Klacht tegen een orthopedagoog over slechte communicatie, het niet verstrekken van haar registratienummer en het door haar geschreven verzoek tot bespreking beschermingstafel. De voorzitter van het College verklaart de klachten op basis van de overgelegde onderbouwing kennelijk ongegrond.

Zaaknummer: 19.010Ta
Datum beslissing: 25 februari 2019
Oordeel: klachtonderdelen I t/m III kennelijk ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager dient drie klachtonderdelen in tegen de orthopedagoog, die betrokken is geweest in het drangkader. De voorzitter van het College verklaart de klacht kennelijk ongegrond en overweegt per klachtonderdeel als volgt.

Klachtonderdeel I betreft het verwijt “slechte communicatie/niet aan beloftes houden”. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie valt echter te concluderen dat beklaagde initiatief heeft genomen om het gesprek met klager aan te gaan. Bovendien blijkt niet dat sprake is van slechte communicatie of van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

In klachtonderdeel II wordt beklaagde verweten dat zij weigert haar registratienummer te verstrekken. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat beklaagde naar aanleiding van het hiertoe verstrekkende verzoek aan klager de gebruikelijke procedure toelicht en een aanbod doet tot telefonisch contact met een collega. Hoewel het niet verstrekken van het registratienummer als tuchtrechtelijk verwijtbaar wordt geacht (beslissingen College van Toezicht d.d. 11 oktober 2018, zaaknummer 18.033T, en d.d. 12 november 2018, zaaknummer 18.044T), kan daar onder omstandigheden ook anders over worden geoordeeld (beslissing College van Toezicht d.d. 5 november 2018, zaaknummer 18.073T). Het had transparanter en zorgvuldiger geweest wanneer beklaagde direct haar registratienummer had verstrekt. Omdat het bij een tuchtrechtelijke toetsing er echter niet om gaat of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund, is de conclusie dat hier niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld.

Tot slot is klachtonderdeel III dat het “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” niet voldoet aan de kwaliteitseisen. De voorzitter overweegt dat aan een zogenoemd “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel”, gericht aan de Beschermingstafel, geen juridische vormvoorschriften zijn verbonden. Het is gebruikelijk dat de indruk en/of interpretatie van de verzoekende hulpverlener als grondslag voor een onderzoek gebruikt wordt. Uit het overgelegde “Verzoek tot bespreking Beschermingstafel” maakt de voorzitter niet op dat beklaagde met de inhoud of het opstellen daarvan tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De door klager overgelegde onderbouwing van dit klachtonderdeel, een beoordeling van dit verzoek door een derde, doet hier niet aan af.