Klacht over een pleegzorgwerker. Er is onvoldoende met klagers afgestemd over de zienswijze met betrekking tot terugplaatsing van de minderjarigen en daarmee is het vertrouwen in de jeugdzorg geschonden. Bovendien was de aard van de rapportage onduidelijk. Beklaagde heeft duidelijk blijk gegeven van inzicht en reflecterend vermogen en daarom acht het College de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Zaaknummer: 17.053Ta
Datum beslissing: 21 december 2017
Oordeel: klachtonderdeel I gedeeltelijk gegrond, klachtonderdelen II en IV ongegrond, klagers niet-ontvankelijk in het eerste deel van klacht III, en het tweede deel van de klacht ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers hebben over de pleegzorgwerker vier klachtonderdelen ingediend. De pleegzorgwerker doet uitspraken over klagers en de minderjarige, terwijl zij niet inzichtelijk maakt hoe zij aan deze informatie is gekomen. Nimmer is zij met de klagers in gesprek gegaan. Een rapport (zienswijze) moet controleerbaar zijn. Voorts heeft beklaagde, zonder overleg met de gedragswetenschapper en jeugdbeschermer, met een van de minderjarigen een brief geschreven aan de rechtbank, waarin zijn mening over terugplaatsing staat beschreven. Beklaagde heeft niet ingegrepen toen er vanaf juni 2013 aanwijzingen waren voor kindermishandeling en tot slot heeft beklaagde opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven in het verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling.

Niet is komen vast te staan dat in de zienswijze door beklaagde onjuiste informatie is opgenomen. Het beeld van beklaagde staat haaks op dat van de jeugdbeschermer, maar dat heeft te maken met de context van waaruit de casus beroepsmatig is beschouwd. Beklaagde heeft de zienswijze terecht weergegeven vanuit de minderjarigen en de pleegouders, waar zij contact mee had. Het College is wel van oordeel dat beklaagde met de manier waarop zij de zienswijze heeft opgesteld onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Doordat onder de zienswijze alleen de naam van beklaagde en de gedragswetenschapper en de datum stond, was onvoldoende duidelijk wat de aard van de rapportage was. Tot slot betreurt het College dat beklaagde klagers door tijdgebrek niet heeft geïnformeerd over haar oordeel over terugplaatsing van de minderjarigen in deze zienswijze, terwijl klagers het wettelijk gezag over de minderjarigen hebben. Ten aanzien van de brief overweegt het College dat het zorgvuldiger was geweest als beklaagde de jeugdbeschermer, die in dit proces de regievoerder is, had geïnformeerd over het verzoek van de rechter en de bewuste brief. Zij heeft echter na overleg met de gedragswetenschapper besloten om als meest vertrouwde persoon voor de minderjarige naast hem te zitten. Daarmee heeft beklaagde de minderjarige juist ook tot zijn recht laten komen. Het College vindt dat dit zwaarder weegt dan het gegeven dat zij de jeugdbeschermer niet heeft geïnformeerd. Ten aanzien van het derde klachtonderdeel over kindermishandeling verklaart het College klagers niet-ontvankelijk. De –vermeende- handelswijze waarop de klacht zich richt, heeft zich afgespeeld in een periode dat beklaagde nog niet geregistreerd was. Voorts hebben klagers aangegeven dat beklaagde zich niet in verbinding heeft gesteld met de behandelaars van een van de minderjarigen. Het was niet aan beklaagde om zelfstandig contact op te nemen met andere hulpverleners. Beklaagde is pleegzorgwerker en is in die hoedanigheid belast met de contacten met de pleegouders en de minderjarigen. Met betrekking tot het vierde klachtonderdeel heeft het College vastgesteld dat beklaagde onweersproken heeft verklaard dat zij het verlengingsverzoek voor de ondertoezichtstelling niet heeft geschreven, omdat zij op dat moment met zwangerschapsverlof was.