Klacht dat de jeugdprofessional op een onjuiste manier contact heeft opgenomen met de zoon, dat hij de vader onvoldoende heeft geïnformeerd en dat hij niet goed heeft gecommuniceerd.

Zaaknummer: 19.055Tb
Datum beslissing: 15 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel I gegrond; klachtonderdeel II deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is de vader van een zoon, geboren in 2004. Voordat de zoon één jaar was, is de moeder met hem vertrokken. De vader en de moeder zijn in 2006 gescheiden en zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Bij beschikking van 1 april 2011 is de zoon onder toezicht gesteld. Eind 2013 is de zoon uit huis geplaatst en per oktober 2017 teruggeplaatst bij de moeder. In juni 2017 is de jeugdprofessional (samen met de jeugdprofessional uit zaak 19.055Ta) betrokken geraakt en in november 2017 is hij na een klacht van de vader door de GI van de casus afgehaald. De vader heeft twee klachtonderdelen ingediend.

Bij klachtonderdeel I verwijt de vader de jeugdprofessional dat hij de zoon op 22 augustus 2017 heeft verteld dat hij met een aantal dagen het kinderhuis zou kunnen verlaten en kon starten op de school in de woonplaats van de moeder. Omdat de jeugdprofessional kennelijk kort daarop tot de ontdekking kwam dat het voornemen tot beëindiging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet was getoetst door de RvdK, is de jeugdprofessional een dag later opnieuw langs gegaan bij de zoon om hem te vertellen dat hij nog enige tijd in het kinderhuis moest blijven. De jeugdprofessional heeft dit ook erkend en meerdere keren zijn excuses aangeboden. Desondanks is het College van oordeel dat deze handelswijze jegens de zoon uiterst onzorgvuldig en onhandig is geweest. De jeugdprofessional had van te voren volledige zekerheid moeten hebben over het te volgen traject. De jeugdprofessional heeft artikel B (Bevorderen deskundigheid) van de Beroepscode geschonden. Het College acht het handelen ook in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg). Hij heeft het vertrouwen van de zoon in de jeugdzorg geschaad.

De vader verwijt de jeugdprofessional in klachtonderdeel II onder andere dat, nadat de jeugdprofessional in november 2017 van de casus is afgehaald, hij niets meer van de hem vernomen heeft. Het College overweegt dat op grond van artikel I (Beëindiging van de professionele relatie) de jeugdprofessional zelf verantwoordelijk is voor het zorgvuldig afsluiten van de hulpverlening. Volgens het College is voldoende gebleken dat de vader tijdens de hoorzitting van de klachtencommissie vernomen heeft dat de jeugdprofessional van de casus zou worden gehaald. Dat de jeugdprofessional daarna geen contact meer heeft gehad met de vader, kan niet gezien worden als een zorgvuldige beëindiging van de professionele relatie. Daaraan doet niet af dat de GI daar volgens de jeugdprofessional op heeft aangestuurd.

Het College ziet een jeugdprofessional die geprobeerd heeft het belang van de zoon voorop te stellen, maar daarbij een onjuist inschatting heeft gemaakt. Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt ook rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional gehandeld heeft. Zo is hij slechts een korte periode betrokken geweest en is het duidelijk geworden dat er sprake is geweest van een moeizame samenwerking tussen de vader en de jeugdprofessional, waar de vader een aandeel in heeft gehad. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.