Klacht tegen de gezinsvoogd over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College wijst onder meer op het belang van overleg met betrokkenen en de eigen verantwoordelijkheid/bevoegdheid van een jeugdprofessional om het hulpverleningstraject vorm te geven.

Zaaknummer: 17.044T
Datum beslissing: 8 november 2018
Oordeel: klachtonderdelen I, II en III ongegrond; klachtonderdeel IV klaagster niet-ontvankelijk
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster, moeder van twee minderjarige zonen, heeft tegen de gezinsvoogd vier klachtonderdelen ingediend. Klaagster verwijt beklaagde allereerst dat er al een Plan van Aanpak was, voordat er deugdelijk kennis was gemaakt met klaagster en de kinderen. Ten tweede verwijt klaagster beklaagde dat zij zich niet houdt aan hetgeen in het raadsrapport en in de beschikking van de kinderrechter staat. In klachtonderdeel drie verwijt klaagster beklaagde onder meer dat zij niet objectief en transparant is. Tot slot verwijt klaagster beklaagde dat zij de klachten van klaagster niet serieus neemt. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College verklaart klachtonderdelen één tot en met drie ongegrond. In het eerste klachtonderdeel wordt beklaagde onder meer verweten dat het Plan van Aanpak al vaststond voor het kennismakingsgesprek met klaagster. Het College overweegt dat klaagster dit onvoldoende onderbouwd heeft en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van beklaagde. Voor zover klaagster met “het hebben van een plan” bedoelt dat de insteek van beklaagde reeds vaststond voorafgaand het kennismakingsgesprek met klaagster, overweegt het College dat dit niet in strijd is met een tuchtrechtelijke norm. Wel acht het College het van belang dat de aanpak van het hulpverleningstraject met de betrokkenen overlegd en besproken dient te worden conform artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Beklaagde heeft naar het oordeel van het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich tijdens het kennismakingsgesprek heeft ingezet om haar aanpak met klaagster bespreekbaar te maken en de standpunten van klaagster te horen.

In klachtonderdeel twee overweegt het College dat beklaagde voldoende gemotiveerd heeft weergegeven waarom zij heeft afgeweken van de rechterlijke beslissing. Gelet op de kernbeslissing van de GI, kan het College de aanpak van beklaagde volgen. Het College wijst er voorts op dat beklaagde, naast de daartoe strekkende kaders, ook een eigen professionele verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft om een afweging te maken over hoe zij het hulpverleningstraject vormgeeft. Klachtonderdeel drie is door klaagster onvoldoende onderbouwd.

Voor wat betreft het vierde klachtonderdeel is het College onvoldoende duidelijk wat beklaagde in dit klachtonderdeel wordt verweten. Het College heeft de gronden van dit klachtonderdeel niet uit de overgelegde stukken kunnen vaststellen, noch tijdens de mondelinge behandeling van de klacht. Het College verklaart klaagster daarom niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel.