Klacht tegen jeugd- en gezinswerker met name over dat zij te snel een spoedmelding heeft gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming

Zaaknummer: 17.046T
Datum beslissing: 4 januari 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster (de moeder van de minderjarige) heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het drangkader, zes klachtonderdelen ingediend. Beklaagde raakt betrokken bij het gezin nadat door de politie een zorgmelding is gedaan bij Veilig Thuis. Vlak na de betrokkenheid van beklaagde wordt geconstateerd dat de minderjarige bij de grootouders verblijft, die weigeren de minderjarige terug te brengen bij klaagster. Nadat klaagster aangifte tegen de grootouders doet vanwege onttrekking van de minderjarige aan het ouderlijk gezag, wordt door beklaagde een spoedmelding bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) gedaan. Hetgeen tot gevolg heeft dat de minderjarige voorlopig onder toezicht wordt gesteld en met spoed bij de grootouders uit huis geplaatst wordt. Klaagster vindt onder meer dat beklaagde onvoldoende de mogelijkheden in het vrijwillige kader heeft onderzocht en dat de in de spoedmelding aantoonbare onjuistheden staan. Het College oordeelt dat hoewel beklaagde aanvankelijk had ingezet op het stabiliseren van de thuissituatie, zij vanwege de aangifte en op aanraden van de Officier van Justitie, geen andere mogelijkheid zag dan advies inwinnen bij de RvdK. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College juist gehandeld door het gegeven advies van de RvdK op te volgen. Betreffende de raadsmelding concludeert het College dat van een onjuiste kern van de inhoud niet is gebleken. Inzake de andere klachtonderdelen oordeelt het College dat het gestelde ofwel onvoldoende aannemelijk door klaagster is gemaakt ofwel dat deze onvoldoende onderbouwd zijn.