Gezinsvoogd stelt beroep in tegen waarschuwing

Zaaknummer: 16.002B (15.065T)
Datum beslissing: 9 november 2016
Oordeel: beroep ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 15.065T

De gezinsvoogd voert in beroep aan dat het College van Toezicht in zijn beslissing van 23 februari 2016  zijn handelen ten aanzien van de aanvraag van de machtiging spoeduithuisplaatsing ten onrechte heeft getoetst nu de kinderrechter deze machtiging heeft afgegeven en de gecertificeerde instelling de aanvraag heeft gedaan. Daarbij voert de gezinsvoogd aan dat, indien het handelen van de gezinsvoogd wѐl door het college mocht worden getoetst, hij binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Het College van beroep oordeelt dat de gezinsvoogd voor zijn handelen in verband met het verzoek tot een spoedmachtiging uithuisplaatsing tuchtrechtelijk ter verantwoording kan worden geroepen. De gezinsvoogd moest op basis van zijn kennis en ervaring beoordelen of een dergelijk verzoek aan de orde was. Het was daarom ook de gezinsvoogd die tijdens het telefoongesprek met de kinderrechter een nadere toelichting heeft gegeven over de achtergrond van het verzoek. De gezinsvoogd heeft een eigen professionele verantwoordelijkheid ten aanzien van de beslissing om al dan niet een spoeduithuisplaatsing te verzoeken.

Het College van beroep overweegt voorts dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen door de jeugdzorgwerker mag worden overgegaan tot het aanvragen van een spoedmachtiging uithuisplaatsing. Dit in verband met de beperkte rechtswaarborgen, de verstrekkende gevolgen voor alle betrokkenen en het feit dat de relatie tussen de gezinsvoogd en de betreffende ouder hierna meestal niet meer werkbaar is. Op basis van de Richtlijn crisisplaatsing in de jeugdhulpverlening mag dit alleen in een zeer ernstige situatie waarin de jeugdige of een gezinslid direct fysiek gevaar loopt. De gezinsvoogd is van deze richtlijn afgeweken. Hij heeft hiervoor als motivering aangedragen dat hij voorstander was van een spoeduithuisplaatsing, omdat klaagster niet in staat zou zijn om haar kinderen afdoende voor te bereiden op een uithuisplaatsing en hij de kinderen dit niet aan wilde doen. Het College is van oordeel dat de gezinsvoogd had kunnen vragen om een gewone machtiging uithuisplaatsing en klaagster en haar kinderen dan had kunnen voorbereiden op de op handen zijnde uithuisplaatsing. Het College van toezicht heeft daarom aldus het College van Beroep, terecht overwogen dat klaagster door het handelen van de gezinsvoogd niet de gelegenheid heeft gehad om samen met haar kinderen toe te werken naar de uithuisplaatsing. Het College bevestigt de uitspraak van het College van Toezicht met aanvulling van gronden en laat de waarschuwing in stand.