Klacht tegen een jeugdprofessional over hoe het hulpverleningstraject is vormgegeven en uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft de moeder op twee onderdelen onvoldoende betrokken in de besluitvorming. Het College ziet af van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 19.119Ta
Datum beslissing: 25 juli 2019
Oordeel: klachtonderdeel II is deels gegrond, voor het overige is de klacht ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Een moeder van drie kinderen dient een klacht met vijf onderdelen in tegen een jeugdprofessional van het wijkteam. Zij is in het vrijwillige kader bij het gezin betrokken is geweest. Tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional is de opvoedsituatie gewijzigd, in die zin dat de moeder na een rustperiode van twee weken niet is teruggekeerd in de gezinssituatie (bij de (stief)vader en de kinderen). Sindsdien is er weinig contact tussen de moeder en de kinderen. Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen II en V.

In klachtonderdeel II wordt de jeugdprofessional verweten dat de moeder, als gezaghebbende ouder van de kinderen, niet bij de opvoeding en besluitvorming is betrokken. De moeder heeft hiertoe een groot aantal voorbeelden opgesomd. Het College constateert dat de jeugdprofessional tegen het overgrote deel van de gegeven voorbeelden gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Het College gaat in het oordeel in op de voorbeelden waarbij het tot de taak van de jeugdprofessional moet worden gerekend om de moeder te informeren, te betrekken of haar toestemming te vragen. Het College stelt vast dat de moeder door de jeugdprofessional niet betrokken is bij het besluit om de dagbesteding van de jongste zoon te verruimen. Ook is de thuisbegeleiding ten behoeve van de (stief)vader en de kinderen ingezet, terwijl de moeder hiervoor geen toestemming had gegeven. De jeugdprofessional kon volgens het College niet volstaan met het verkrijgen van impliciete toestemming. Artikel 7.3.4 lid 1 en 2 van de Jeugdwet en artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode acht het College geschonden. Klachtonderdeel II wordt (deels) gegrond verklaard.

In klachtonderdeel V wordt de jeugdprofessional verweten dat zij met haar aanpak het vertrouwen in de jeugdzorg niet bevorderd heeft. Het College acht dit verwijt verstrekkend en oordeelt dat het op de weg van de moeder ligt om een dergelijk verwijt voldoende met relevante stukken te onderbouwen. Dat heeft de moeder nagelaten. Bovendien is bij het College de indruk ontstaan dat de jeugdprofessional zich heeft ingezet de moeder zo veel mogelijk te betrekken bij en te informeren over de hulpverlening.

Het is het College duidelijk geworden dat door de gewijzigde opvoedsituatie de samenwerking tussen partijen is bemoeilijkt. Dit valt echter niet de jeugdprofessional te verwijten. Voorts heeft het verwijtbaar handelen gedeeltelijk betrekking gehad op één klachtonderdeel. Onder deze omstandigheden ziet het College geen aanleiding een maatregel op te leggen.