Klacht tegen de onderzoeker van Veilig Thuis, dat er geen onderbouwing is gegeven waarom Veilig Thuis de gemelde zorgen van klager niet deelde, dat klager als vader en melder niet betrokken is, dat hij in het Veiligheidsplan is neergezet als dader en tot slot dat in het Veiligheidsplan vermeld staat dat hij schuldig is bevonden aan moord.

Zaaknummer: 18.070T
Datum beslissing: 20 december 2018
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. Zie voor de beslissing van het College van Beroep: zaaknummer 19.004B.

Klager is vader van een dochter. Klager en de moeder zijn uit elkaar. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter. De dochter heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en er is een omgangsregeling met klager. De moeder heeft met een eerdere partner een zoon. De dochter en de zoon worden samen aangeduid als: de kinderen. Veilig Thuis heeft een triage uitgevoerd en besloten dat er een onderzoek uitgevoerd dient te worden om meer zicht te krijgen op de kinderen. Beklaagde is casusmanager geworden. Klager heeft vier klachtonderdelen ingediend. In deze samenvatting wordt alleen ingegaan op de relevante klachtonderdelen I en IV.

In het eerste klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat er geen onderbouwing is gegeven waarom Veilig Thuis de gemelde zorgen van klager niet deelde. Het College ziet in het Veiligheidsplan terug dat daarin zowel zorgen als krachten zijn gesignaleerd. De zorgen zijn voldoende duidelijk omschreven en er zijn minimale eisen opgesteld om de veiligheid te bereiken. Beklaagde is naar het oordeel van het College evenwichtig te werk gegaan. Zij heeft klager gehoord, maar ook het verhaal van de moeder meegewogen. Voorts heeft beklaagde betrokkenen en informanten gehoord om het onderzoek zo compleet mogelijk te maken. Beklaagde heeft er kennelijk voor gekozen het netwerk van klager niet op te nemen in het onderzoek. Het College overweegt dat beklaagde dat had kunnen doen, maar daartoe niet verplicht is.

In het vierde klachtonderdeel verwijt klager beklaagde dat in het Veiligheidsplan vermeld staat dat klager een belast verleden heeft en schuldig is bevonden aan moord. Feitelijk is dat onjuist nu klager schuldig is bevonden aan doodslag. Beklaagde heeft erkend dat het verleden van klager in eerste instantie niet correct is weergegeven. Doordat klager echter niet met beklaagde in gesprek is gegaan over het Veiligheidsplan, heeft hij beklaagde pas drie maanden na afronding van het onderzoek, tijdens de eerste monitoring gewezen op deze omissie. Het College begrijpt dat te term ‘moord’ in het Veiligheidsplan klager onaangenaam heeft verrast, maar begrijpt daarom niet dat klager drie maanden heeft gewacht om hier op te reageren. Nu beklaagde direct nadat zij van deze omissie op de hoogte is gebracht alles in het werk heeft gesteld het mogelijke nadeel voor klager te keren en meerdere keren haar excuses aan klager heeft aangeboden, is het College van oordeel dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.