Klacht betreffende uitvoering ondertoezichtstelling en inzet jeugdhulp binnen ondertoezichtstelling

Zaaknummer: 16.057Ta
Datum beslissing: 7 april 2017
Oordeel: klachtonderdelen deels gegrond en deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klacht:

Klager verwijt beklaagde het volgende: zij heeft uitvoering gegeven aan een niet rechtsgeldige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, is niet goed op de hoogte van de situatie van de dochter, heeft hem valselijk beschuldigd en heeft op onjuiste zorgindicatoren en onder de dwang van uithuisplaatsing jeugdhulp ingezet, heeft ten onrechte als voorwaarde voor de beëindiging van de ondertoezichtstelling een onnodig borgingsplan opgesteld, heeft niet direct na het positieve rapport van de betreffende jeugdhulpaanbieder de ondertoezichtstelling beëindigd, heeft de rechter geen afschrift van het rapport van de jeugdhulpaanbieder gezonden en heeft het ertoe geleid dat de dochter een markering kreeg in haar medisch dossier inhoudende “vermoedens van kindermishandeling”.

 

Beslissing:

Het CvT verklaart zes klachtonderdelen (deels) ongegrond, en drie klachtonderdelen (deels) gegrond en legt de maatregel van waarschuwing op.

Het CvT is van oordeel dat het beklaagde vrijstaat en dat het zelfs haar taak is om heel zorgvuldig te onderzoeken wat de beste plek is voor een kind dat aan haar zorg is toevertrouwd. Het is niet gebleken dat beklaagde tijdens dit onderzoek valse beschuldigingen heeft geuit. Het CvT is echter niet van de noodzaak gebleken van de inzet van de betreffende jeugdhulp. Ongeveer een half jaar voor de inzet van deze jeugdhulp, heeft de GI vermeld in haar rapportage dat de dochter bij klager veilig is. Daarnaast lag aan de recente beslissing van de rechtbank waarin klager mede belast werd met het gezag over de dochter, een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming ten grondslag lag waarin ook een positief advies van de GI is meegenomen. Voorts was de machtiging uithuisplaatsing voor verblijf bij klager slechts bedoeld om de omgang tussen de ex-partner en de dochter te kunnen reguleren. In de afsluitrapportage van de GI staat dat de betreffende jeugdhulp is ingezet nadat de pleegzorgorganisatie onverwachts de begeleiding moest beëindigen, het CvT volgt dit niet klager was al ruim een half jaar daarvoor mede met het gezag belast en derhalve geen pleegouder meer, zodat reeds vanaf het moment waarop hij mede met het gezag was belast geen sprake meer kon zijn van pleegzorgbegeleiding van klager. De enkele mededeling van beklaagde dat klager de deur niet opendeed voor de medewerker van de pleegzorgorganisatie, dat de dochter (soms) bij klager in bed slaapt en dat klager hierover niet in gesprek wil met de GI, acht het CvT in dat licht onvoldoende. Daarbij betrekt het CvT voorts dat de betreffende jeugdhulp een zwaar middel en ingrijpend traject is. Ook overigens is het CvT niet gebleken van de noodzaak tot inzet van de betreffende jeugdhulp. Het CvT komt tot het oordeel dat beklaagde de hulpverlening onnodig lang heeft laten voortduren als voldoende aan de hulpvraag is voldaan; beklaagde had er beter op moeten toezien dat klager met voldoende eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid tot zijn recht had kunnen komen (artikel I Beroepscode).