Klacht tegen een jeugdconsulent over de plaatsing van de zoon bij zijn oma en (stief)opa en het onzorgvuldig handelen hierin door beklaagde. Klagers worden in één klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard. De andere klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.

Zaaknummer: 18.061T
Datum beslissing: 6 november 2018
Oordeel: klachtonderdeel VI klagers niet-ontvankelijk; klachtonderdelen I t/m V en VII ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Let op: in deze zaak is beroep ingesteld. De procedure bij het College van Beroep loopt nog.

Beklaagde werkt als jeugdconsulent bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en is bij het gezin betrokken geweest in het drangkader. Klagers zijn de moeder en de stiefvader van een zoon en dienen zeven klachtonderdelen in. Op 20 oktober 2016 is de zoon (tijdelijk) bij zijn oma en (stief)opa geplaatst. Klachtonderdelen I tot en met V hebben betrekking op deze, volgens klagers onterechte, plaatsing. Beklaagde heeft volgens klagers tegen hun wil in gehandeld en ernstige fouten gemaakt. Ook heeft beklaagde geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Klachtonderdeel VI betreft het verwijt dat beklaagde tweemaal onjuiste informatie verstrekt heeft aan de politie. In klachtonderdeel VII wordt beklaagde verweten dat hij onvoldoende de samenwerking met klagers heeft gezocht. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College stelt in klachtonderdeel I vast dat partijen een andere beleving hebben over wat zich heeft afgespeeld op 20 oktober 2016. Klagers voeren aan dat de zoon op die dag onterecht uit huis geplaatst is omdat klaagster als gezaghebbende ouder geen toestemming gegeven had. Beklaagde stelt daarentegen dat klaagster wel degelijk meegewerkt heeft aan de vrijwillige tijdelijke opvang bij de oma en dat daardoor in juridische zin nooit sprake is geweest van een uithuisplaatsing van de zoon. Uit de overgelegde contactjournaals van 19 en 20 oktober 2016 is het voor het College voldoende aannemelijk geworden dat vanaf 19 oktober 2016 bij klaagster sprake was van een spoedsituatie, in de zin van de “Richtlijn Crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming”. Volgens het College heeft beklaagde conform het uitgangspunt van genoemde richtlijn gehandeld, omdat hij immers in overleg met onder meer klaagster is getreden om de mogelijkheden te bespreken waar de zoon zou kunnen verblijven. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat klaagster op 20 oktober 2016 geen toestemming gegeven heeft voor de plaatsing van de zoon bij zijn oma en (stief)opa. Klaagster heeft hierover achteraf kennelijk een ander standpunt ingenomen, maar dat maakt de conclusie van het College ten aanzien van 20 oktober 2016 niet anders. Uit de contactjournaals kan het College afleiden dat er sprake was van een spoedsituatie, die het noodzakelijk maakte om in te grijpen in de opvoedsituatie van de zoon, en dat klaagster daar die dag mee heeft kunnen instemmen. Het College vindt dat beklaagde op 20 oktober 2016 gehandeld heeft binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, en meer in het bijzonder conform het bepaalde in de “Richtlijn crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming”. In klachtonderdelen I t/m V en VII is het College van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt. Klagers worden in klachtonderdeel VI niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden en feiten van het klachtonderdeel voor het College onvoldoende duidelijk zijn. Het College overweegt ten overvloede dat het op waarheid beoordelen van een gedane aangifte in beginsel buiten de bevoegdheid van het College valt.