Klacht over een jeugdprofessional die werkzaam is bij het Centrum voor Jeugd en Gezin, en klaagster en de minderjarige heeft begeleid in het zoeken naar de juiste hulp. Beklaagde heeft onvoldoende de regie genomen en zonder toestemming privacygevoelige informatie gedeeld. De artikelen D (‘Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg’), G (‘Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening’), J (‘Vertrouwelijkheid’) en artikel N (‘Samenwerking in de hulp- en dienstverlening’) zijn geschonden. In overweging nemende de complexiteit van de casus, de goede intenties van beklaagde en het gegeven dat beklaagde duidelijk blijk heeft gegeven van inzicht en reflecterend vermogen, acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Zaaknummer: 17.023Tc
Datum beslissing: 15 januari 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II en IV gegrond, III deels gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft over de jeugdprofessional een aantal klachtonderdelen ingediend. Beklaagde heeft zich gedurende het gehele traject nalatig getoond, waardoor er een verkeerde indicatie is afgegeven voor de dagbesteding van de minderjarige. Ten aanzien van gemaakte fouten heeft beklaagde de verwijtbaarheid verlegd naar klaagster en de verantwoordelijkheid die zij droeg ondergeschikt gemaakt aan haar persoonlijke belangen. Zo zijn klaagster en de minderjarige uitgesloten van een vergadering en heeft beklaagde de Wet bescherming persoonsgegevens overtreden. Tijdens genoemde vergadering is privacygevoelige informatie over de minderjarige gedeeld met de school, en is een medewerker van het Samenwerkingsverband zonder voorafgaande toestemming van klaagster bij diverse e-mailwisselingen betrokken.

Het College stelt vast dat bij de besluitvorming omtrent de dagbesteding voor de minderjarige meerdere partijen betrokken zijn geweest, die elk op hun beurt zijn uitgegaan van aannames en veronderstellingen. Zoals beklaagde heeft erkend, was het aan haar hierin de regie te nemen. Voor zover zij dat heeft nagelaten, had beklaagde hier zorgvuldiger te werk moeten gaan. Uit het overhaaste organiseren van de vergadering, spreekt volgens het College de wil om in het belang van de minderjarige de zaak snel weer in goede banen te leiden, maar het was zorgvuldig geweest om klaagster vooraf over het geplande overleg te informeren en/of daarvoor uit te nodigen. Dat zij dit heeft nagelaten, acht het College evenwel niet van die orde dat haar ter zake een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Te meer nu beklaagde het zichzelf kwalijk neemt dat zij daarbij de stap van overleg met klaagster heeft overgeslagen. Ten aanzien van het laatste klachtonderdeel acht het College de privacyregels van de Jeugdwet op deze situatie van toepassing. Het College oordeelt dat voor zover beklaagde niet vooraf met klaagster heeft afgestemd welke informatie zij met wie zou gaan delen, zij in strijd heeft gehandeld met artikel 7.3.11 van de Jeugdwet. Volgens het College is school niet aan te merken als rechtstreeks betrokkene bij de jeugdhulpverlening. Beklaagde had derhalve de verplichting eerst toestemming aan minderjarige en klaagster te vragen.