De gezinsvoogd heeft conform de professionele standaard gehandeld door een gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken, nu de aanvaardbare termijn voor de dochter vier jaar na de uithuisplaatsing ruimschoots was verlopen. Het College legt geen maatregel op.

Zaaknummer: 16.169T
Datum beslissing: 10 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is moeder van een dochter en heeft het gezag. Tussen vader en dochter is geen contact. In 2011, toen de dochter twee maanden was, is een ondertoezichtstelling uitgesproken. Beklaagde is hier vanaf het begin bij betrokken. In mei 2011 is de dochter voor één maand uit huis geplaats bij pleegmoeder W. Daarna is de dochter voor acht maanden geplaatst bij dezelfde pleegmoeder. Eind 2012 heeft klaagster een Eigen Plan-Bijeenkomst (EPB) georganiseerd. Een familielid van moederszijde heeft aangegeven voor de dochter te willen zorgen. Medio 2013 is de dochter geplaatst bij deze pleegmoeder C. Begin 2014 heeft klaagster een schriftelijke aanwijzing gekregen met voorwaarden waaraan zij moet voldoen voor terugplaatsing. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn steeds verlengd. In september 2014 hoort klaagster dat de dochter niet zal worden teruggeplaatst. Er komt een omgangsregeling met klaagster. Er vindt weer een EPB plaats en in mei 2016 wordt de dochter geplaatst bij een nieuwe tante (pleegmoeder A.), nu pleegmoeder C. de zorg niet langer op zich wil nemen. In augustus 2016 vernietigt het hof de beschermingsmaatregelen en de gezagsbeëindigende maatregel. De dochter verblijft nu in het vrijwillig kader bij pleegmoeder A.

Klacht

Klaagster verwijt beklaagde dat zij onterecht om een gezagsbeëindigende maatregel verzocht heeft, terwijl klaagster zich aantoonbaar heeft ingezet om haar besproken persoonlijke omstandigheden te verbeteren. Thuisplaatsing is onvoldoende onderzocht, zo heeft beklaagde onvoldoende binnen het netwerk van klaagster gezocht. Klaagster is het recht op twee uur omgang met haar dochter ontnomen, nu één bezoek al na een uur werd afgebroken omdat de pleegzorgbegeleidster niet langer kon blijven. Beklaagde heeft onvoldoende passende hulp voor een betere ontwikkeling van de dochter georganiseerd. Beklaagde heeft onvoldoende activiteiten verricht om de banden tussen de familie en de dochter te behouden. Beklaagde heeft onterecht krachtermen als Borderline en laag IQ gebruikt om de beperkingen van de moeder aan te geven. Klaagster is niet betrokken bij een overleg op school en beklaagde heeft klaagster belet gebruik te maken van een interne klachtenprocedure. Klaagster wilde een andere gezinsvoogd maar krijgt die niet.

Beslissing

Het College heeft begrip voor de teleurstelling van klaagster dat er niet is terug geplaatst maar de aanvaardbare termijn voor de dochter was overschreden nu de dochter op 9 mei 2011 uit huis is geplaatst, het opvoedbesluit is genomen in september 2014 en in april 2015 het verzoek is gedaan tot een gezagsbeëindigende maatregel. Beklaagde heeft onder die omstandigheden niet anders kunnen handelen. Beklaagde heeft voorts naar het oordeel van het College voldoende aangetoond dat zij het netwerk heeft betrokken. De dochter is twee keer conform de wens van klaagster in een netwerkgezin geplaatst. De omgang is slechts één keer een uur geweest. Dat was omdat de agenda van de pleegzorgbegeleider langer niet toeliet. Beklaagde was daar niet zelf bij aanwezig en heeft daarna haar best gedaan de omgang weer goed op gang te laten komen. De passende hulp is wel degelijk geboden, zo heeft de dochter op school ondersteuning gekregen door stichting Semmy maar de voorgestelde videobegeleiding is door klaagster zelf tegen gehouden. Klaagster heeft onvoldoende onderbouwd dat beklaagde de familiebanden niet goed heeft behouden, nu de dochter steeds bij familie is geplaatst. De termen Borderline en laag IQ zijn overgenomen uit het rapport van Altra volgens beklaagde. Zij was hiervan op de hoogte omdat zij bij een gesprek aanwezig is geweest over klaagster waar er gesproken werd over haar persoonlijkheidsstoornis. Het was beter geweest als beklaagde niet de term Borderline had gebruikt, omdat er gesproken is over persoonlijkheidsstoornis cluster B, dat meerdere stoornissen omvat. Lastig voor beklaagde was echter dat klaagster geen uitslagen van onderzoeken wilde delen. Naar de hechting van de dochter is wel gekeken, zo blijkt uit het rapport van Altra. Beklaagde heeft voldoende duidelijk gemaakt dat het gesprek op school niet door is gegaan omdat school dat gesprek alleen wilde laten plaatsvinden in bijzijn van de pleegmoeder. Nu klaagster dat niet wilde, is het gesprek niet doorgegaan. Tot slot heeft klaagster haar klacht dat beklaagde haar heeft belet een klacht in te dienen onvoldoende onderbouwd. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.