Grootouder klaagt over een jeugdzorgmedewerker van Jeugdzorg, die onzorgvuldig zou hebben gehandeld met de mogelijke uithuisplaatsing van het kind

Zaaknummer: 16.103T
Datum beslissing: 3 februari 2017
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient een klacht bestaande uit meerdere klachtonderdelen in over de jeugdzorgmedewerker van Jeugdzorg, die onzorgvuldig zou hebben gehandeld bij de mogelijke uithuisplaatsing van het kind. Klager verwijt beklaagde onder andere dat er onzorgvuldig is gehandeld jegens de gemeente. Tevens wordt beklaagde verweten dat er een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft plaats gevonden nu de betreffende machtiging daarvoor reeds was verlopen. Tot slot wordt beklaagde in verschillende onderdelen verweten dat het handelen op 16 juni 2016 niet acceptabel is geweest.

Klacht

Klager verwijt beklaagde allereerst van onzorgvuldig handelen met betrekking tot valsheid in geschrifte jegens de gemeente. Beklaagde zou volgens klager de gemeente in de waan hebben gelaten dat door de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing was verstrekt. Voorts zou beklaagde een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving op 16 juni 2016 hebben ondernomen zonder geldige machtiging en zonder het voor te hebben gelegd aan de kinderrechter. Tevens zou beklaagde zonder toestemming de woning van klagers dochter op 16 juni 2016 zijn binnen getreden. Tot slot verwijt klager beklaagde zich schuldig te hebben gemaakt aan agressief gedrag op 16 juni 2016 en het schuldig maken aan bedreiging, psychische dwang en intimidatie waarbij de rechten van het kind zijn geschonden door hem tegen zijn wil een vorm van jeugdhulp op te dringen.

Beslissing

Het CvT verklaart de klachtonderdelen I, III, IV en V ongegrond en klachtonderdeel II gegrond. Zij acht het niet geboden om over te gaan tot het opleggen van enige maatregel. Het eerste klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken dat beklaagde feitelijk verkeerde voorlichting heeft gegeven aan de gemeente. Het was slechts correcter geweest indien de bepaling van jeugdhulp was opgenomen waar beide instellingen onder vallen. Het tweede klachtonderdeel wordt gegrond verklaard, omdat op basis van de beroepscode beklaagde op de hoogte had moeten zijn van het verlopen van de termijn van drie maanden. Tot slot de klachtonderdelen III, IV en V betreffen de gebeurtenissen op 16 juni 2016. Op grond van de stukken is niet vast te stellen dat er sprake is geweest van enige bedreiging, intimidatie of agressief gedrag. Beklaagde heeft bij het handelen steeds het belang van het kind voor ogen gehouden en vooropgesteld. Wegens gebrek aan feitelijke grondslag worden deze klachtonderdelen ongegrond verklaard. Met betrekking tot klachtonderdeel II acht het CvT het niet nodig om enige maatregel op te leggen, omdat is gebleken dat beklaagde heeft geleerd van het voorval en in de toekomst anders zal handelen.