Klacht tegen de ambulant spoedhulpverlener over onder andere het eindverslag, dat geschreven is zonder dat beklaagde klaagster en de zoon gesproken heeft en dat beklaagde zonder enige aanleiding de betrokken instelling in het drangkader heeft geïnformeerd over de zorgen over de zoon, waarna een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon is ingediend.

Zaaknummer: 18.130T
Datum beslissing: 18 maart 2019
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Klaagster is de moeder van een zoon en oefent het gezag uit over de zoon. De zoon is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Klaagster heeft drie klachtonderdelen ingediend. Deze samenvatting gaat alleen in op de relevante klachtonderdelen I en III.

Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat zij een eindverslag geschreven heeft over klaagster en de zoon, zonder dat zij in gesprek is gegaan met klaagster, of de zoon heeft gezien. Beklaagde heeft verklaard dat zij in de periode dat zij als ambulante spoedhulpverlener betrokken was, zowel telefonisch als via WhatsApp contact onderhield met klaagster. Het College kan klaagster dan ook niet volgen in haar klacht dat beklaagde een verslag heeft geschreven zonder dat zij klaagster heeft gezien. Dat beklaagde de zoon niet heeft ontmoet, kan volgens het College liggen aan de relatief korte tijd dat beklaagde bij het gezin van klaagster betrokken is geweest.

In klachtonderdeel III verwijt klaagster beklaagde dat zij zonder enige aanleiding via een andere instelling een verzoek tot uithuisplaatsing van de zoon heeft ingediend zonder samenwerking of een gesprek met klaagster. Het College overweegt dat er zorgen waren over klaagster en de zoon en dat deze zorgen binnen een aantal dagen snel toenamen. Beklaagde heeft om die reden, na overleg met haar collega’s en in het belang van de zoon, besloten om de instelling te informeren. Daarbij heeft beklaagde, eveneens na afstemming met haar collega’s, in het belang van de veiligheid van de zoon besloten klaagster hier vooraf niet over te informeren. Het College kan zich goed voorstellen dat klaagster zich op die bewuste middag overvallen heeft gevoeld. Het College acht het echter wel navolgbaar dat beklaagde zo gehandeld heeft. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zeer zorgelijk was, dat mogelijk de veiligheid van de zoon in het geding was en voorts heeft zij vooraf afstemming gezocht met haar collega’s. Beklaagde heeft in haar verweer gereflecteerd op haar handelen in die zin dat zij zich nu nog bewuster is van de noodzaak van transparant communiceren. Mogelijk had het beter gekund maar het College is – alles overwegende – van oordeel dat beklaagde bij het beroepsmatig handelen gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Tot slot merkt het College nog op dat tussen de periode van het handelen in april 2016 en het indienen van de tuchtklacht in september 2018 een relatief lange periode ligt van meer dan twee jaar. Het College kan zich voorstellen dat dat voor een beklaagde, die zich immers dient te verweren, een complicerende factor is.