Klacht tegen de jeugdprofessional die betrokken is in het vrijwillig kader vanuit het Sociaal Team waarbij de gegronde klachtonderdelen zien op het zonder toestemming contact opnemen met de instelling en het opstellen van een brief voor vader zonder klaagster hierin te betrekken. Artikel J (Vertrouwelijkheid) en artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) zijn geschonden.

Zaaknummer: 17.134T
Datum beslissing: 18 april 2018
Oordeel: klachtonderdelen I en II ongegrond, klachtonderdelen III en IV gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is in het vrijwillig kader vanuit het Sociaal Team, vier klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdeel drie en vier zijn door het College gegrond verklaard. De kern van de gegronde klachtonderdelen zien op het zonder toestemming van klaagster contact opnemen met de instelling en het opstellen van een brief gericht aan vader zonder klaagster hierin te betrekken. Het College is van oordeel dat van een professional in het vrijwillig kader mag worden verwacht dat zij geen informatie opvraagt zonder toestemming van klaagster. Uit het dossier is naar voren gekomen dat beklaagde heeft geworsteld met de vraag of zij de bevoegdheid had om bij de instelling informatie in te winnen. Het feit dat beklaagde haar vraag heeft voorgelegd en antwoord heeft gekregen van de afdeling Juridische Zaken doet niet af aan het feit dat beklaagde een professionele autonome bevoegdheid draagt. Beklaagde had zelf de afweging moeten maken om, ondanks het advies van Juridische Zaken, klaagster om toestemming te vragen en niet pas achteraf te informeren. Voorts heeft het College het vierde klachtonderdeel gegrond verklaard dat ziet op het opstellen van een brief aan vader zonder klaagster hierin te betrekken. Het College is van oordeel dat beklaagde bij het opstellen van deze brief transparanter had moeten handelen door hoor en wederhoor van alle betrokkenen te laten plaats vinden. Beklaagde heeft naar voren gebracht dat de brief een feitelijke weergave is van de hulpverlening. Het College is echter van oordeel dat de brief grievende opmerkingen over klaagster bevat en zich had moeten realiseren dat vader deze brief in een juridische procedure kon inbrengen. Door deze handelswijze heeft zij de schijn van partijdigheid gewekt en is het vertrouwen in de jeugdzorg aangetast. Ondanks de reflectie van beklaagde op haar handelen en de excuses aan klaagster, weegt het handelen van beklaagde in deze casus zo zwaar dat het College zal overgaan tot het opleggen van een waarschuwing als maatregel.