Klacht tegen jeugdbeschermer die is betrokken bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het plan van Aanpak is te laat opgesteld terwijl beklaagde de noodzaak hiervan heeft benadrukt en heeft toegezegd dat zij dit zo spoedig mogelijk zou opstellen. Het College acht twee klachtonderdelen gegrond, maar ziet redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel.

Zaaknummer: 18.048T
Datum beslissing: 22 oktober 2018
Oordeel: deels gegrond, deels ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager heeft vijf klachtonderdelen geformuleerd. Klager verwijt beklaagde bij klachtonderdeel twee en drie dat het plan van Aanpak te laat is opgesteld ondanks dat beklaagde heeft toegezegd dat zij het plan van Aanpak spoedig zou opstellen. De periode tussen de verlenging van de ondertoezichtstelling en het vaststellen van het plan van Aanpak is vier maanden geweest. Deze periode is naar het oordeel van het College te lang. Een plan van Aanpak biedt immers aan betrokkenen handvatten en structuur aan de hulpverlening voor een in tijd afgebakende periode, ook voor beklaagde zelf. Met een dusdanig laat opgesteld plan van Aanpak wordt deze doelstelling niet bereikt en is artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (overeenstemming/instemming over de hulp -en dienstverlening) geschonden.

Voorts heeft beklaagde de noodzaak van een Plan van Aanpak zelf benadrukt en heeft toegezegd dat het plan van Aanpak zo spoedig mogelijk wordt opgesteld. Het College is van oordeel dat van beklaagde als jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij gedane toezeggingen nakomt en dat zij communiceert met klager op het moment dat zij merkt dat zij haar toezeggingen niet waar kan maken. Het vertrouwen in de jeugdzorg is niet bevorderd en artikel D van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker is geschonden.

Het College heeft overwogen om beklaagde een maatregel van waarschuwing op te leggen maar ziet redenen om hiervan af te zien vanwege de werkomstandigheden waarin beklaagde heeft moeten werken en het feit dat zij haar excuses heeft aangeboden in het verweerschrift. Het College gaat ervan uit dat beklaagde lering heeft getrokken uit deze casus en dat het om eenmalige misslagen gaat. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.