Gegronde klacht tegen een zorgboerin over onder meer dat zij met klaagster, als ouder met eenhoofdig gezag, niet heeft afgestemd over de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij. Een berisping wordt opgelegd, meerdere artikelen van de Beroepscode zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.110T
Datum beslissing: 14 januari 2019
Oordeel: klachtonderdeel VI in overleg niet verder behandeld; klachtonderdelen I, II, IV en IX ongegrond; klachtonderdeel VII deels gegrond; klachtonderdelen III, V en VIII gegrond.
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is de moeder van een minderjarige zoon. De zoon is voor dagbesteding op de zorgboerderij van beklaagde geplaatst. Tegen de zorgboerin zijn negen klachtonderdelen ingediend. De verwijten in klachtonderdelen I, II, IV en IX hebben betrekking op het moment van de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij. Klachtonderdeel III betreft het verwijt dat klaagster niet is geïnformeerd over of uitgenodigd voor een overleg over de zorgbehoeften van de zoon. In klachtonderdeel V wordt beklaagde verweten dat zij het dossier niet aan klaagster verstrekt heeft. Klachtonderdeel VI gaat over het onjuist vermelden van de SKJ-registratie op de website. Het verwijt in klachtonderdeel VII is dat informatie met derden is gedeeld zonder de toestemming van klaagster. Tot slot wordt beklaagde in klachtonderdeel VIII verweten dat het vertrouwen in de zorg en een goede samenwerking is geschaad.

In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdelen III en VIII. In klachtonderdeel III wordt beklaagde verweten dat zij sinds de plaatsing van de zoon op de zorgboerderij klaagster niet heeft geïnformeerd en haar evenmin heeft uitgenodigd voor overleg. Het College overweegt dat alhoewel er in het begin sprake was van een “geheime plaatsing”, klaagster in mei 2018 in kennis is gesteld van de plaatsing van de zoon bij de zorgboerderij. Daarnaast is beklaagde op enig moment bekend geworden met het gegeven dat klaagster het eenhoofdig gezag uitoefent over de zoon. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij desondanks geen contact met klaagster heeft opgenomen, ook niet na de verzoeken van klaagster hiertoe. Een jeugdprofessional heeft immers de plicht om te overleggen over de hulpverlening met de jeugdige cliënt en/of diens ouder(s).

In klachtonderdeel VIII wordt beklaagde verweten met haar handelen het vertrouwen van klaagster in de zorg ernstig heeft geschaad. Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat zij, na mondelinge afstemming met de jeugdbeschermer van de GI, akkoord is gegaan met de plaatsing. Het College neemt het beklaagde kwalijk dat zij gestart is met het bieden van jeugdhulp aan de zoon op basis van een te beperkte overdracht van de GI. Het College verwacht van een jeugdprofessional dat hij voorafgaand aan een plaatsing, al dan niet een geheime, een en ander schriftelijk verifieert bij de aanmeldende persoon of instelling. Ook acht het College het handelen van beklaagde gedurende het hele traject onvoldoende, in die zin dat zij een passieve houding heeft aangenomen en onvoldoende initiatief genomen heeft.

Het College neemt het beklaagde ernstig kwalijk dat zij op geen enkele wijze met klaagster, als zijnde gezaghebbende ouder van de zoon, heeft afgestemd en acht meerdere artikelen uit de Beroepscode geschonden. Voor de op te leggen maatregel houdt het College rekening met het gegeven dat beklaagde haar verantwoordelijkheid heeft willen nemen en dat zij haar excuses aangeboden heeft. Ook is beklaagde ten tijde van haar handelen pas een korte tijd geregistreerd. Beklaagde heeft tot slot tijdens de mondelinge behandeling van de klacht gereflecteerd op haar handelen. Alles in overweging nemende acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.