Klacht tegen raadsonderzoeker over het opgestelde raadsrapport, het doorsturen van een e-mailbericht en de schijn van vooringenomenheid. Artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel E (respect) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Zaaknummer: 17.051T
Datum beslissing: 17 november 2017
Oordeel: klachtonderdelen I, II, III, IV en VII gegrond, klachtonderdelen V en VI ongegrond
Maatregel: berisping

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 18.001B

Klager heeft tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest als raadsonderzoeker, zeven klachtonderdelen ingediend. Klachtonderdelen I tot en met III zien toe op het opgestelde raadsrapport, en worden gegrond verklaard. Het College is van oordeel dat het raadsrapport eenzijdig is opgesteld. In de beslissing worden diverse voorbeelden uit het dossier genoemd waaruit dit volgens het College blijkt.  Ook acht het College de klacht gegrond dat de vragen van de rechtbank niet volledig zijn beantwoord. Er is volgens het College gebruik gemaakt van standaardvragen in plaats van de opgestelde vragen door de rechtbank, waardoor uiteindelijk de vragen van de rechtbank niet geheel  worden beantwoord. Beklaagde heeft tot slot nagelaten de reactie van klager dan wel de strekking daarvan toe te voegen aan het definitieve raadsrapport. Het in zijn geheel weglaten van de reactie van klager is naar het oordeel van het College geen optie.

Klachtonderdeel IV gaat over het doorsturen van een e-mailbericht aan beklaagde naar moeder en ook deze klacht acht het College gegrond. Naar het oordeel van het College had beklaagde moeten inzien dat het niet gepast zou zijn wanneer zij de betreffende e-mail zou doorsturen aan moeder, zonder hierover met klager te communiceren. Tot slot oordeelt het College klachtonderdeel VII over de gewekte schijn van vooringenomenheid gegrond. Dit klachtonderdeel is in samenhang met klachtonderdelen I, II en III onvoldoende door beklaagde weerlegd. Het College acht het de verantwoordelijkheid van beklaagde om zowel klager als moeder voldoende ruimte te geven om zijn of haar zienswijze in een rapport naar voren te brengen. In dit geval was slechts het verhaal van moeder in het raadsrapport opgenomen en ontbrak het zelfstandige verhaal van klager.

Het College oordeelt dat beklaagde artikel D en E van de Beroepscode voor Jeugdzorgwerkers heeft geschonden, en acht het opleggen van een maatregel van een berisping passend en geboden. Zij weegt daarbij mee de ernst en de mate van verwijtbaarheid van het handelen alsmede de mate waarin gereflecteerd is door beklaagde.