Jeugdbeschermer heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van klager waardoor het voor klager tijdens de ondertoezichtstelling heeft ontbroken aan handvatten en structuur.

Zaaknummer: 18.147T
Datum beslissing: 15 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X gegrond; klachtonderdeel IV, V en IX ongegrond Klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen (deels)III en XI
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het college van beroep loopt nog.

Klager heeft tegen een jeugdbeschermer, die betrokken is geweest bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling, elf klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt ingegaan op klachtonderdeel I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X. Het College heeft deze klachtonderdelen gegrond verklaard.

Allereerst heeft beklaagde nagelaten om klager te informeren over de Beroepscode en het Tuchtrecht waar hij onder valt. Ook heeft beklaagde, na verzoek, niet zijn registratienummer verstrekt. Hiermee heeft beklaagde volgens het College in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld.

Voorts heeft beklaagde zich onvoldoende ingespannen om een gesprek met klager en zijn vertrouwenspersoon over beklaagde zijn functioneren, op verzoek van klager, van de grond te krijgen. Doordat beklaagde dit gesprek heeft afgehouden is in strijd met artikel D van de Beroepscode gehandeld. Op grond van dit artikel had beklaagde door middel van een persoonlijk gesprek verantwoording aan klager kunnen afleggen over zijn handelen.

Ook heeft het College geoordeeld dat beklaagde heeft gehandeld vanuit willekeur. Als beklaagde signalen ontving van moeder heeft beklaagde daar naar gehandeld zonder hoor en wederhoor toe te passen. Hiermee heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Daarnaast heeft beklaagde nadat was gekozen voor de methodiek complexe echtscheiding waarbij individueel contact met de jeugdbeschermer was uitgesloten, individueel contact gehad met moeder. Uit het dossier is niet gebleken dat naar klager was gecommuniceerd dat de gekozen methodiek weer was losgelaten. Beklaagde heeft in strijd met artikel F van de Beroepscode gehandeld nu er geen juiste informatievoorziening richting klager heeft plaatsgevonden.

Het volgende klachtonderdeel sluit aan bij een eerder klachtonderdeel. Over afgespeelde gebeurtenissen heeft beklaagde verhalen van moeder gehoord maar heeft hij nagelaten om te vragen naar de kant van klager. Doordat er geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden heeft beklaagde in strijd met artikel E en artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Vervolgens is beklaagde verweten dat de begeleiding vanuit hem te wensen heeft overgelaten. Voor het College is dit gebleken uit het feit dat beklaagde heeft gewerkt met een korte termijn visie. Er is niet adequaat gewerkt met een gezinsplan wat voor klager maar ook voor beklaagde handvatten en structuur had kunnen bieden. Beklaagde heeft hiermee in strijd met artikel G van de Beroepscode gehandeld.

Tot slot heeft beklaagde naar het oordeel van het College misbruik van zijn macht gemaakt. Door een gesprek met klager en moeder afhankelijk te stellen van omgang tussen klager en zijn kinderen. Klager heeft tijdig aangegeven dat hij niet kon en is met een alternatief gekomen. Beklaagde heeft vastgehouden aan het geprikte moment, maar de overwegingen hiertoe ontbreken. Beklaagde heeft met zijn handelen in strijd met artikel H van de Beroepscode gehandeld.

Beklaagde is met zijn handelen verwijtbaar tekortgeschoten en heeft een minimale blijk van reflectie gegeven. Het College heeft in overweging meegenomen dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de gevolgen van zijn handelen voor klager. Het College acht het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.