Klacht tegen jeugdzorgwerker over het beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling

Zaaknummer: 17.113T
Datum beslissing: 5 april 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De klachten van klager hebben betrekking op het gevoerde beleid van beklaagde, de wijze van bejegening en een partijdige opstelling. Klager verwijt beklaagde dat hij het beleid van zijn voorganger heeft voortgezet waardoor klager zijn kind zeven maanden lang niet heeft gezien. De door klager ingediende klachten over de voorganger zijn door de klachtencommissie gegrond verklaard zodat klager heeft verwacht dat de omgang met zijn kind zou worden opgestart.

Het College is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is omdat niet is komen vast te staan dat beklaagde op de hoogte was van de klachtenprocedure tegen de voorganger en de uitkomst hiervan. De voorzieningenrechter heeft bovendien de vordering van klager tot omgang met zijn kind afgewezen. Het is aan de gecertificeerde instelling om ervoor zorg te dragen dat de jeugdzorgwerker na de overdracht op de hoogte wordt gesteld van de uitkomst van klachten die relevant zijn voor zijn werk. Ook is het van belang dat klagers geïnformeerd worden over wat zij naar aanleiding van gegronde klachten van de gecertificeerde instelling kunnen verwachten.

Het klachtonderdeel over de wijze waarop klager is bejegend is ongegrond. Hoewel de woordkeuze van beklaagde ongelukkig is en door klager kan zijn opgevat als afkeuringswaardig, heeft beklaagde gemotiveerd toegelicht dat wat hij gezegd heeft in een breder verband moet worden gezien. Het gedeelte van het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de partijdigheid van beklaagde is gegrond. Hoewel het College de indruk heeft dat beklaagde integer heeft willen handelen, is zijn handelswijze onzorgvuldig geweest. Hij heeft de schijn van partijdigheid gewekt door tot de laatste week van de vakantie te wachten op overeenstemming tussen ouders over de plaats waar het kind naar school zou gaan terwijl in februari 2017 de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) heeft geadviseerd om het hoofdverblijf van het kind bij klager vast te stellen en het kind in augustus 2017 in het voortgezet onderwijs zou starten. Het kind heeft hierdoor te lang in onzekerheid verkeerd.

Beklaagde had het kind en moeder erop moeten wijzen dat er een reële kans bestond dat de rechter het advies van de RvdK zou volgen en dat het zeer wel mogelijk was dat het kind bij klager zou gaan wonen. Tot slot heeft een door beklaagde verstuurde e-mail bij klager de indruk kunnen wekken dat beklaagde uitsluitend heeft aangestuurd op de aanmelding van het kind op een school in de woonplaats van moeder.

Beklaagde heeft in deze complexe casus onvoldoende gehandeld in het belang van het kind, is tekortgeschoten in de informatievoorziening aan het kind en moeder en heeft zich ten opzichte van klager onvoldoende neutraal opgesteld. Het College legt een maatregel van een waarschuwing op.