Gezinsvoogd gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en trekt de maatregel van berisping in, zonder een andere maatregel op te leggen.

Zaaknummer: 17.023B (16.143T)
Datum beslissing: 9 januari 2018
Oordeel: beroep deels gegrond, CvB bevestigt voor het overige de uitspraak van het College van Toezicht (CvT)
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.143T

In klachtonderdeel I stelt klaagster dat beklaagde heeft gedreigd met een uithuisplaatsing, en, terwijl deze machtiging al afgegeven was, beklaagde een afspraak om het kind te zien heeft misbruikt om de machtiging uithuisplaatsing te effectueren. Het CvT oordeelt dat beklaagde daardoor het aanzien van de jeugdzorg in zijn algemeenheid alsook de vertrouwensband met klaagster heeft geschaad en heeft de klacht, in samenhang met de klachten II t/m VI, gegrond verklaard. Het CvB heeft vastgesteld dat door het CvT de klachtonderdelen I t/m VI ten onrechte zijn samengenomen en daardoor niet afzonderlijk zijn beoordeeld. Het CvB heeft om die reden deze klachtonderdelen opnieuw beoordeeld.

Ten aanzien van klachtonderdeel I heeft het CvB overwogen dat het voor de rechtbank niet relevant is om te weten op welke wijze de uithuisplaatsing uitgevoerd zal worden. Op zich genomen verdient naar het inzicht van het CvB de wijze waarop deze uithuisplaatsing is geëffectueerd geen navolging, maar anders dan het CvT stelt het CvB dat deze handelswijze wel valt binnen de kaders van een redelijke beroepsuitoefening. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat er sprake was van een noodtoestand, een hachelijke situatie, en dat er geen andere oplossing was waarbij de veiligheid van het kind kon worden gewaarborgd. Het CvB verklaart klachtonderdeel I ongegrond. De klachtonderdelen II t/m VI hebben betrekking op de inspanningen van beklaagde op verschillende momenten in het contact met klaagster. Het CvB stelt per klachtonderdeel vast dat door beklaagde voldoende inspanningen zijn verricht, waardoor de klachtonderdelen II t/m VI, in tegenstelling tot de beoordeling van het CvT, in beroep ongegrond worden verklaard.

Alleen klachtonderdeel VII en VIII, waartegen door beklaagde geen beroep werd ingesteld, blijven in stand als gegrond verklaarde klachtonderdelen. Het CvB acht de twee overgebleven en door het CvT gegrond verklaarde klachtonderdelen niet van zodanig gewicht, dat op deze klachtonderdelen een maatregel dient te volgen.