geen sprake is geweest van samenwerking tussen klager/het wijkteam en beklaagde en dat beklaagde de regie niet heeft gepakt waardoor er in de periode waarin beklaagde betrokken is geweest er geen hulpverlening tot stand heeft kunnen komen. Het College is van oordeel dat er een schending is van de artikelen A, G, N en O van de Beroepscode. Hierbij heeft het College onder andere overwogen dat er ondanks herhaalde pogingen geen contact tot stand is gekomen tussen de generalist/klager en beklaagde, beklaagde niet de regie heeft gepakt en hij de afspraken met betrekking tot de hulpverlening aan de moeder niet/te laat is nagekomen. Beklaagde heeft zich niet of nauwelijks ingespannen om het hulpverleningsproces op gang te brengen. Dat de gevolgen in de onderhavige situatie uiteindelijk beperkt zijn gebleven, is doordat klager via de leidinggevende van beklaagde actie heeft ondernomen én omdat de moeder vanwege een aanvraag uit de Participatiewet bij het wijkteam in beeld is gebleven.

Het College heeft daarnaast ambtshalve in het oordeel betrokken dat het een parallel heeft geconstateerd in het handelen c.q. nalaten van beklaagde gedurende zijn betrokkenheid in de onderhavige zaak en het handelen c.q. nalaten in de tuchtrechtelijke procedure. Het College heeft moeten constateren dat beklaagde aan deze procedure niet afdoende heeft meegewerkt. Niet alleen heeft dit een voortvarende behandeling van de klacht belemmerd, maar tevens heeft beklaagde hiermee blijk gegeven van minachting van het tuchtrecht. Het College constateert dat beklaagde zich heeft beperkt tot excuses, maar geen enkele opening heeft geboden leidend tot een inhoudelijke verantwoording van zijn handelen.