Gezinsvoogd gaat in beroep tegen beslissing van het College van Toezicht. College van Beroep verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en legt – onder intrekking van de maatregel van berisping – aan de gezinsvoogd de maatregel van waarschuwing op.

Zaaknummer: 17.005B (16.032T)
Datum beslissing: 8 november 2017
Oordeel: beroep deels gegrond, College van Beroep bevestigt voor het overige de uitspraak van het College van Toezicht
Maatregel: berisping ingetrokken, waarschuwing opgelegd

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.032T

De gezinsvoogd heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het College van Toezicht waarin de door verweerders (vader en oma van de kinderen) ingediende klachten gedeeltelijk gegrond zijn verklaard en als gevolg waarvan de maatregel van berisping is opgelegd.

Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de gezinsvoogd niet transparant heeft gehandeld, in gebreke is gebleven met haar informatieplicht en de schijn heeft gewekt niet onpartijdig te zijn met betrekking tot de bezoekregeling tussen de moeder en de kinderen. In tegenstelling tot dit oordeel stelt het College van Beroep vast dat de gezinsvoogd verweerders summier doch niet onvoldoende heeft geïnformeerd. Voorts is niet komen vast te staan dat de gezinsvoogd verweerder onvoldoende heeft geïnformeerd over de wijzigingen van de bezoekregeling. Van (een schijn van) partijdigheid kan naar het oordeel van het College van Beroep niet worden gesproken. Het College van Toezicht heeft daarnaast geoordeeld dat de gezinsvoogd ernstig tekort is geschoten in de communicatie met verweerders betreffende het verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen. Het College van Beroep volgt dit oordeel. De gezinsvoogd heeft zich met name onvoldoende ingespannen om voorafgaand aan het indienen van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing een gesprek tussen verweerders en de moeder tot stand te brengen en heeft daarmee de regie uit handen gegeven. Het College van Toezicht heef de klacht omtrent het (onvoldoende) serieus nemen van de zorgen van verweerders gegrond verklaard. Naar het oordeel van het College van Beroep is echter voldoende komen vast te staan dat aan beide partijen hulpverlening is geboden en dat de gezinsvoogd hierin niet tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Tenslotte merkt het College van Beroep, in tegenstelling tot het College van Toezicht, op, dat een gebrek aan reflectie niet is komen vast te staan. De gezinsvoogd heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen regelmatig besproken met collega’s en meermalen ingebracht in een multidisciplinair overleg.

Omdat het onzorgvuldige handelen van de gezinsvoogd uiteindelijk ziet op één aspect van de uitvoering van haar werkzaamheden in deze complexe scheidingszaak en de gezinsvoogd tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft gemotiveerd hoe zij in het vervolg anders zou handelen, trekt het College van Beroep de opgelegde berisping in, en legt in plaats daarvan een waarschuwing op.