Klacht over de onderzoeker van Veilig Thuis; klager is niet geïnformeerd, er is niet met hem gesproken over de meldingen en beklaagde heeft volgens klager vooringenomen en niet transparant gehandeld. Het deel van de klacht dat klager niet is geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is gegrond. Artikel F (‘Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening‘) is geschonden.

Zaaknummer: 17.128Tc
Datum beslissing: 15 augustus 2018
Oordeel: klachtonderdeel II deels gegrond, overige klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager verwijt beklaagde dat zij niet met klager in gesprek is gegaan. Het is het College gebleken dat klager wel is aangeboden om in gesprek te gaan, maar dat daar voorwaarden aan zijn verbonden. Veilig Thuis heeft klager geïnformeerd dat zij in gezamenlijkheid, dus met zowel klager als de moeder wilde praten, tenzij klager in gesprek zou willen over zijn eigen aandeel in de strijd. Het College acht deze beslissing van beklaagde navolgbaar. Daarbij is deze genomen in overleg met collega’s.

Klager verwijt beklaagde dat zij hem niets heeft verteld over zijn rechten, noch over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Beklaagde heeft evenmin gewezen op de mogelijkheid een vertrouwenspersoon te kunnen spreken. Het College heeft kennis genomen van het feit dat de informatiefolder die Veilig Thuis normaal gesproken tijdens het eerste gesprek overhandigt pas tijdens een later klachtgesprek aan klager is verstrekt. Beklaagde heeft daar in het klachtgesprek haar excuses voor aangeboden en ook later verklaard hiervan geleerd te hebben. Het College overweegt dat klager eerder geïnformeerd had moeten worden over de werkwijze van Veilig Thuis. Informatieverstrekking door de hulpverlener is belangrijk. Dit deel van de klacht is dan ook gegrond.

Op het deel van de klacht dat beklaagde klager niet heeft geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is artikel F van de Beroepscode van toepassing. Dat artikel gaat over informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening en luidt als volgt: ‘De jeugdzorgwerker verschaft de jeugdige cliënt en diens wettelijke vertegenwoordigers de voor een goede professionele relatie relevante informatie, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal.’ In de toelichting op dit artikel staat vermeld: ‘Het verschaffen van informatie vindt plaats op basis van wetgeving, kwaliteitskaders, instellingsbepalingen en beroepswaarden. Met informatie op basis van beroepswaarden wordt ten minste bedoeld: … informatie over deze code en het daaraan gekoppelde tuchtrecht …’. Nu vast staat dat beklaagde klager daar niet op heeft gewezen en artikel F van de Beroepscode dit wel vereist, dient dit deel van de klacht gegrond te worden verklaard. Het College constateert dat het kennelijk geen beleid is binnen Veilig Thuis cliënten te wijzen op de Beroepscode. Het College is van oordeel dat hier (ook) een verantwoordelijkheid op instellingsniveau ligt. Beklaagde heeft de tuchtrechtelijke weg gevonden en is door het gebrek aan informatie over de Beroepscode en het tuchtrecht kennelijk niet in zijn belang geschaad.
Vast staat voorts dat klager en de kinderen niet gewezen zijn op de mogelijkheid een gesprek aan te gaan met een vertrouwenspersoon. In de Jeugdwet staat dat alle (pleeg)kinderen, jongeren, (pleeg)ouders en verzorgers die vragen of klachten hebben over jeugdhulp daarvoor terecht moeten kunnen bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 4.1.9 lid 1 Jeugdwet luidt als volgt: ‘De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen de vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen.’ Het College leest hierin niet dat op de jeugdprofessional de verantwoordelijkheid rust om cliënten hierop te wijzen. Beklaagde heeft volgens klager zonder zijn toestemming gespreksverslagen van de kinderen doorgegeven aan de Beschermingstafel. Veilig Thuis heeft een wettelijke taak onderzoek in te stellen bij zorgen over de veiligheid. In dat kader mag zij informanten benaderen en gesprekken aangaan met de kinderen. Het College verwijst naar het Handelingsprotocol van Veilig Thuis, waarin staat dat Veilig Thuis betrokkenen vooraf informeert over externe overleggen, contacten en het verstrekken van informatie, maar dat toestemming van deze betrokkenen niet vereist is.

Tot slot verwijt klager beklaagde dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Het College is van oordeel dat de verantwoordelijkheid voor het op juiste en rechtmatige wijze verwerken van persoonsgegevens bij de instelling ligt. In artikel 5.1.6 lid 1 Wmo staat dat Veilig Thuis bevoegd is om persoonsgegevens van hun cliënten te verwerken, om zo de wettelijke opdracht die Veilig Thuis heeft goed uit te kunnen voeren. Beklaagde heeft hier geen beroepsnorm geschonden. Nu het College de verwijtbaarheid bij het deels gegronde klachtonderdeel II gering vindt, beklaagde heeft gereflecteerd op het eigen handelen en het bovendien gaat om een eenmalige misslag, legt zij geen maatregel op.