Klacht van grootmoeder/voormalig pleegmoeder over uitvoering ondertoezichtstelling, te weten gebrek aan inzet om netwerkpleegzorg te laten slagen, en de bejegening. Het College beslist dat de klacht ongegrond is.

Zaaknummer: 16.101Ta
Datum beslissing: 4 mei 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster is grootmoeder en voormalig pleegmoeder van de kleinzoon, die onder toezicht is gesteld. De rechtbank heeft toestemming verleend tot wijziging in het verblijf van de kleinzoon van het pleeggezin van klaagster naar een neutraal pleeggezin.

Klacht

Klager verwijt beklaagde onder meer het volgende:

  • de begeleiding erop te richten de kleinzoon uit het pleeggezin van klaagster te plaatsen;
  • zich in de begeleiding niet te richten op de moeder met gezag maar wel op de vader zonder gezag;
  • geen empathie heeft, zeer dominant is en een nare houding heeft.

Beslissing

Het CvT is van oordeel dat reeds uit de omstandigheid dat er telkenmale voorwaarden zijn gesteld door beklaagde aan het kunnen laten opgroeien van de kleinzoon in het pleeggezin van klaagster, kan worden afgeleid dat beklaagde geenszins de bedoeling had de kleinzoon uit het pleeggezin van klaagster te halen. Integendeel, het CvT acht uit het dossier alsmede uit hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gebracht voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde veel moeite heeft gedaan om de kleinzoon in het pleeggezin van klaagster te laten opgroeien.

Klaagster voert aan dat beklaagde moeder met gezag ten onrechte links heeft laten liggen en samengewerkt heeft met de vader zonder gezag. Het CvT begrijpt deze klacht aldus dat klaagster wordt geraakt door het al dan niet langdurig verblijf van de kleinzoon bij haar; behoud van het contact tussen de ouders en de kleinzoon was namelijk een voorwaarde hiervoor. Klaagster heeft in die zin belangĀ  bij dit klachtonderdeel. Ten aanzien van de inhoud van de klacht stelt het CvT vast dat het op zich juist is dat beklaagde op een bepaald moment meer aandacht aan de vader zonder gezag heeft besteed dan aan de moeder met gezag, maar dat dit gezien moet worden in het licht van het doel van de acceptatie van de vader door klaagster en de moeder in het belang van de kleinzoon. Beklaagde heeft met het oog op dit doel getracht rekening te houden met bijvoorbeeld de omstandigheid dat vader door zijn werk op een schip slechts gedurende een korte periode aan wal is en dat in deze periode de omgang met de kleinzoon zou moeten plaatsvinden, waardoor het zou kunnen lijken dat beklaagde meer aandacht besteedt aan of rekening houdt met de vader. In het licht van het voorgaande kan dit beklaagde echter niet worden verweten. Het CvT verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Nu klaagster de klacht dat beklaagde geen empathie heeft, zeer dominant is en een nare houding heeft niet nader heeft geconcretiseerd en geen situaties dan wel voorbeelden heeft genoemd waarin beklaagde zich zou hebben bediend van het gestelde gedrag, kan het CvT hierover geen oordeel geven. Het CvT heeft overigens uit het gehele dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen de indruk dat het tegendeel het geval was; het CvT acht voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde zich veel inspanning heeft getroost om, vanuit de idee dat zulks een meerwaarde heeft voor de kleinzoon, hem in zijn eigen netwerk, het pleeggezin van klaagster, te laten opgroeien.