Klacht tegen de jeugdbeschermer over de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Het College wijst op het belang van het duidelijk formuleren van klachtonderdelen, de toelichting en de onderbouwing daarvan.

Zaaknummer: 18.024T
Datum beslissing: 30 november 2018
Oordeel: klachtonderdelen I t/m V ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klagers, zijnde de vader en stiefmoeder van drie minderjarige kinderen, hebben tegen de betrokken jeugdbeschermer vijf klachtonderdelen ingediend. De klachtonderdelen hebben samengevat betrekking op de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling door beklaagde. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College constateert ten eerste dat klagers een toelichting op de vijf klachtonderdelen hebben geschreven, maar dat onvoldoende gebleken is welk deel daarvan ziet op welk klachtonderdeel. Ook is nagelaten (duidelijk) aan te geven ter onderbouwing van welk klachtonderdeel de overgelegde bijlage(n) dienen. Met verwijzing naar beslissing 17.028B van het College van Beroep overweegt het College dat het niet aan de beklaagde of aan het College is om uit de aangeleverde stukken de onderbouwing van de klachtonderdelen, en daarmee de feiten en gronden waarop deze berusten, te moeten destilleren. Om deze reden heeft het College ervoor gekozen klagers tijdens de mondelinge behandeling van de klacht de mogelijkheid te bieden om kenbaar te maken welk deel van de door hen geschreven toelichting en welk van de overgelegde bijlage(n) onderbouwend zijn voor elk van de geformuleerde klachtonderdelen.

Voor wat betreft de klachtonderdelen heeft het College in de beschreven voorbeelden en overgelegde onderbouwing geen gronden gezien voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Daarnaast acht het College de verwijten in klachtonderdeel III (“de kinderen doelbewust in een loyaliteitsconflict duwen”) en IV (“het vertellen van onwaarheden in de rechtbank en bij de klachtencommissie van de GI”) verstrekkend en grievend. Naar het oordeel van het College ligt het dan ook op de weg van klagers om dergelijke verwijten voldoende te onderbouwen, hetgeen klagers nagelaten hebben. Het College wijst erop dat relevante stukken overgelegd dienen te worden waaruit het door klagers gestelde blijkt en ook dat het aan de klagers is om aan te geven waar in de stukken bijvoorbeeld de vermeende discrepanties (dan wel de onwaarheden) zich bevinden.
Ten overvloede wordt door het College nog opgemerkt dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voldoende is gebleken dat beklaagde heeft moeten handelen in een complexe zaak met tegenstrijdige belangen. Uit niets is volgens het College gebleken dat beklaagde zich onprofessioneel heeft opgesteld dan wel zich onvoldoende heeft ingezet om zorgvuldig – naar eer en geweten – in het belang van de kinderen te handelen.