Klacht tegen de jeugdprofessional die werkzaam is in het crisisteam. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Het College schetst het uitgangspunt rond verslaglegging.

Zaaknummer: 18.004T
Datum beslissing: 13 juli 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde werkt in het crisisteam en is betrokken geweest bij de minderjarige in het drangkader. Klagers zijn de ouders van de minderjarige en dienen vier klachtonderdelen in. Deze gaan over het door beklaagde ingediende verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming en over de samenwerking met beklaagde. Allereerst is het verwijt dat beklaagde het verzoek niet zorgvuldig heeft opgesteld en belangrijke informatie heeft weggelaten (klachtonderdeel I). Daarnaast heeft zij klagers verzoek tot correctie genegeerd (klachtonderdeel II). Verder verwijten klagers beklaagde dat de communicatie met haar moeizaam is verlopen (klachtonderdeel III) en dat de minderjarige in vijf maanden tijd op vier verschillende plekken is opgenomen (klachtonderdeel IV). Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Deze samenvatting gaat in op het eerste klachtonderdeel: het verwijt dat het verzoek tot onderzoek door beklaagde onzorgvuldig is opgesteld. In de beoordeling schetst het College het uitgangspunt aangaande verslaglegging. Op grond van artikel 7.3.8 lid 1 van de Jeugdwet dient de jeugdhulpverlener een dossier in te richten, indien dit voor een goede hulpverlening aan de betrokkene noodzakelijk is. Ook dienen persoonsgegevens op grond van artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld, juist, nauwkeurig en te zake dienend en niet bovenmatig te zijn. Tot slot dienen verslaglegging en dossiervorming te geschieden conform de beroepsstandaard, gelet op de toelichting van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College verwijst ook naar de aanbevelingen uit het rapport “Is de zorg gegrond?” van de Kinderombudsman uit 2013.

Op basis van het door beklaagde opgemaakte verzoek kan het College zich voorstellen dat de inhoud van het verzoek klagers tegen de borst stuit. Maar klagers hebben geen onderbouwende stukken overgelegd waaruit het door hen gestelde blijkt. Zij hebben slechts het verzoek overgelegd en hierin passages gemarkeerd en aantekeningen geschreven. Het College is het met klagers eens dat passages in het verzoek op de door het College genoemde punten beter c.q. neutraler geformuleerd had kunnen worden. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen van de professional beter had gekund. Daarom wordt het handelen van beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geacht.

Wel heeft het College beklaagde met deze beslissing willen meegeven dat rapportages van jeugdprofessionals langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben. Middels het oordeel in het eerste klachtonderdeel beoogt het College bij te dragen aan een verdere bewustwording hierover, ook binnen de gehele beroepsgroep.