Klaagster stelt beroep in tegen ongegrond verklaarde klachtonderdelen. Klaagster meent dat beklaagde onprofessioneel gehandeld heeft. College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht.

Zaaknummer: 17.019B (16.063T & 16.135T)
Datum beslissing: 9 februari 2018
Oordeel: Beroep ongegrond, beslissing CvT blijft gehandhaafd
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Zie voor de beslissing van het College van Toezicht: zaaknummer 16.063T & 16.135T.

De moeder van de kinderen, klaagster in eerste aanleg, stelt beroep in tegen de beslissing van het College van Toezicht. Beklaagde, de betrokken gezinsvoogd, wordt verweten dat zij op onprofessionele wijze gehandeld heeft. In eerste aanleg is een klacht in tien onderdelen ingediend. Het College van Toezicht heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard. Tegen het oordeel van het College van Toezicht onder klachtonderdeel II voert appellante aan dat door het gestelde van het College vele onzuiverheden in rapportages onterecht weggestreept kunnen worden. Hoewel de gezinsvoogd erkend heeft dat het controleren van formuleringen in het raadsrapport beter had gekund, is het College van Beroep van oordeel dat dit niet met zich brengt dat haar een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. Betreffende klachtonderdeel V voert appellante aan dat haar klacht ziet op het gegeven dat de gezinsvoogd weigerde de schriftelijke aanwijzing in te trekken, nadat gebleken was dat het afgeven daarvan niet nodig was geweest. Het College van Beroep oordeelt dat nu het in stand laten van de schriftelijke aanwijzing geen verdere gevolgen heeft gehad voor appellante, de gezinsvoogd deze niet hoefde in te trekken. Tot slot heeft appellante tegen klachtonderdeel IX aangevoerd dat ondanks dat de schriftelijke aanwijzing onterecht was afgegeven, de gezinsvoogd tijdens een zitting bij de kinderrechter dit als argument gebruikt heeft om een negatief beeld over appellante neer te zetten. Het College van Beroep volgt het oordeel van het College van Toezicht in zoverre dat het verweerster vrijstond om tijdens de zitting melding te maken van het feit dat zij het noodzakelijk achtte een schriftelijke aanwijzing te geven. Zij heeft immers ervaren dat de samenwerking met appellante ambivalent is verlopen. Van benadeling van de procespositie van appellante is niet gebleken, daar zij ongetwijfeld door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld is om een en ander nader toe te lichten.

Het College van Beroep handhaaft de beslissing van het College van Toezicht.