Klacht tegen jeugdbeschermer over de uithuisplaatsing van de dochter, de wijze van bejegening, het stopzetten van omgang met de zoon en de informatievoorziening.

Zaaknummer: 17.154T
Datum beslissing: 9 augustus 2018
Oordeel: ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Het College oordeelt dat beklaagde niet heeft besloten dat de dochter niet meer bij klaagster kan wonen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing getoetst. Beklaagde heeft contact gezocht met klagers om met hen te praten over mogelijkheden voor contact met de dochter en heeft zich hiervoor voldoende ingespannen. Het College kan niet vaststellen dat klagers onjuist bejegend zijn omdat klagers en beklaagde elkaar tegenspreken en hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. De collega van beklaagde heeft een e-mail gestuurd over het stopzetten van de omgang met de zoon en de GI heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven. Hierin staat dat klager geen omgang heeft met de zoon totdat hij is behandeld tegen boosheid voorzien van een uitleg.

Klager had van de mogelijkheid gebruik kunnen maken om bij de kinderrechter te vragen om deze aanwijzing vervallen te verklaren. Dat is niet gebeurd. Beklaagde heeft verder zorgvuldig gehandeld door gesprekken te voeren met klagers over de voorwaarden voor contactherstel. Beklaagde heeft gezegd dat hij volgens afspraak klagers maandelijks informeert over de kinderen. Klaagster heeft dit bevestigd. Beklaagde heeft gezocht naar een ander pleeggezin nadat de pleegouders van de dochter hem hebben bericht dat de dochter niet bij hen kon blijven wonen. Dat de dochter verplaatst moest worden, is niet verwijtbaar aan beklaagde.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.