Klacht moeder over correctie gezinsplan en uitblijven reactie op verzoeken, onder meer om afschrift dossier.

Zaaknummer: 16.134Ta
Datum beslissing: 14 juli 2017
Oordeel: Vier klachtonderdelen ongegrond, twee deels gegrond en deels ongegrond, en een gegrond.
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

De minderjarige, die bij de moeder woont, verbleef gedurende 3 dagen per week bij de vader en had veel contact met vaders nieuwe partner. De minderjarige was onder toezicht gesteld. De vader is plotseling overleden. De moeder is geschorst in de uitoefening van haar gezag, en de GI is belast met de voorlopige voogdij opdat de minderjarige de uitvaart van de vader kan bijwonen. Nadat de voorlopige voogdij is herroepen, was de ondertoezichtstelling weer van kracht, en is deze verlengd.

Klacht

Klager verwijt beklaagde onder meer het volgende:

  • Dat zij weigert onjuistheden in het gezinsplan aan te passen;
  • Dat zij weigert te antwoorden op vragen en verzoek om documenten op grond waarvan beslissingen zijn genomen;
  • Dat zij de ondertoezichtstelling wil verlengen op gronden die niet meer aanwezig zijn.

Beslissing

Het CvT verklaart vier klachtonderdelen ongegrond, twee deels gegrond en deels ongegrond, en een gegrond.

Voor wat betreft de klachtonderdelen die toezien op het gezinsplan acht het College het  niet aannemelijk geworden dat er sprake is van feitelijke onjuistheden in het gezinsplan, en dat om die reden het gezinsplan verbeterd zou moeten worden. Het College merkt daarbij op dat beklaagde op dat moment contactpersoon was voor klaagster in het kader van de ondertoezichtstelling, en dat het College daarom de reactie van beklaagde dat het niet aan haar was om een correctie door te voeren in het gezinsplan onjuist acht. Het argument van beklaagde dat het niet aan de GI is om aanpassingen te doen in door de Raad opgestelde rapportages acht het CvT evenmin juist. Klaagster vraagt  immers niet om aanpassing van de rapportage van de Raad, maar om aanpassing van de weergave ervan in het gezinsplan. Het klachtonderdeel is dan ook deels gegrond. In het zesde klachtonderdeel klaagt klaagster erover dat beklaagde haar vragen en het verzoek om documenten op grond waarvan beslissingen zijn genomen, weigert te beantwoorden. Beklaagde heeft verklaard dat klaagster antwoord zou hebben gekregen op haar vragen als zij ze aan de juiste persoon had gesteld. Omdat zij toen nog betrokken was, had de teamleider moeten reageren op de vragen, en dat heeft de teamleider kennelijk niet gedaan. Beklaagde geeft aan dat zij vindt dat het in ieder geval niet op haar weg lag om de gestelde vragen te beantwoorden.

Het College volgt deze laatste stelling van beklaagde niet. Zij is van oordeel is dat het op de weg van beklaagde als contactpersoon voor klaagster namens de GI had gelegen bedoelde vragen te beantwoorden dan wel zich ervan te vergewissen dat bedoelde vragen binnen een redelijke termijn zouden worden beantwoord. Hetzelfde geldt voor de beantwoording van het verzoek van klaagster om afschrift van dossierstukken. Het klachtonderdeel is dan ook gegrond. Ten aanzien van het zevende klachtonderdeel waarin klaagster erover klaagt dat beklaagde de ondertoezichtstelling wil verlengen op gronden die niet meer aanwezig zijn, overweegt het College dat het de taak is van de beklaagde als gezinsvoogd om -samen met haar staf- af te wegen in hoeverre er nog sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van de minderjarige en in hoeverre de moeder de zorg die nodig is om die bedreiging op te heffen niet voldoende accepteert, en te bezien of verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De omstandigheid dat, zoals beklaagde aangeeft, reeds een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling was ingediend door haar voorganger voor het overlijden van de vader -terwijl dit verzoek nog niet door de rechtbank was behandeld-, ontslaat haar niet van deze taak. Er kan immers sprake zijn van een wijziging van omstandigheden die heroverweging nodig maakt. In dit geval was er ook sprake van gewijzigde omstandigheden, in die zin dat de vader was overleden en dat in de periode kort na dit overlijden een voorlopige voogdij is uitgesproken. Overigens ziet het College niet in dat er in die periode geen gronden meer waren voor verlenging van de ondertoezichtstelling; de rechtbank heeft immers de ondertoezichtstelling verlengd bij beschikking van 24 november 2017. Het klachtonderdeel is deels gegrond.

Hoewel de klachtonderdelen VI geheel, en V en VII gedeeltelijk gegrond zijn, ziet het CvT geen aanleiding om een maatregel op te leggen, vanwege de geringe ernst van de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het betreffende handelen van beklaagde.