Klacht over uitvoering van de ondertoezichtstelling. Klachtonderdelen betreffen beperkte omgang met de uit huis geplaatste kinderen, vooringenomenheid en onvoldoende betrekken bij het opvoedingsperspectief, en het dwingen tot het geven van toestemming voor niet noodzakelijke medische handeling.

Zaaknummer: 16.140T
Datum beslissing: 24 augustus 2017
Oordeel: alle klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Klager is vader van vier kinderen. Hij heeft sinds medio 2016 mede het gezag over alle vier de kinderen, en had ook voordien mede het gezag over alleen het oudste kind. In het gezin van de kinderen was sprake van jarenlange relatieproblematiek tussen de ouders en huiselijk geweld. Er is in het verleden al veel hulpverlening en ondersteuning in het gezin geweest, waaronder een eerdere ondertoezichtstelling. Thans zijn alle vier de kinderen onder toezicht gesteld, en sinds enige tijd vanuit het gezin van de moeder uit huis geplaatst. De GI heeft het advies van de pleegzorgaanbieder en jeugdhulpaanbieder de kinderen niet terug te plaatsen bij de moeder, en niet te plaatsen bij klager, overgenomen. Beklaagde is gezinsvoogd.

Klacht

Klager verwijt beklaagde onder meer het volgende:

  • dat zij desgevraagd geen antwoord heeft gegeven over zijn beperkte omgangsregeling;
  • dat zij vooringenomen is en klager onvoldoende heeft betrokken bij het opvoedingsperspectief van de kinderen;
  • dat zij hem dwingt toestemming te geven voor een niet medisch noodzakelijke handeling van de minderjarige.

Beslissing

Beklaagde heeft de omgangsregeling vastgesteld op basis van een advies van de pleegzorgaanbieder, teneinde meer rust te creƫren. Klager was aanwezig bij een overleg, waar dit advies is besproken alsmede aan de orde is gekomen dat dit is gebaseerd op observaties, gesprekken met ouders en de kinderen. Tevens is bij dit overleg besproken dat de GI het advies overneemt. Beklaagde heeft in een brief aan klager daarnaast uiteengezet hoe de totstandkoming van de omgangsregeling is verlopen. Ter zitting heeft beklaagde verklaard dat de GI deze omgangsregeling het meest in het belang van de kinderen acht en daarom de frequentie van de omgangsregeling van klager in stand heeft gelaten, nadat de rechtbank de omgangsregeling met de moeder had uitgebreid. Gelet op vorenstaande heeft beklaagde klager genoegzaam uitgelegd wat de reden is van de beperkte omgangsregeling. Niet gebleken is van vooringenomenheid van beklaagde. De GI heeft het toekomstperspectief van de kinderen onderzocht aan de hand van dossieranalyse en de beoordelingsboog van de pleegzorgaanbieder; de bevindingen van de jeugdhulpaanbieder sloten aan bij die van de GI en de pleegzorgaanbieder. Aan de beoordelingsboog lagen gesprekken met klager, de moeder, de kinderen en pleegouders ten grondslag. Bij de beoordelingsboog wordt weliswaar ook gebruik gemaakt van informatie van de GI, maar deze wordt verwerkt in de verschillende factoren die systematisch worden afgewogen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat de bevindingen van de jeugdhulpaanbieder ondeugdelijk zijn door onjuiste informatie die beklaagde zou hebben verstrekt.

Beklaagde heeft verklaard dat de medische ingreep van de minderjarige niet strikt noodzakelijk was maar de klachten wel zodanig hinderlijk voor de minderjarige dat het wenselijk was dat hij behandeld zou worden. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is niet aannemelijk dat beklaagde heeft gehandeld buiten haar professionele kaders, door te dreigen met een verzoek vervangende toestemming, daar waar klager geen toestemming gaf voor de medische handeling. Het CvT verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.