Klacht over zittingsvertegenwoordiger Raad voor de Kinderbescherming betreffende adviseren op basis van onzorgvuldig bevonden rapportage, het zich negatief uitlaten over klager en het onvoldoende doordrongen zijn van de impact van de complexe echtscheidingsproblematiek.

Zaaknummer: 17.024Tb
Datum beslissing: 23 november 2017
Oordeel: Klachtonderdelen ongegrond
Maatregel: geen

Download de volledige beslissing in pdf

Beklaagde was als zittingsvertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) aanwezig bij de behandeling ter zitting van het verzoek van klager (vader) de omgangsregeling met zijn kinderen te hervatten. De rechter heeft het verzoek van klager afgewezen. Klager verwijst in zijn klacht naar de door de klachtencommissies gegrond verklaarde klachten aangaande zowel het eerder verrichtte onderzoek en opgemaakte rapport als het advies van beklaagde ter zitting. Hij verwijt beklaagde dat zij haar advies heeft gebaseerd op het raadsrapport, terwijl dat onzorgvuldig is bevonden. Verder verwijt klager beklaagde dat zij zich slechts negatief heeft uitgelaten over klager en ten onrechte niet het gedrag van de moeder heeft benoemd. Ook verwijt klager beklaagde onvoldoende doordrongen te zijn van de impact van de complexe echtscheidingsproblematiek.

Het CvT overweegt dat beklaagde overeenkomstig de rolbeschrijving van haar functie vóór de zitting alle dossierinformatie heeft gelezen, waaronder het raadsrapport en de uitspraken van de klachtencommissies. Klager lijkt er ten onrechte van uit te gaan dat als ten aanzien van het opgemaakte rapport in de klachtuitspraak is geoordeeld dat op bepaalde punten de procedure niet voldoende zorgvuldig geweest, het rapport in zijn geheel niet meer gebruikt zou mogen worden. Het CvT constateert aan de hand van het proces-verbaal dat de rechter ter zitting de uitkomsten van de klachtprocedures heeft benoemd en als startpunt heeft meegenomen. Beklaagde heeft haar advies niet volledig gebaseerd op het eerdere rapport, maar heeft hieruit wel meegenomen dat de kinderen (voorlopig) geen contact met hun vader willen. Dat was voor haar toen en is ook nu nog de kern. Het CvT vindt dit begrijpelijk, wat er ook zij van de door de klachtencommissie gegrond verklaarde klachten. Het CvT stelt vast dat beklaagde ter zitting aan klager heeft gevraagd wat hij heeft gedaan met het advies van de Raad om te werken aan zijn agressieregulatie en dat beklaagde soortgelijke vragen niet aan de moeder heeft gesteld. Hiermee is beklaagde niet buiten de kaders van haar professionele verantwoordelijkheid getreden. Wellicht ware het beter geweest dat beklaagde dergelijke vragen ook aan de moeder had gesteld, zoals beklaagde heeft erkend en zij als leerpunt heeft meegenomen uit de klachtbeslissing, maar dat maakt niet dat beklaagde aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voldoende aannemelijk is geworden dat beklaagde met haar jarenlange ervaring met gezag- en omgangszaken genoeg kennis heeft van complexe echtscheidingsproblematiek en dat zij zich op professionele wijze in het moeizame spanningsveld tussen strijdende ouders beweegt. Ten overvloede overweegt het CvT dat het kennis draagt van de klachtbeslissingen van de in- en externe klachtencommissie. Het CvT dient zich op zijn beurt vanuit zijn hoedanigheid als tuchtcollege uit te laten over het professionele handelen van beklaagde als jeugdprofessional en de eventuele tuchtrechtelijke verwijtbaarheid hiervan.

Het CvT oordeelt dat beklaagde niet is getreden buiten de kaders van hetgeen van een redelijke bekwame jeugdprofessional verwacht mag worden. Integendeel, gebleken is dat beklaagde gedurende de gehele zitting de belangen van de kinderen goed voor ogen heeft gehouden.