Klacht over de jeugdbeschermer dat de toon van een gesprek door de minderjarige als berispend is ervaren, apps van de minderjarige zijn doorgestuurd aan de vader, met de minderjarige over een uithuisplaatsing is gesproken en dat er schriftelijke aanwijzingen zijn gedaan zonder voorafgaand overleg. Artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) is geschonden, maar er is geen maatregel opgelegd.

Zaaknummer: 17.095T
Datum beslissing: 23 maart 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV en V ongegrond klachtonderdeel VI gegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft zes klachtonderdelen ingediend. De minderjarige heeft de toon van het kennismakingsgesprek met beklaagde als berispend ervaren, en daarna is er geen vervolggesprek meer geweest. Klaagster heeft hierover e-mails geschreven en geen antwoord gekregen. Ten tweede heeft de minderjarige klaagster apps gestuurd over voorvallen bij haar vader. Klaagster heeft deze gedeeld met beklaagde, die deze apps heeft doorgestuurd naar de vader. De derde klacht gaat erover dat beklaagde met de minderjarige over een uithuisplaatsing heeft gesproken. De minderjarige is daar weken van overstuur geweest. Ten vierde heeft er een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank in de zaak van klaagster jegens de vader om onder andere de vakanties te laten bepalen. Tijdens deze zitting heeft klaagster zich geconformeerd aan de door de vader opgegeven vakantieplanning. Dat hield in dat de minderjarige tijdens de carnavalsvakantie bij klaagster zou zijn. Een paar dagen voor deze vakantie eiste de vader haar ineens op. Beklaagde heeft toen, zonder te overleggen, in een schriftelijke aanwijzing bepaald dat de minderjarige de helft van de vakantie bij haar vader moest zijn. De minderjarige was niet meer te bewegen om tijdens de reguliere omgangsregeling om de 14 dagen naar haar vader te gaan. Beklaagde heeft aangegeven dat dat wel moest gebeuren en heeft zonder overleg een schriftelijke aanwijzing gegeven aan klaagster en de minderjarige. Tot slot heeft beklaagde klaagster een e-mail gestuurd, met daarin de mededeling dat klaagster persoonlijk moet zorgdragen voor het halen en brengen van de minderjarige naar vader. Klaagster dient dit te beschouwen als een vooraankondiging van een aanwijzing. De e-mail is gestuurd zonder enig overleg. Door intimidaties en bedreigingen was al eerder met de GI afgesproken dat de minderjarige door de partners van klaagster en vader gehaald en gebracht zou worden.

1) Beklaagde heeft kenbaar gemaakt dat de minderjarige goed contact had met haar behandelaar, en dat gesprekken bij de GI onrust zouden veroorzaken. Beklaagde heeft zich daarom op de achtergrond gehouden. Het College is van oordeel dat beklaagde de e-mail waarin zij aangeeft zich wat op de achtergrond te houden, eerder had kunnen versturen, maar acht deze handelswijze niet verwijtbaar.
2) Het College stelt vast dat er een afspraak lag dat alle communicatie van klaagster en vader gedeeld zou worden. Beklaagde heeft ten aanzien van het doorsturen van de appjes een professionele afweging gemaakt. Zij heeft het vooraf in haar team besproken. Niet valt in te zien op welke grond beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld, nu zij de bestaande afspraak heeft gevolgd.
3) Het College is van oordeel dat beklaagde de beslissing om met de minderjarige te spreken over een uithuisplaatsing voldoende heeft afgewogen. Beklaagde heeft verklaard dat transparantie binnen complexe echtscheidingen van groot belang is, en heeft haar beslissing vooraf besproken binnen haar team.
4) Het College overweegt dat de afspraak over de carnavalsvakantie uit de oude beschikking van 11 februari 2016 leidend was, nu de nieuwe beschikking er nog niet lag.
5) Het College heeft twee schriftelijke aanwijzingen aangetroffen, één aan de minderjarige en één aan klaagster. Hierin staan de meningen van de minderjarige en klaagster opgenomen. Dat maakt dat de stelling van klaagster dat er geen overleg is geweest onjuist is.
6) Tot slot is het College van oordeel dat beklaagde, nu zij de vooraankondiging over het halen en brengen heeft gedaan zonder overleg met klaagster, terwijl er een andere afspraak lag, niet zorgvuldig heeft gehandeld. De vooraankondiging is na een klachtgesprek hierover ingetrokken.

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde artikel D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’) heeft geschonden. Zij heeft klaagster zonder overleg een vooraankondiging verstrekt. Beklaagde heeft echter haar excuses aangeboden en de vooraankondiging is binnen één week vernietigd. Hiermee heeft beklaagde gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar opgesteld. Tot slot is het College ervan overtuigd dat beklaagde steeds het belang van de minderjarige voor ogen heeft gehad. Het College ziet dan ook af van het opleggen van een maatregel.