Klacht tegen een ambulant hulpverlener bij een lokaal team over onzorgvuldig handelen ten tijde van haar betrokkenheid in het vrijwillig kader en de melding die zij heeft gedaan bij Veilig Thuis. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) zijn geschonden.

Zaaknummer: 18.062T
Datum beslissing: 24 oktober 2018
Oordeel: klachtonderdeel III (deels) ongegrond; klachtonderdelen I, II en III (deels) gegrond
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster heeft tegen de ambulant hulpverlener die betrokken is geweest in het vrijwillig kader drie klachtonderdelen ingediend. Zij stelt dat beklaagde haar niet vooraf heeft geïnformeerd over de melding bij Veilig Thuis. Ten tweede heeft beklaagde onzorgvuldig gehandeld bij het opstellen van de melding voor Veilig Thuis. Tot slot is klaagster van mening dat beklaagde onzorgvuldig is geweest in haar werkzaamheden als maatschappelijk werker in relatie tot klaagster. Zij licht dit toe met vijf voorbeelden. Het College oordeelt dat klachtonderdelen I, II en III (deels) gegrond zijn. Over klachtonderdeel I is het College van oordeel dat beklaagde op grond van de meldcode de klaagster vooraf moet informeren over haar voornemen om een melding te doen bij Veilig Thuis. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster vooraf is geïnformeerd. Ook als de bijgevoegde e-mail van beklaagde wel zou zijn aangekomen blijkt uit de gekozen bewoording niet dat het gaat om een vooraankondiging. Inzake het tweede klachtonderdeel erkent beklaagde dat zij in de melding bij Veilig Thuis meer informatie heeft opgenomen dat de feitelijk noodzakelijke informatie en onduidelijk is geweest in haar bronvermeldingen. Beklaagde heeft gereflecteerd op haar handelen, maar dat doet voor het College niet af aan het oordeel dat zij onzorgvuldig is geweest in het opstellen van de melding voor Veilig Thuis. Ten aanzien van klachtonderdeel III oordeelt het College dat het onzorgvuldig is geweest om onaangekondigd en onverwachts op huisbezoek te gaan. Beklaagde heeft hierop gereflecteerd dat zij in het vervolg partijen op een neutrale locatie zal uitnodigingen. Hiermee geeft beklaagde achteraf blijk van een juist professioneel handelen. Het maakt echter het oordeel van het College dat beklaagde hier onzorgvuldig heeft gehandeld niet anders. Voor het overige gedeelte van klachtonderdeel III is het College van oordeel dat het gestelde ongegrond is. Beklaagde heeft volgens het College artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (Respect) en artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) geschonden. In haar verweer en tijdens de mondelinge behandeling heeft zij gereflecteerd op haar handelen en een aantal gemaakte fouten oprecht erkend. Het College acht dit van belang acht en waardeert dit. Daarom acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.