Klacht tegen een orthopedagoog die werkzaam is als jeugd-en gezinswerker bij een lokaal team. Nu beklaagde is geregistreerd in de kamer voor orthopedagogen, wordt het handelen van beklaagde getoetst aan de beroepscode-NVO. Beklaagde heeft het gesprek met klaagster niet vastgelegd evenals een datum voor de evaluatie. Beklaagde heeft het ‘3 huizengesprek’ anders moeten vormgeven. Zij heeft verder nagelaten klaagster op de hoogte te stellen van de inhoud van het verslag. De hulpverlening aan klaagster is niet afgesloten. Tot slot rust op beklaagde een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of zij de hulpverlening kan uitvoeren. Artikelen 5 lid 2 (positie van de client en zijn wettelijk vertegenwoordigers), 9 lid 5 (deskundigheid en bekwaamheid), 18 (informatie aan de client verstrekken over aard en doel van de professionele relatie), 20 (in vrijheid beslissen over het aangaan van de professionele relatie), 27 (evaluatie bij de afsluiting van de professionele relatie), 31 (dossiervorming) en 35 (recht op inzage en afschrift) van de beroepscode-NVO zijn geschonden. Het College legt een waarschuwing op.

Zaaknummer: 18.107T
Datum beslissing: 7 maart 2019
Oordeel: klachtonderdelen I, XIII en XIV zijn gegrond; klachtonderdelen IV en V zijn deels gegrond; de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel: waarschuwing

Download de volledige beslissing in pdf

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niets over de rechtspositie van klaagster heeft gemeld en dat nooit een evaluatie heeft plaatsgevonden. Het College overweegt dat beklaagde geen e-mails of andere stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat beklaagde het gesprek met klaagster heeft vastgelegd. Ook heeft beklaagde tijdens of na het eerste gesprek nagelaten een datum voor de evaluatie vast te leggen.

Klaagster meent voorts dat het ‘3 huizen gesprek’ tussen beklaagde en de zoon een aanfluiting was en meer weg had van een politie verhoor. Het College oordeelt dat beklaagde heeft erkend dat zij het gesprek anders had moeten vormgeven. Zij denkt achteraf bezien dat zij zich heeft laten opjagen door het proces en de vragen die er lagen.

Ook is het College van oordeel dat beklaagde klaagster formeel niet op de hoogte heeft gesteld van de inhoud van het verslag van het ‘3 huizen gesprek’.

De klacht van klaagster over het niet afsluiten van de hulpverlening is gegrond. Beklaagde is verplicht om de hulpverlening af te sluiten. Uit het dossier blijkt niet dat beklaagde heeft geprobeerd om met beklaagde hierover in contact te komen. Tot slot oordeelt het College dat de samenwerking in het vrijwillig kader onder druk is komen te staan na een beschikking van de rechtbank en omdat beklaagde en haar collega’s het wenselijk vonden dat een GI het proces zou overnemen. Op beklaagde rust, gelet op haar deskundigheid en bekwaamheid, een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen en aan te geven of zij de hulpverlening kan uitvoeren.

Nu beklaagde in deze complexe casus heeft overlegd met collega’s, heeft gereflecteerd op haar handelen en zich leerbaar heeft opgesteld, acht het College gelet op deze omstandigheden de maatregel van waarschuwing passend en geboden.