Klacht tegen casusregisseur over het niet tot stand brengen van omgang tussen klager en de minderjarige. Het College oordeelt dat beklaagde artikel D, I, M en N van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft geschonden.

Zaaknummer: 17.126Tb
Datum beslissing: 2 mei 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

De klacht van klager bestaat uit vijf klachtonderdelen. Klachtonderdeel I, III en V zijn door het College gegrond verklaard. Het wordt beklaagde aangerekend dat zij bij het opstellen van de omgangsregeling de schijn heeft gewekt dat zij niet neutraal is geweest door meer gesprekken met de moeder te voeren dan met klager. Het College overweegt dat het van groot belang is dat de jeugdprofessional in de contacten met ouders een zekere balans houdt, mede om te voorkomen dat een ouder het gevoel kan krijgen dat de jeugdprofessional partijdig is. Voorts acht het College het verwijtbaar dat beklaagde na de procedure bij de klachtcommissie klager niet (tijdig) heeft geïnformeerd over de verdere stappen, en het Verzoek tot Onderzoek suggestief is doordat niet is vermeld om welke reden informatie in het Verzoek tot Onderzoek ontbreekt. Het College heeft in zijn overweging, welke maatregel passend is, meegenomen dat beklaagde zich in een lastige positie heeft bevonden, gelet op het feit dat klager geen gezaghebbend ouder is, er reeds verschillende hulpverleningstrajecten zijn doorlopen op het moment dat beklaagde als casusregisseur is aangesteld, en er sprake is van hulpverlening in het vrijwillig kader. Voorts heeft beklaagde met betrekking tot het opstellen van de omgangsregeling gereflecteerd op haar handelen. Het College acht de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.